Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:7022

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
29-09-2016
Zaaknummer
C/03/222596 / KG ZA 16-313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot schorsing executoriaal vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/222596 / KG ZA 16-313

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. B.P.J. Tillemans;

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C. van Leeuwen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de bij brief van 26 juli 2016 door mr. Tillemans ingediende aanvullende producties

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 april 2016 is het vonnis van deze rechtbank van 14 oktober 2015 onder zaaknummer 3642365 CV EXPL 14-12636 bekrachtigd. Bij dat vonnis is [eiseres] – zakelijk weergegeven en voorzover in het kader van deze procedure van belang – veroordeeld om de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , die [eiseres] van [gedaagde] huurde, te ontruimen wegens een achterstand in de huurbetalingen, met dien verstande dat de dag waartegen de woning ontruimd zou moeten zijn in het arrest is vastgesteld op 1 juni 2016.

2.2.

Coulancehalve heeft [gedaagde] de datum waarop de woning ontruimd zou moeten gesteld op 1 juli 2016 en nadien op 1 augustus 2016.

2.3.

[eiseres] heeft de over de maanden mei, juni en juli 2016 verschuldigde huurtermijnen te laat betaald.

2.4.

[gedaagde] weigert in te stemmen met een verdere verlenging van de datum tot ontruiming, namelijk tot 1 november 2016.

2.5.

[eiseres] is eigenaar van een woning aan de [adres 2] , die zij met ingang van 10 juli 2009 voor onbepaalde tijd heeft verhuurd aan een zekere [naam] . Voorts is zij eigenaar van een bedrijfsruimte aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] . Die bedrijfsruimte is door de gemeente Heerlen bij besluit van 20 april 2016 met ingang van 26 april 2016 voor de duur van zes maanden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de executie van voormeld vonnis, dan wel voormeld arrest schorst en [gedaagde] gebiedt de executie van het vonnis als van het arrest te staken en gestaakt te houden, primair tot 1 november 2016, subsidiair tot 30 oktober 2016, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag(deel) dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,--, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiseres] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij stelt zich ten eerste op het standpunt dat [gedaagde] geen rechtens te beschermen belang heeft bij de executie van het vonnis/arrest, nu hem is voorgehouden dat indien door hem wordt ingestemd met opschorting van de termijn van ontruiming tot het moment waarop [eiseres] andere, passende woonruimte kan betrekken, zekerheid wordt gesteld voor de vooruitbetaling van de huurpenningen tot 1 november 2016. Ten tweede stelt [eiseres] dat de executie van het vonnis/arrest zal leiden tot een noodtoestand aan haar zijde, nu zij als gevolg hiervan letterlijk op straat zal komen te staan. [eiseres] concludeert dat [gedaagde] bij executie van het vonnis/arrest misbruik van recht maakt.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] wél een rechtens te beschermen belang bij executie van het arrest heeft. [gedaagde] heeft immers een titel, het onder 2.1. genoemde arrest, waarmee hij de ontruiming kan bewerkstelligen. Hij hoeft niet te dulden dat [eiseres] nog langer in de woning verblijft dan na de datum waartegen hij volgens het arrest de woning mag ontruimen, ook niet als een derde voor [eiseres] inderdaad de huur tot 1 november 2016 vooruit zal betalen, zoals zij bloot heeft gesteld. Van belang hierbij is mede het feit dat, naar onbetwist vaststaat, [eiseres] de over de maanden mei, juni en juli 2016 verschuldigde huur te laat heeft betaald, terwijl zij, naar eveneens onbetwist vaststaat, ook ten tijde van het bestaan van de huurovereenkomst al meerdere malen achterstallig was met de betaling van de huur, en het niet voldoen aan haar huurverplichtingen juist de grondslag vormde voor het vonnis/arrest waarvan nu schorsing wordt gevorderd door [eiseres] . Het ontvallen van huurinkomsten wegens de ontdekte hennepplantage vormt hiervoor geen rechtvaardiging, reeds omdat onbetwist vaststaat dat [eiseres] , ook toen zij die inkomsten wel nog had, huurachterstanden liet ontstaan. Van [gedaagde] kan en mag dan ook niet worden verlangd dat hij bewilligt in een verder uitstel van de ontruiming van de woning tot 1 november 2016.

4.3.

Evenmin zal de executie van het arrest per 1 augustus 2016 leiden tot het ontstaan van een noodtoestand aan de zijde van [eiseres] die aan de executie in de weg staat, reeds omdat niet in rechte kan worden vastgesteld dat [eiseres] inderdaad op straat zal komen te staan, hetgeen door haar wel wordt gesteld maar door [gedaagde] gemotiveerd is betwist. Daarbij geldt dat, zelfs indien juist, dit feit onvoldoende is om een noodtoestand aan te nemen.

4.4.

Daarbij komt dat een noodtoestand alleen van belang is indien die het gevolg is van feiten en omstandigheden die ten tijde van het wijzen van het arrest niet bekend waren of konden zijn. Dat de bedrijfsruimte aan de [adres 3] door de gemeente Heerlen met ingang van 26 april 2016 voor de duur van zes maanden is gesloten, zodat deze niet als alternatieve woonruimte voor [eiseres] in aanmerking komt, is, anders dan [eiseres] stelt, geen nieuw feit dat pas na het arrest aan het licht is gekomen en dat leidt tot het alsnog ontstaan van een noodtoestand die aan de executie van het arrest in de weg staat. De aanzegging van de sluiting van de woning dateert immers van 20 april 2016 (zie 2.5.) en dus van voor het meerbedoelde arrest. Dit gegeven had alsnog aan het hof voorgelegd moeten worden. Gesteld noch gebleken is dat dit niet meer kon. Hierbij komt dat [eiseres] geen bezwaar tegen het besluit heeft ingediend, zoals de gemeente Heerlen in haar schrijven van 9 mei 2016 aan [eiseres] constateert (productie 8 bij de dagvaarding), hetgeen door [eiseres] niet is betwist, Bovendien, ook als geen hennepplantage aangetroffen zou zijn en dus geen sluiting had plaatsgevonden, zou het bedrijfspand geen alternatieve woonruimte hebben gevormd, omdat deze in dat geval nog verhuurd zou zijn geweest.

4.5.

Voorts is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een noodtoestand, nu [eiseres] beschikte over nog een ander woonalternatief, namelijk in de vorm van de woning aan de [adres 3] te Heerlen, die zij heeft verhuurd aan [naam] . Onbetwist heeft [gedaagde] gesteld dat [eiseres] die woonruimte had kunnen vorderen wegens dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 onder c BW.

4.6.

Uit al het vorenstaande volgt dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 288,00;

- salaris advocaat € 816,00;

Totaal € 1.104,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.104,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT