Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:6869

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
C/03/223621 / KG ZA 16-373
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

BJZ; thuisplaatsing; BJZ zich onvoldoende van de haar gegeven opdracht gekweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak : 5 augustus 2016

Zaaknummer : C/03/223621 / KG ZA 16-373

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres, verder te noemen “de vrouw”,
advocaat mr. A. van den Eshoff, ter zitting vertegenwoordigd door mr. M.J. Rubberg (toevoeging);

tegen:


de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG ,
gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
gedaagde, verder te noemen “BJZ”,
verschenen bij monde van mevrouw M. de Lange.

1 Het verloop van de procedure

De vrouw heeft BJZ gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 27 juli 2016, heeft de vrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.

BJZ heeft aan de hand van een op voorhand toegezonden verweerschrift verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat er vonnis zal worden gewezen, tenzij partijen uiterlijk vrijdag 29 juli 2016 om 14.00 uur berichten dat zij alsnog overeenstemming hebben weten te bereiken.

Bij schrijven van 28 juli 2016 heeft de advocaat van de vrouw laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt. Bij schrijven van 28 juli 2016 heeft BJZ de niet bereikte overeenstemming toegelicht. Zijdens de advocaat van de vrouw is daarop verzocht bedoelde toelichting niet toe te voegen aan het dossier althans deze buiten beschouwing te laten. De voorzieningenrechter heeft geen acht geslagen op de inhoud van de nadere toelichting.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de vrouw en de heer [de man] (hierna: “de man”) is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [minderjarige 1] (hierna: “ [minderjarige 1] ”) geboren. De man heeft [minderjarige 1] erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De man en de vrouw (hierna ook: “de ouders”) wonen samen.

2.2.

In oktober 2012 zijn de ouders met [minderjarige 1] naar het ziekenhuis gegaan, omdat hij bleef huilen en zijn armpje slap langs zijn lichaam hing. In het ziekenhuis bleek dat het armpje was gebroken. Naar aanleiding van het gebroken armpje heeft het AMK aangegeven dat er een veiligheidsplan moet worden gemaakt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft om een spoed ondertoezichtstelling en een spoed uithuisplaatsing verzocht. Beide maatregelen zijn op 25 oktober 2012 uitgesproken. Vanaf voormelde datum staat [minderjarige 1] -na verlengingen, tot heden- onder toezicht van BJZ en is hij op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst en verblijft sindsdien bij de pleegouders, zijnde de ouders van de man (hierna ook: “de grootouders”).

2.3.

Uit de relatie van de ouders is in januari 2014 nog een zoon geboren, genaamd [minderjarige 2] . [minderjarige 2] woont bij de ouders en is niet onder toezicht gesteld.

2.4.

Laatstelijk heeft deze rechtbank bij beschikking van 23 oktober 2015 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 25 oktober 2016 en de aan BJZ verleende machtiging voor verblijf gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 25 april 2016.

Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hierna van belang, het volgende overwogen:

De ondertoezichtstelling

De kinderrechter acht een ernstige ontwikkelingbedreiging van [minderjarige 1] gelegen in de slechte relatie tussen de grootouders vaderszijde en de ouders, de belangrijkste personen in zijn leven.

Ook is bij een thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders een ernstige ontwikkelingsbedreiging gelegen in het feit dat [minderjarige 1] primair gehecht is aan de grootouders vaderszijde als zijn belangrijkste opvoeders en verzorgers en dat hij hen dan zal moeten missen.

Deze laatste ontwikkelingsbedreiging is enkel weg te nemen door [minderjarige 1] ofwel niet thuis te plaatsen ofwel op zeer geleidelijke en zorgvuldige wijze thuis te plaatsen waarbij een goed en frequent contact met de grootouders vaderszijde gewaarborgd blijft.

Nu gesteld noch gebleken is dat er de afgelopen drie jaar problemen rondom de veiligheid van [minderjarige 1] zijn geweest in de thuissituatie bij de ouders, acht de kinderrechter dit niet langer een ontwikkelingsbedreiging. Kennelijk is er ook geen aanleiding geweest om de ondertoezichtstelling van het broertje van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , te verzoeken zodat de GI (BJZ, vrzgr.) de situatie bij de ouders thuis blijkbaar inmiddels als veilig inschat.

De ouders zien de noodzaak tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] niet meer in en zij zouden hem zonder ondertoezichtstelling per direct bij hen thuis laten wonen. Gesteld noch gebleken is dat de ouders voor het overige hulpverlening onvoldoende aanvaarden.

Volgens de GI is er inmiddels geen perspectief meer op thuisplaatsing van [minderjarige 1] , maar is het nog te vroeg om een gezagsbeëindigende maatregel in te zetten, welk standpunt wordt gedeeld door de raad. De kinderrechter is van oordeel dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd dat er geen perspectief meer is op thuisplaatsing en zal in het navolgende (onder het kopje uithuisplaatsing) uiteenzetten waarom zij dat vindt. In het kader van het verzoek de ondertoezichtstelling te verlengen is van belang dat de kinderrechter de verwachting gerechtvaardigd acht dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zullen zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen.

(...)

Machtiging uithuisplaatsing

De GI legt aan haar oordeel dat thuisplaatsing niet meer aan de orde is ten grondslag dat:

A. (…)

I. (…)

Zoals reeds overwogen acht de kinderrechter het standpunt van de Gi onvoldoende onderbouwd en wel om de volgende redenen.

Ad A. Dat de relatie tussen de ouders en de grootouders vaderszijde moeilijk is, is gezien de omstandigheden alleszins te begrijpen. Aan de verbetering van deze relatie zal in het belang van [minderjarige 1] door zowel de ouders als de grootouders vaderszijde moeten worden gewerkt, of [minderjarige 1] nu thuis geplaatst wordt of niet. Het is aan de gezinsvoogd om hierop passende hulpverlening in te zetten in de vorm van bijvoorbeeld mediation. Gesteld noch gebleken is dat de GI dit heeft gedaan. Dit dient alsnog te gebeuren.

Ad B. De GI heeft niet onderbouwd althans niet voldoende gemotiveerd onderbouwd waarom de ouders volgens haar niet kunnen invoelen hoe het voor [minderjarige 1] zal zijn om de overstap van de grootouders vaderszijde naar de ouders te maken.

Ad C. De ouders hebben wel degelijk herhaaldelijk om uitbreiding van de bezoekcontacten van [minderjarige 1] gevraagd en ook het – naar het oordeel van de kinderrechter – constructieve voorstel gedaan om te beginnen met een verdubbeling van de bestaande bezoekcontacten. De gezinsvoogdijwerkster heeft dit voorstel afgewezen zonder zelf met een nieuw voorstel te komen. Verder is het niet helpend dat de gezinsvoogdijwerkster – ook al wordt de situatie bij de ouders inmiddels als veilig ingeschat – de eis blijft stellen dat de oma bij de bezoekcontacten aanwezig is. Zeker nu deze de zorg voor een zeer ernstig zieke echtgenoot heeft/had en daardoor uitbreiding van de bezoekcontacten bijna onmogelijk wordt/werd gemaakt, had het op de weg van de gezinsvoogdijwerkster gelegen om bezoekcontacten zonder aanwezigheid van oma mogelijk te maken.

Ad D. De GI heeft niet duidelijk kunnen maken welke afspraken de ouders allemaal niet zijn nagekomen, afgezien van een schriftje dat niet tussen de ouders en de grootouders vaderszijde op en neer is gegaan.

Ad E. en G. De eis dat de ouders ‘verbinding maken met de onwikkeling van [minderjarige 1] ’, is de kinderrechter zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet duidelijk. Welke gesprekken er over [minderjarige 1] hadden moeten plaatsvinden, die er niet zijn geweest, is de kinderrechter evenmin duidelijk.

Ad F. en I. Het is aan de GI om te bepalen welke hulpverlening de ouders nodig hebben, zowel voor wat betreft de verbetering van de relatie met de grootouders vaderszijde als voor wat betreft het leren omgaan met de strafrechtelijke veroordeling van de moeder en wat dit voor hen betekent. De GI heeft niet duidelijk gemaakt welke hulp hiervoor dient te worden ingezet. De eis dat de ouders met de gezinsvoogdijwerkster en met de grootouders moeten praten over wat het strafrechtelijk vonnis voor hen betekent, is een onterechte eis.

Ad H. De GI heeft niet voldoende duidelijk gemaakt welke actie ouders op eigen initiatief hadden moeten nemen, nog daargelaten de vraag of de ouders dat wel hadden moeten doen of dat de GI hen duidelijke instructies had moeten geven.

De kinderrechter acht op grond van het vorenstaande een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders vaderszijde nog voor zes maanden noodzakelijk. Binnen deze periode zal aan de hand van een duidelijk stappenplan dat door de GI is opgesteld, moeten worden toegewerkt aan een geleidelijke thuisplaatsing van [minderjarige 1] waarbij een regelmatig en frequent contact met de grootouders vaderszijde wordt gewaarborgd. (…) Het stappenplan dient duidelijk aan te geven en op te leggen wanneer [minderjarige 1] bij de ouders en de grootouders vaderszijde verblijft, waarbij de kinderrechter geen aanleiding ziet om de oma bij de bezoekcontacten van [minderjarige 1] en de ouders aanwezig te laten zijn. Ook dient het stappenplan te vermelden welke hulpverlening zal worden ingezet om de relatie tussen de ouders en de grootouders vaderszijde te verbeteren en welke hulpverlening de ouders dienen te accepterren, bijvoorbeeld van een psycholoog, om de strafrechtelijke veroordeling en de gebeurtenissen rondom de botbreuk van [minderjarige 1] een plek te geven.”

2.5.

De pleegouders zijn van voormelde beschikking in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: “het hof”).

Bij beschikking van 31 maart 2016 (zaaknummer 200.184.876/01) heeft het hof de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende beslist:

“wijst alsnog toe het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (..) voor verblijf gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 25 oktober 2016;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.”

Daartoe heeft het hof, voor zover hierna van belang, overwogen:

“(…) Inmiddels hebben alle betrokkenen zich bereid verklaard om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] . (…)

(…) De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij kan instemmen met een verlenging van de uithuisplaatsing, maar niet voor een periode van zes maanden, maar slechts voor een periode van drie à vier maanden, teneinde druk op de ketel te houden. Weliswaar dient er voortvarend te werk te worden gegaan, maar naar het oordeel van het hof werkt de druk op het thuisplaatsingstraject zoals de moeder het graag ziet, juist contra productief. Dit kan immers betekenen dat er na ommekomst van de periode van drie tot vier maanden, als door de moeder gewenst, weer een verlengingszitting zou moeten plaatsvinden, waardoor de betrokkenen weer tegenover elkaar komen te staan en het over en weer opgebouwde vertrouwen (deels) teniet wordt gedaan. Gelet op hetgeen door de GI ter zitting naar voren is gebracht, heeft het hof de overtuiging dat vanuit de GI er alles aan gedaan zal worden om zo spoedig mogelijk een thuisplaatsing te realiseren. Deze dient echter wel op een zodanig zorgvuldige wijze plaats te vinden dat de belangen van [minderjarige 1] niet in het gedrang komen. Met name dient rekening te worden gehouden met het feit dat [minderjarige 1] al van af kort na zijn geboorte bij de pleegouders woonachtig is en dat zij voor hem belangrijke hechtingsfiguren zijn. Gelet hierop acht het hof van groot belang dat de ouders en de pleegouders in het mediationtraject actief werken aan de verbetering van de onderlinge relatie en communicatie tussen partijen en dat zij ervoor zorgdragen dat dit ook na de thuisplaatsing goed blijft. Mede gezien de reeds plaats gevonden hechting tussen [minderjarige 1] en de pleegouders is het in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige 1] dat ook na de thuisplaatsing de relatie met zijn grootouders goed blijft en hierin geen storing optreedt. Het voorgaande in aanmerking nemende, acht het hof een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing tot oktober van dit jaar, zoals oorspronkelijk door de GI was verzocht, in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk.

(…)”

2.6.

[minderjarige 1] verblijft gedurende drie weekenden per maand bij zijn ouders. Vanaf 2 juni 2016 heeft er tijdens dagdelen omgangsbegeleiding door Anacare plaatsgevonden. De door Anacare opgemaakte verslagen melden - kort gezegd - een goed verloop van de omgang.

2.7.

In juli 2015 is de vrouw strafrechtelijk veroordeeld voor de botbreuk die [minderjarige 1] in 2012 heeft opgelopen en die aanleiding was tot de uithuisplaatsing. Inmiddels is de vrouw in hoger beroep vrijgesproken en het arrest van het hof is onherroepelijk geworden.

2.8.

Op 19 juli 2016 heeft de vrouw bij deze rechtbank een verzoekschrift tot een uitgebreidere omgangsregeling voor na de zomervakantie van 2016 ingediend.

3 Het geschil

3.1.

Op de in de dagvaarding vermelde gronden - die ter zitting nader zijn toegelicht - heeft de vrouw gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling zal vaststellen tussen de vrouw en [minderjarige 1] inhoudende dat [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie in de periode 12 augustus 2016 tot en met 2 september 2016 bij de vrouw zal verblijven.

3.2.

De vordering wordt door BJZ weersproken, waartoe onder meer wordt verwezen naar het op voorhand toegezonden verweerschrift. Op het verweer van BJZ zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat dient te worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige 1] . De rechtbank had dit al overwogen en uit het arrest van het hof volgt dat dit doel overeind blijft. De voorzieningenrechter dient zich te richten naar het oordeel van de bodemrechter, laatstelijk het hof. Dit oordeel heeft derhalve als uitgangspunt te gelden.

4.2.

De vrouw stelt zich –kort gezegd- op het standpunt dat BJZ onvoldoende voortvarend toewerkt naar de beoogde thuisplaatsing. Uit de stellingen van de vrouw en het feit dat de in het petitum genoemde datum 12 augustus 2016 alras nadert, heeft de vrouw een voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde. Overigens heeft BJZ de aanwezigheid van een dergelijk belang ook niet weersproken.

4.3.

De kern van het verweer van BJZ is er –kort gezegd– in gelegen dat de ouders en grootouders met elkaar in gesprek moeten gaan (om afspraken te maken) over de wijze waarop een en ander stapsgewijs vorm krijgt. Volgens BJZ wordt dit proces vertraagd doordat de ouders onvoldoende medewerking verlenen. BJZ heeft ter zitting (desgevraagd) bij herhaling aangegeven dat een gezamenlijk gesprek nodig is.

Bij verweerschrift heeft BJZ onder meer het volgende aangegeven: “[minderjarige 1] zou moeten ervaren dat de voor hem belangrijke mensen samen in gesprek gaan en afspraken kunnen maken. Wanneer dit (nog) niet voldoende lukt, maakt BJZ zich grote zorgen dat [minderjarige 1] op een gegeven moment wel bij zijn ouders gaat wonen, maar dat hij dan het contact met zijn vertrouwde hechtingsfiguren (…) kwijtraakt, door dat de volwassenen met elkaar in conflict raken, welke een zeer traumatische ervaring voor [minderjarige 1] zal opleveren en derhalve ook een ontwikkelingsbedreiging tot gevolg kan hebben.

Kinderen die overgeplaatst worden naar een andere opvoedsituatie en derhalve uit hun vertrouwde en veilige omgeving gehaald worden, hebben er groot belang bij dat hun primaire hechtingsfiguren beschikbaar blijven en een regelmatig contact gehandhaafd blijft, zodat zij niet volledig ‘ontworteld’ raken”

Op de vraag van de voorzieningenrechter wat er gebeurt als het gesprek tussen ouders en grootouders niet verder vlot of niet tot afspraken leidt, heeft BJZ naar voren gebracht dat dan het tempo hetzelfde blijft; kennelijk vindt er in dat geval dus geen verdere uitbreiding plaats.

Met het voorgaande legt BJZ naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte een (te) directe koppeling tussen enerzijds (het tempo van) thuisplaatsing en anderzijds de verhouding tussen de ouders en de grootouders en de vraag of zij onderling afspraken kunnen maken. Thuisplaatsing staat voorop, waarbij het werken aan (verbetering van) de onderlinge verhoudingen een doorlopend aandachtspunt zal blijven vormen, maar géén directe voorwaarde is voor (het tempo van) het realiseren van de thuisplaatsing. Ook ná thuisplaatsing zal (de verbetering van) de onderlinge verhouding belangrijk blijven. In het slagen daarvan hebben alle betrokkenen, ook de grootouders, een rol te vervullen.

Bij dit alles heeft te gelden dat het de opdracht en taak van BJZ als de gezinsvoogdij-instelling is om de regie te nemen en zaken in goede banen te leiden en/of knopen door te hakken met het oog op een voortvarende thuisplaatsing. Dit heeft BJZ, wellicht als gevolg van bedoelde gemaakte koppeling, onvoldoende gedaan, waardoor de situatie is gestagneerd. Immers, vanaf januari 2016 tot heden zijn de contacten tussen [minderjarige 1] en zijn ouders niet uitgebreid. Daarmee is BJZ onvoldoende voortvarend te werk gegaan in het toewerken naar de thuisplaatsing van [minderjarige 1] . Zelf als juist zou zijn dat ook de ouders zelf enkele steken hebben laten vallen, had BJZ (meer) de regie moeten nemen. Dit geldt temeer nu de veiligheid van [minderjarige 1] bij de ouders al geruime tijd geen rol meer speelt en de vrouw in hoger beroep inmiddels is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste was gelegd. Bovendien volgt uit de verslagen van Anacare dat de omgang goed verloopt.

Alsdan staat – hetgeen blijkens het verhandelde ter zitting ook tussen partijen in confesso is – op zichzelf niets aan een voortvarende thuisplaatsing in de weg. Wel dient dit te geschieden met inachtneming van de belangen van [minderjarige 1] . Daarbij dient diens hechting aan de grootouders in ogenschouw te (blijven) worden genomen en dient ervoor te worden gezorgd dat de overgang van de ene leefwereld naar de andere voor [minderjarige 1] goed verloopt.

Dat volgens BJZ bekeken moet worden hoe de ouders met bedoelde (ont)hechting omgaan en daarvoor gezamenlijke gesprekken nodig zijn, overweegt de voorzieningenrechter dat al geruime tijd is verstreken zonder dat aan de onthechting is gewerkt. Dit dient nu juist stapsgewijs te gebeuren door de momenten waarop [minderjarige 1] bij de ouders verblijft op te schroeven. De hiervoor geciteerde passage uit het verweerschrift gaat uit van (mogelijke) zorgen van BJZ voor de toekomst, waarvan thans geenszins aannemelijk is dat deze zich zullen manifesteren. Juist door stapsgewijs en zorgvuldig te werken aan thuisplaatsing, wordt het belang van [minderjarige 1] in acht genomen. Zorgvuldigheid staat echter niet gelijk aan (overmatige) voorzichtigheid of zelfs stilstand in het proces.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, staat niets aan een verdere (stapsgewijze) uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige 1] en de ouders in de weg. Dan dient daartoe voortvarend te worden overgegaan. Alleen op die wijze kan het doel van thuisplaatsing daadwerkelijk worden bereikt.

4.4.

Met de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zomervakantieperiode een uitgelezen kans is om de hiervoor bedoelde uitbreiding vorm te geven.

Volgens BJZ is de gevorderde periode van drie weken te lang. Daartoe heeft BJZ concreet aangevoerd dat dit voor [minderjarige 1] niet te overzien zou zijn en er moet worden voorkomen dat [minderjarige 1] gedurende die periode weer terug zou moeten naar de grootouders.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijft het koffiedik kijken hoe het feitelijk zal verlopen. Alle beschikbare informatie maakt dat aangenomen kan worden dat het verantwoord is die stap te zetten, met dien verstande dat niet drie maar twee weken verantwoord wordt geacht voor de jonge [minderjarige 1] .

Overigens heeft de vrouw ter zitting betoogd dat indien mocht blijken dat de gevorderde omgangsperiode voor [minderjarige 1] te lang is, zij contact zal leggen met de grootouders en de grootouders [minderjarige 1] dan bijvoorbeeld ook een dagje kunnen komen halen. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat de vrouw deze bereidheid waar nodig ook gestand doet.

4.5.

Op basis van al het voorgaande zal de voorzieningenrechter een knoop doorhakken in het proces van thuisplaatsing door te bepalen dat [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie 2016 van 12 augustus 2016 om 10.00 uur tot en met 26 augustus 2016 om 16.00 uur, derhalve twee aaneengesloten weken, bij de vrouw - en daarmee dus de facto tevens bij de man, beiden [minderjarige 1] ’s ouders - zal verblijven. Het ligt op de weg van alle betrokkenen om [minderjarige 1] hierin op positieve wijze te stimuleren.

Dit ingrijpen van de voorzieningenrechter is op zijn plaats, omdat een uithuisplaatsing als hier aan de orde is, diep ingrijpt in het leven van [minderjarige 1] én zijn ouders. Deze maatregel van de overheid mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Sinds 23 oktober 2015 heeft BJZ van de kinderrechter een duidelijke opdracht gekregen om voortvarend toe te werken naar de thuisplaatsing van [minderjarige 1] . Uit hetgeen is overwogen volgt dat BJZ zich onvoldoende van de haar gegeven opdracht heeft gekweten. Een orde-maatregel als nu wordt gelast is onder die omstandigheden aangewezen.

4.6.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter nog dat helderheid in (het tempo van) de te nemen vervolgstappen de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de grootouders zou kunnen bevorderen.

4.7.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig de kosten van deze procedure te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

bepaalt dat [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie 2016 van 12 augustus 2016 om 10.00 uur tot en met 26 augustus 2016 om 16.00 uur bij de vrouw zal verblijven;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.J. Frénay, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.