Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:6840

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
5235579 CV EXPL 16-6739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming wegens achterstallige huurpenningen en overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5235579 \ CV EXPL 16-6739

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 4 augustus 2016

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend [adres 1] ,

[woonplaats 1] ,

eiser,

gemachtigde mr. R.H.M. Wagemans,

tegen:

[gedaagde] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde]

kantoorhoudend [adres 2] , [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Bewindvoerder genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 juli 2016, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 juli 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – samengevat –

  • -

    ontbinding van de huurovereenkomst tussen [eiser] en [naam onderbewindgestelde] gesloten met betrekking tot het appartementsrecht aan de [adres 3] , [woonplaats 2] ,

  • -

    ontruiming van het appartementsrecht aan de [adres 3] , [woonplaats 2] binnen één week na betekening van vonnis, met machtiging aan [eiser] de ontruiming zo nodig te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm en op kosten van [naam onderbewindgestelde] ,

  • -

    betaling van € 3.109,00 ter zake achterstallige huurpenningen tot en met juli 2016, alsmede de nog te vervallen termijnen tot aan de datum van ontruiming, vermeerderd met rente,

  • -

    betaling van € 675,18 ter zake veroorzaakte schade, vermeerderd met rente,

  • -

    met veroordeling van de Bewindvoerder in de kosten van het geding, vermeerderd met rente en de nakosten.

2.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [naam onderbewindgestelde] heeft verzuimd in de maanden april, mei, juni en juli 2016 de overeengekomen huur te betalen en dat [naam onderbewindgestelde] schade heeft veroorzaakt, althans verantwoordelijk is voor het ontstaan van schade aan de ruiten van het appartement. [eiser] stelt voorts dat [naam onderbewindgestelde] door zijn gedrag overlast bezorgd aan omwonenden. [eiser] stelt recht op en spoedeisend belang bij de gevraagde veroordeling van de Bewindvoerder te hebben.

2.3.

De Bewindvoerder heeft ter zitting erkend dat er een huurachterstand is en dat [naam onderbewindgestelde] niet in staat is te betalen, omdat hij niet langer een vaste bron van inkomsten heeft in de vorm van een (bijstands)uitkering. De Bewindvoerder heeft overigens geen verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de Bewindvoerder geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. [naam onderbewindgestelde] is door de Bewindvoerder niet in persoon naar de zitting meegebracht om zo nodig een toelichting te geven ter zake de huurachterstand, de schade en de beweerdelijke overlast.

3.2.

Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (ECLI:NL:HR:2014:525.)

3.3.

De voorzieningenrechter gaat, omdat daaromtrent geen opmerkingen zijn gemaakt door de Bewindvoerder ervan uit het bewind zich uitstrekt over de rechten en verplichtingen voor zover deze uit de huurovereenkomst tussen [eiser] en [naam onderbewindgestelde] van december 2014 voortvloeien.

De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat de Bewindvoerder ter zitting heeft verklaard dat zij een aanvraag heeft gedaan tot ontslag als bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde] , maar dat op dit verzoek ten tijde van de behandeling ter kort gedingzitting nog niet is beslist door de rechtbank.

3.4.

De vordering zal worden toegewezen met toepassing van het beleid van de rechtbank inzake de termijn van ontruiming (14 dagen) én met dien verstande dat in kort geding een ontbinding van de huurovereenkomst niet kan worden uitgesproken, zodat veroordeling ter zake afgewezen wordt, én met dien verstande dat [eiser] geen machtiging behoeft van de voorzieningenrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen, omdat de in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie toereikend worden geacht (artikelen 555 e.v. Rv juncto artikel 444 Rv) worden, zodat de vordering ter zake afgewezen wordt.

3.5.

De Bewindvoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] .

Deze kosten worden begroot op € 773,08 (€ 94,08 kosten dagvaardingsexploot + € 79,00 griffierecht + € 600,00 salaris gemachtigde gemiddeld). De nakosten en rente worden toegewezen als bepaald in het dictum.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt de Bewindvoerder om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het appartementsrecht aan de [adres 3] , [woonplaats 2] , volledig en behoorlijk te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking te stellen aan [eiser] ,

4.2.

veroordeelt de Bewindvoerder om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 3.109,00 ter zake de achterstallige huurbetalingen over de maanden april, mei, juni en juli 2016, vermeerderd met de daarna nog te vervallen verschuldigde huurbetalingen over de opvolgende maanden mocht het gehuurde niet ontruimd zijn op de datum dat de huurpenningen voor de opvolgende maanden verschuldigd zijn, vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele betaling, voor zover het onder bewind gestelde daartoe toereikend is,

4.3.

veroordeelt de Bewindvoerder om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 675,18 ter zake de veroorzaakte schade aan de twee voorruiten van het gehuurde, alsmede de achterruit van het gehuurde, vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele betaling, voor zover het onder bewind gestelde daartoe toereikend is,

4.4.

veroordeelt de Bewindvoerder in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] begroot op € 773,08, vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW over de kosten met ingang van de achtste dag na betekening tot de dag van de betaling, en vermeerderd met de nakosten, ad € 131,00, indien geen betekening van dit vonnis plaatsvindt dan wel ad € 199,00, indien betekening noodzakelijk is, voor zover het onder bewind gestelde daartoe toereikend is,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Groen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: