Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:6781

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3433u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Misbruik van recht, Wob.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn Wob-verzoek terwijl hij er toen al van op de hoogte was dat het verzoek was doorgestuurd naar een ander bestuursorgaan om de behandeling ervan over te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/3433

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr: J. van Gemert)

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van

2 augustus 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016.

Eiser en gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 2 augustus 2015 heeft gemachtigde, onder meer namens eiser, verzocht om op grond van de Wob openbaar te maken alle documenten die zien op de boetebeschikking zoals, doch niet limitatief en niet beperkt tot die aangelegenheid: foto’s, het brondocument, processen-verbaal, alle documenten die zien op scholing en bekwaamheid van de betrokken controleur(s) zoals diploma’s, alle besluiten van alle aanstellingen en wijzigingsbesluiten, alle aktes en pv’s van beëdiging en alle documenten die betrekking hebben op het aanvragen van de opsporingsbevoegdheid en de uitreiking van die documenten.

De boetebeschikking waarop het verzoek ziet is de beschikking van de Minister van Economische Zaken van 26 juni 2015 (U-15/1233/2015C1839). Bij deze beschikking heeft de Minister aan [bedrijfsnaam] (ter attentie van eiser) een boete opgelegd ter hoogte van € 600,- wegens overtreding van de Tabakswet. Gemachtigde maakt in de brief ook bezwaar tegen deze beschikking.

2. Bij brief van 4 september 2015 heeft gemachtigde verweerder in gebreke gesteld.

3. Bij brief van 9 november 2015 heeft gemachtigde verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een dwangsom besluit.

4. Per e-mailbericht van 20 november 2015 heeft verweerder gemachtigde te kennen gegeven dat het verzoek en de ingebrekestellingen zijn doorgezonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om de behandeling van het verzoek over te nemen.

5. Het onderhavige beroep is ingesteld op 22 november 2015. Gemachtigde voert aan dat verweerder tot op heden geen besluit heeft genomen dat strekt tot doorzending van het Wob-verzoek, dan wel een besluit met een andere strekking. Gemachtigde stelt dat de interne doorzending verweerder er niet van ontslaat een besluit op het Wob-verzoek te nemen.

6. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de ontvangst van het Wob-verzoek door de NVWA op 5 augustus 2015 is bevestigd op 24 november 2015 en dat binnen twee weken, bij besluit van 8 december 2015, op het verzoek is beslist. Indien eiser een beslissing van verweerder op het verzoek had gewenst, had hij dat volgens verweerder direct na ontvangst van de ontvangstbevestiging of de mail van 20 november 2015 kenbaar moeten (kunnen) maken. Verweerder wijst erop dat gemachtigde in plaats daarvan gereageerd heeft met een ingebrekestelling. Deze feiten en omstandigheden doen verweerder denken dat het eiser niet te doen is om de gevraagde informatie, maar om een dwangsom uit te lokken.

Misbruik van recht

7. De rechtbank vat het betoog van verweerder zo op dat gemachtigde misbruik van recht heeft gemaakt. De rechtbank overweegt, mede op grond van de aanwijzingen de verweerder heeft gegeven, daarover het volgende.

8. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

De Afdeling heeft ook eerder overwogen (onder meer uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426), dat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet laat dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

9. Het Wob-verzoek is gedaan in de brief waarin gemachtigde ook bezwaar maakt tegen de boetebeschikking waarop het Wob-verzoek ziet. Kennelijk heeft gemachtigde de documenten opgevraagd om het bezwaar tegen de boetebeschikking te kunnen motiveren. Artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan de plicht op het bezwaarschrift en alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen. Het vierde lid geeft belanghebbende het recht van die stukken een afschrift te verkrijgen. Gelet op de ruime kennis en ervaring van gemachtigde op het gebied van bestuursrecht en de Wob moet ervan worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat voor het opvragen van stukken om de gronden van bezwaar te kunnen formuleren de Wob niet de geëigende grondslag is en voorts dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een verzoek op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb

ertoe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan in geval van niet-tijdige besluitvorming aan de verzoeker een dwangsom en/of proceskosten moet betalen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest het verzoek op de Wob te baseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het procesgedrag van gemachtigde blijk geeft van handelingen waarvan hij geweten moet hebben dat die een tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken. Het verzoek is zo geformuleerd dat het voor verweerder niet mogelijk is om er volledig en adequaat op te kunnen beslissen. Onduidelijk is wat bedoeld wordt met ‘alle documenten die zien op scholing en bekwaamheid’ en álle documenten die betrekking hebben op het aanvragen van de opsporingsbevoegdheid en de uitreiking van die documenten’. De vaagheid doet afbreuk aan het doel waarmee het verzoek kennelijk is ingediend en maakt op het verzoek te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in de bezwaar- en beroepsprocedure.

Nog een reden om aan te nemen dat het Wob-verzoek niet is ingediend met het kennelijk beoogde doel vindt de rechtbank in de zeer algemeen geformuleerde machtiging die gemachtigde in beroep heeft gebruikt. Ofschoon het is toegestaan te procederen op grond van een algemeen geformuleerde machtiging, nemen eiser en gemachtigde met het indienen van een zeer algemeen geformuleerde machtiging kennelijk voor lief dat de procedure daardoor vertraging zou kunnen oplopen en zelfs dat het mogelijk niet tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt. Zeker in een geval als dit waarin gemachtigde ook het Wob-verzoek heeft ingediend. Het op de koop toenemen dat vertraging kan ontstaan en een beroep mogelijke op formele gronden zou kunnen worden afgedaan, valt niet te rijmen met het kennelijke doel van het verzoek.

Grond daarvoor ziet de rechtbank ook in het feit dat gemachtigde beroep instelt om te bewerkstellingen dat verweerder een besluit op het Wob-verzoek neemt, terwijl gemachtigde op dat moment al weet dat het verzoek is doorgezonden naar een ander bestuursorgaan om de behandeling ervan over te nemen.

Op grond van de hiervoor gegeven overwegingen is ook niet aannemelijk dat het Wob-verzoek is gedaan met het door de Wob-beoogde doel.

10. De hiervoor onder 9 gegeven overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat gemachtigde de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Gemachtigde heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Omdat het beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee gemachtigde de Wob heeft gebruikt, geldt dit ook voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen. De handelwijze van gemachtigde moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde de betrokken handelingen namens eiser heeft verricht en eiser hem daartoe gemachtigd heeft. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.W.C.M. Frings, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 05 augustus 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.