Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:6708

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
03/005217-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor de duur van één jaar; proportionaliteit en subsidiariteit van de terbeschikkingstelling; de rechtbank geeft De Woenselse Poort in overweging om in het komende jaar naarstig op zoek te gaan naar een passende GGZ-instelling waar veroordeelde ofwel (voorlopig) in het kader van de terbeschikkingstelling ofwel in het kader van de BOPZ zou kunnen verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/005217-99

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 2 augustus 2016

op de vordering inzake de terbeschikkingstelling van

[veroordeelde] ,

geboren te [geboortedatum] ,

thans verpleegd wordende in De Woenselse Poort te Eindhoven,

hierna te noemen: [veroordeelde] .

1 De stukken

De rechtbank heeft gezien:

- de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Limburg d.d. 13 juni 2016, ingekomen ter griffie op 13 juni 2016, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [veroordeelde] met twee jaren;

- het verlengingsadvies terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, tevens advies tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, van [naam 1] , (directeur behandelzaken, hoofd van de inrichting), [naam 2] (psychiater) en [naam 3] (GZ-psycholoog in opleiding tot klinisch psycholoog) van de inrichting waar [veroordeelde] verblijft, d.d. 10 mei 2016;

- het advies van Adviescollege Verloftoetsing TBS d.d. 13 mei 2016;

- een afschrift van de wettelijke aantekeningen over de periode van mei 2015 tot en met maart 2016 omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [veroordeelde] ;

- het met redenen omklede advies van de externe deskundige [naam 4] , psychiater d.d. 30 maart 2016, betreffende de verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling van [veroordeelde] ;

- het met redenen omklede advies van de externe deskundige [naam 5] , psycholoog d.d. 29 maart 2016, betreffende de verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling van [veroordeelde] ;

- het vonnis van de toenmalige rechtbank Maastricht d.d. 29 juni 1999, waarbij de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd;

- de beslissing van deze rechtbank d.d. 21 juli 2015, waarbij de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met één jaar is verlengd.

De vordering van de officier van justitie houdt in dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege zal verlengen voor de duur van twee jaar.

2 De procesgang

Bij vonnis van de toenmalige rechtbank Maastricht d.d. 29 juni 1999 is [veroordeelde] ter beschikking gesteld. De termijn van de terbeschikkingstelling is gaan lopen op 14 juli 1999. De terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank d.d. 21 juli 2015, met één jaar verlengd.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van die maatregel eiste.

Het hiervoor genoemde delict betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.


Op 19 juli 2016 is de zaak in openbare raadkamer van deze rechtbank behandeld. Ter zitting zijn gehoord de officier van justitie, [veroordeelde] , bijgestaan door haar raadsvrouw

mr. C.G.M. Schuman, advocaat te Sittard, de deskundige mw. [naam 6] , als

GZ-psycholoog verbonden aan De Woenselse Poort en de deskundigen mw. [naam 7] en dhr. [naam 8] , beiden reclasseringswerker.

3 Het standpunt van de inrichting

3.1

In voornoemd verlengingsadvies is onder meer - kort en zakelijk weergegeven -het volgende gesteld:

(…)

Betrokkene is een 48-jarige vrouw met een lichte tot matige verstandelijke beperking en een zeer beperkt emotioneel ontwikkelingsniveau. Er is sprake van een forse discrepantie tussen haar cognitieve en emotionele niveau van functioneren. Daarnaast is er chronisch sprake van paranoïde overtuigingen. Wanneer de draaglast de draagkracht overschrijdt is bij betrokkene sprake van misinterpretatie, stemmingsklachten en emotieregulatieproblematiek. Ze kan zich dan zorgmijdend en vijandig opstellen. Waar betrokkene in het verleden bekend was met extern gerichte agressieve impulsdoorbraken, ligt de nadruk nu op internaliserende problematiek. Met medicatie, veel externe structuur en een supportieve begeleiding met een op het niveau van betrokkene aangepaste

no-nonsense bejegeningstijl, is betrokkene in de loop der jaren enigszins gestabiliseerd en kan er nu gesproken worden van een situatie waarin er vaker sprake is van acceptatie van hulpverlening.

Betrokkene zit in de resocialisatiefase van haar behandeling. Sinds juli 2014 verblijft betrokkene in het kader van transmuraal verlof bij Opsy, onderdeel van de GGzE in Eindhoven. Opsy is een besloten kliniek voor de behandeling van cliënten met een verstandelijke beperking i.c.m. psychiatrische problematiek. Betrokkene beschikt over onbegeleid verlof. Op twee incidenten na zijn de verloven die hebben plaatsgevonden naar wens verlopen.

(…)

Het beleid is er nu op gericht om betrokkene terug te plaatsen naar de regio van herkomst (Zuid-Limburg). Er wordt gezocht naar een wooninstelling voor cliënten met een verstandelijke beperking en complex probleemgedrag. De zoektocht naar een geschikte instelling verloopt ten gevolge van de complexe problematiek van betrokkene echter zeer moeizaam. Instellingen tonen zich kritisch, waardoor plaatsing van betrokkene op een wachtlijst nog steeds niet is gerealiseerd. Momenteel zijn er als gevolg daarvan nog geen concrete uitspraken te doen over wanneer betrokkene overgeplaatst kan worden naar een vervolgvoorziening. In de komende periode hopen we betrokkene op een wachtlijst geplaatst te krijgen om haar op den duur, met veel extra (langdurige) ondersteuning van De Woenselse Poort, uit te plaatsen binnen een verstandelijk beperkten-instelling in

Zuid-Limburg dan wel in een andere regio.

Het is de inschatting van de kliniek dat betrokkene in de toekomst blijvend is aangewezen op intensieve professionele begeleiding, medicatie, structuur en een klinische setting om delictvrij te kunnen functioneren.

Het risico op gewelddadig gedrag wordt als hoog ingeschat wanneer betrokkene zich thans vrij in de maatschappij zou kunnen bewegen, ze niet begrensd wordt en ze overvraagd wordt. De zorgbehoefte van betrokkene is zeer intensief te noemen. Als hierin wordt voorzien is het recidiverisico voldoende onder controle, zo blijkt inmiddels langere tijd. Toekomstig langdurig verblijf/behandeling van betrokkene past gezien haar zeer beperkte niveau van functioneren naar de mening van de kliniek uiteindelijk het best binnen een civielrechtelijk (BOPZ) kader. Als mogelijke overgang tussen de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging en een rechterlijke machtiging stellen we nu een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging voor.

(…)

Concluderend adviseert De Woenselse Poort aldus om de maatregel van terbeschikkingstelling van overheidswege met de termijn van één jaar te verlengen en om de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen.

3.2

De deskundige [naam 3] , GZ-psycholoog bij De Woenselse Poort, heeft ter terechtzitting aanvullend verklaard -zakelijk weergegeven- :

Betrokkene verblijft reeds twee jaren buiten de poorten van De Woenselse Poort. Al jaren is er sprake van een behandelplafond. Een dwingend forensisch kader is niet noodzakelijk om het huidige recidiverisico te handhaven. Het afgelopen jaar is benut om de zorgvraag van betrokkene helder te krijgen. Maasveld is in beeld als de kliniek waar betrokkene zou kunnen verblijven. Maasveld heeft echter geen ervaring met patiënten die vanuit een forensische setting worden overgeplaatst, waardoor Maasveld zich terughoudend opstelt. Binnen Maasveld wordt thans onderzocht onder welke randvoorwaarden een overplaatsing kan plaatsvinden. Maasveld heeft thans geen plaats voor nieuwe patiënten. Er is voor zover bekend geen wachtlijst. Wel zijn op dit moment alle beschikbare plaatsen bezet. In het afgelopen jaar is ook gezocht naar andere instellingen waar betrokkene mogelijk zou kunnen verblijven. Tot op heden hebben al deze instellingen afwijzend gereageerd op een overplaatsing. Reden daarvoor is ofwel het label TBS dat aan betrokkene kleeft ofwel de complexiteit van de zorgvraag van betrokkene. Het doel is om betrokkene uiteindelijk binnen de BOPZ te plaatsen. Om de overgang tussen de TBS en de BOPZ geleidelijk te laten verlopen is een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging noodzakelijk. Daarbij speelt tevens een rol dat indien nodig kan worden teruggevallen op de expertise van De Woenselse Poort.

3.3

De deskundige [naam 8] , reclasseringswerker, heeft ter terechtzitting aanvullend verklaard -zakelijk weergegeven- :

Een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is mijns inziens te prematuur. Maasveld heeft geen ervaring met patiënten die vanuit een forensisch kader worden overgeplaatst. De reclassering zal in samenspraak met Maasveld moeten overleggen over de voorwaarden waaronder een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging kan plaatsvinden. Thans is hierover geen duidelijkheid. Een optie is om betrokkene in het kader van transmuraal verlof over te plaatsen naar Maasveld, waarbij De Woenselse Poort de regie houdt. Het allerbeste zou echter zijn als betrokkene binnen het kader van de BOPZ geplaatst zou kunnen worden.

4 Het standpunt van de gedragsdeskundigen

De rechtbank overweegt dat de TBS is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Omdat de duur van de TBS van [veroordeelde] bij verlenging een veelvoud van een periode van zes jaar te boven zal gaan, is in deze zaak niet alleen door de inrichting, maar ook door twee niet aan de inrichting verbonden deskundigen geadviseerd.

De deskundige [naam 4] (psychiater) schat het algemene recidivegevaar als blijvend hoog in. [veroordeelde] is blijvend aangewezen op externe steun en structuur. Het risicomanagement wordt bepaald door externe factoren, medicatie, extern aangebrachte structuur en het tijdig signaleren en bewerken van spanningsbronnen door een professioneel opgeleid behandelteam. De verwachting is dat [veroordeelde] voor bovengenoemde structuur en begeleiding ook in de reguliere GGZ terecht zal kunnen mits het dwingend kader behouden blijft. Na een succesvolle overplaatsing mag verwacht worden dat de huidige tbs met verpleging van overheidswege op termijn vervangen kan worden door het kader van een civiel rechterlijke machtiging.

De deskundige [naam 5] (GZ-psycholoog) schat het algemene recidivegevaar als matig in. [veroordeelde] is blijvend aangewezen op 24-uurs zorg en toezicht. Zij is niet in staat een zelfstandig leven op te bouwen. Ten aanzien van het risicomanagement adviseert de deskundige de medicamenteuze behandeling te optimaliseren en haar over te plaatsen naar een geschikte GGZ-voorziening. Beide deskundigen adviseren een verlenging van de termijn van de TBS van [veroordeelde] met twee jaren onder handhaving van het transmuraal verlofkader. Deze termijn is volgens de deskundigen vooral noodzakelijk omdat het vinden van een geschikte kliniek binnen de reguliere GGZ, gelet op de complexe problematiek van [veroordeelde] , de nodige tijd vergt.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn vordering tot verlenging van de TBS met verpleging van overheidswege met twee jaren. Een verlenging van de TBS met één jaar is onvoldoende, gelet op de tijd die nodig is om een passend verblijf voor [veroordeelde] te vinden.

6 Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en haar raadsvrouw

[veroordeelde] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij zo snel mogelijk van de TBS af wil en dat zij overgeplaatst wil worden naar Maasveld.

Ten aanzien van de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, zoals haar cliënte wenst, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft wel verzocht om de TBS met één jaar te verlengen. Zij verwijst hierbij naar de beslissing van 21 juli 2015 van de rechtbank Limburg, waarbij de TBS ook met één jaar is verlengd, omdat voorzien werd dat [veroordeelde] op korte termijn naar Maasveld overgeplaatst zou worden in het kader van transmuraal verlof. De stand van zaken is identiek aan die van vorig jaar, zodat het onredelijk is om de TBS thans met twee jaren te verlengen. In het aankomende jaar kan tevens de mogelijkheid verkend worden om [veroordeelde] elders onder te brengen, als Maasveld toch geen optie blijkt te zijn.

7 De beoordeling

De officier van justitie heeft de vordering tot verlenging van de maatregel van TBS ingediend binnen de daarvoor in artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

De rechtbank dient thans te beoordelen of de algemene veiligheid van personen of goederen nog steeds vereist dat de TBS wordt verlengd.

De rechtbank verenigt zich met het verlengingsadvies van De Woenselse Poort en het advies van de psychiater, voor zover deze adviezen betrekking hebben op het recidiverisico. [veroordeelde] is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een verstandelijke beperking en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een psychotische stoornis NAO. Zonder externe steun en structuur wordt de kans dat [veroordeelde] vervalt in gewelddadig gedrag als hoog ingeschat. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de algemene veiligheid van personen en goederen de verlenging van de TBS met verpleging van overheidswege eisen.

De duur van de TBS met verpleging van overheidswege beloopt thans een periode van 17 jaren. Reeds jaren is duidelijk dat [veroordeelde] haar behandelplafond heeft bereikt. [veroordeelde] verblijft sinds twee jaren binnen Opsy, een kliniek op het terrein van de GGzE die niet specifiek voor forensische patiënten is bedoeld, en functioneert aldaar door de geboden professionele begeleiding, structuur en de medicatie relatief stabiel. De rechtbank overweegt dat de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit met zich brengen dat bij een afweging tussen de belangen van [veroordeelde] en de belangen van de maatschappij, de belangen van [veroordeelde] steeds zwaarder dienen te gaan wegen. Hoewel de ernst van de bij [veroordeelde] vastgestelde psychopathologie en het nog immer hoog geachte recidiverisico maken dat op dit moment niet kan worden overgegaan tot (voorwaardelijke) beëindiging van de TBS, dient wel met voortvarendheid gezocht te worden naar alternatieven, zodat [veroordeelde] ook buiten de kaders van de TBS haar leven kan leiden.

Bij de vorige verlengingszitting van 21 juli 2015 heeft de rechtbank reeds overwogen dat beëindiging van de TBS mogelijk zou zijn indien [veroordeelde] , hetgeen ook door alle betrokkenen wordt beoogd, rechtstreeks zou kunnen doorstromen naar een plaatsing in het kader van de BOPZ. Maasveld was destijds al in beeld als de kliniek waar [veroordeelde] geplaatst zou kunnen worden. In het afgelopen jaar heeft De Woenselse Poort herhaaldelijk overlegd gepleegd met Maasveld, echter tot op heden zonder concreet zicht op een plaatsing. De rechtbank acht het buitengewoon betreurenswaardig dat het in het afgelopen jaar, om welke reden(en) dan ook, niet is gelukt om een passende kliniek voor [veroordeelde] te vinden. Het heeft er alle schijn van dat [veroordeelde] vanwege haar TBS-kader niet kan worden overgeplaatst naar Maasveld, terwijl zij in het kader van transmuraal verlof reeds langere tijd verblijft in de kliniek Opsy, waar net als in Maasveld, zo begrijpt de rechtbank, overwegend reguliere GGZ-patiënten verblijven.

De rechtbank geeft De Woenselse Poort in overweging in het komende jaar in ieder geval de volgende drie opties nader te onderzoeken:

1. Overplaatsing naar een GGZ-kliniek met handhaving van het transmuraal verlofkader, zodat in de behandeling gebruik gemaakt kan worden van de forensische kennis van De Woenselse Poort en bij terugval eveneens een beroep gedaan kan worden op De Woenselse Poort;

2. Overplaatsing naar een GGZ-kliniek in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en de voorwaarde dat gebruik gemaakt kan worden van de forensische kennis van De Woenselse Poort en bij terugval eveneens een beroep gedaan kan worden op De Woenselse Poort, al dan niet middels time-out plaatsing;

3. Beëindiging van het tbs-kader met een naadloze overgang naar de BOPZ.

De rechtbank acht het van groot belang dat De Woenselse Poort in de aankomende periode alles in het werk zal stellen om zo spoedig mogelijk een passende voorziening voor [veroordeelde] te vinden.

Om de vorderingen omtrent het bovenstaande nauwlettend in de gaten te houden, zal de rechtbank, in afwijking van de vordering van de officier van justitie en de adviezen van de externe deskundigen, de TBS verlengen met één jaar.

8 Toepasselijke wetsartikelen

Wetboek van Strafrecht: artikel 38d, 38e

Wetboek van Strafvordering: artikel 509o en 509t

9 De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn welke [veroordeelde] ter beschikking is gesteld met verpleging van overheidswege met één jaar.

Aldus gegeven door mr. K.J.H. Hoofs, voorzitter, mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Bouts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 augustus 2016.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/005217-99

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 2 augustus 2016 in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboortedatum] ,

thans verpleegd wordende in De Woenselse Poort te Eindhoven

hierna te noemen: [veroordeelde] .

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

[veroordeelde] is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter zitting van 19 juli 2016 heeft zij afstand gedaan van haar recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt de beslissing uit en geeft [veroordeelde] kennis dat zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen bij het gerechtshof te Arnhem.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw mr. C.G.M. Schuman, advocaat te Sittard.