Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:6009

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
25-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3220u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De uitspraak betreft de toepassing van de kostendelersnorm van artikel 22a van de Participatiewet. Ook bij de toepassing van de kostendelersnorm is verweerder op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw, gehouden om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van eiser. Verweerder heeft slechts naar voren gebracht dat het doel van de kostendelersnorm is rekening te houden met de voordelen van het delen van kosten binnen één huishouden en dat deze voordelen los staan van de redenen waarom men samenwoont, en deze volgens verweerder ook aanwezig zijn als er sprake is van zorgbehoefte. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank hiermee geenszins getoetst of er in het geval van eiser sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Pw. Het bestreden besluit ontbeert derhalve op dit punt een deugdelijke motivering. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is uiteengezet, ziet de rechtbank in de door eiser aangedragen (psychische, lichamelijke en financiële) omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen zodanig bijzondere situatie oplevert dat die afstemming van de bijstand in de vorm van een verhoging rechtvaardigt. Gelet op het herstel van de motiveringsgebreken in de beroepsfase bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/3220

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2016 in de zaak tussen

[naam], te Maastricht, eiser

(gemachtigde: mr. P.H.A. Brauer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. I. Aydogan).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van

1 juli 2015 de kostendelersnorm op grond van de Participatiewet (Pw) toegepast op de uitkering van eiser.

Bij besluit van 28 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen 15/3421, 15/3367 en 15/3232, ter openbare zitting van 31 mei 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen mr. M.H.E. Overhof. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de genoemde beroepen is afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt met ingang van 17 december 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Met ingang van 1 januari 2015 ontvangt eiser een uitkering op grond van de Pw), naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten eisers uitkering op grond van de Pw te wijzigen per 1 juli 2015 met toepassing van de zogenaamde kostendelersnorm, aangezien eiser de kosten van zijn levensonderhoud kan delen met een medebewoner. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kostendelersnorm vanaf 1 juli 2015 van toepassing is op eiser, nu eiser zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als zijn moeder. De voordelen van het delen van de kosten binnen één huishouden staan los van de redenen waarom men samenwoont en zijn volgens verweerder ook aanwezig als sprake is van zorgbehoefte. Dat de invoering van de kostendelersnorm in de Algemene ouderdomswet (AOW) is uitgesteld doet daar volgens verweerder niet aan af aangezien het beoordelingskader dat hier aan de orde is de Pw betreft.

4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder in onvoldoende mate rekening houdt met de specifieke omstandigheden waarin eiser verkeert en waarom de kostendelersnorm niet op hem van toepassing kan worden verklaard. Er is sprake van twee uitermate gebrekkige mensen die nauwelijks kosten met elkaar kunnen delen. Eiser zakt door toepassing van de kostendelersnorm door de ondergrens. Dit is volgens eiser in strijd met Europese regelgeving. Ten onrechte houdt verweerder geen rekening met uitstel van de kostendelersnorm in de AOW. Invoering van de kostendelersnorm in de Pw is in strijd met artikel 8 en artikel 14 EVRM en artikel 26 van het IVBPR. Er is geen sprake van fair balance tussen de publieke belangen en de particuliere belangen van eiser. De verlaging is oneerlijk en disproportioneel omdat er geen sprake is van evenredigheid tussen het maatschappelijk belang en de inbreuk die dit oplevert. Wegens strijd met artikel 8 EVRM dient het nationale recht in dit geval buiten toepassing te blijven. Omdat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de bezwaargronden betreffende het EVRM is dat besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar bijzondere omstandigheden en ten onrechte de bijstand niet afgestemd als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Pw zodat het besluit op dat punt onzorgvuldig is voorbereid

5. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is het navolgende wettelijk kader van belang.

6. In artikel 18, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

In artikel 22a, eerste lid, van de Pw is bepaald dat indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende is:

(40% + A x 30%): A x B

Hierbij staat:

• A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en

• B voor de rekennorm.

In artikel 22a, derde lid, van de Pw is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op de belanghebbende:

a. die gehuwd is en die niet met een of meer andere meerderjarige personen dan de echtgenoot in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft; of

b. die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt.

In artikel 22a, vierde lid, van de Pw is bepaald dat tot de personen, bedoeld in het eerste lid, niet worden gerekend:

a. de persoon die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt,

b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft,

c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en

d. de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering, de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt.

7. De rechtbank stelt vast dat niet betwist is dat eiser zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als zijn moeder.

8. Ten aanzien van eisers betoog dat vanwege zijn specifieke omstandigheden artikel 22a, eerste lid, van de Pw niet van toepassing is, overweegt de rechtbank dat de Pw geen clausule kent op grond waarvan verweerder bevoegd is om van toepassing van artikel 22a, eerste lid, van de Pw af te zien. Artikel 22a, eerste lid, van de Pw schrijft verweerder dwingend voor in welke gevallen en op welke wijze de kostendelersnorm moet worden toegepast. In het derde en vierde lid van die bepaling zijn wel uitzonderingssituaties opgenomen waarin de kostendelersnorm niet wordt toegepast, maar niet betwist is dat geen van die uitzonderingen zich in de situatie van eiseres voordoet. Verweerder was, gelet op de dwingendrechtelijke formulering van artikel 22a Pw, gehouden de kostendelersnorm bij de uitkering van eiser in aanmerking te nemen.

9. Voor wat betreft het betoog van eiser dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met het uitstel van de kostendelersnorm voor een AOW-uitkering is, overweegt de rechtbank dat, wat hiervan ook zij, feit is dat de wetgever de invoering van artikel 22a van de Pw niet heeft uitgesteld. Verweerder was daarom gehouden deze bepaling met ingang van

1 juli 2015 uit te voeren. Dit betekent dat de kostendelersnorm onverkort op de situatie van eiser van toepassing is.

10. Voor wat betreft de stelling van eiser dat de invoering van de kostendelersnorm in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en daarom buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt de rechtbank als volgt. Wat betreft artikel 8 van het EVRM heeft eiser betoogd dat de verlaging oneerlijk en disproportioneel is omdat er geen sprake is van evenredigheid tussen het maatschappelijke belang en de inbreuk (kennelijk) op de door die bepaling beschermde rechten van eiser. Eiser heeft dat betoog verder niet geconcretiseerd. De rechtbank volstaat daarom met de overweging dat voor zover de kostendelersnorm al een inmenging op eisers privéleven inhoudt, dat nog niet betekent dat die inmenging tot een ontoelaatbare inbreuk leidt. Artikel 8, eerste lid van het EVRM beoogt weliswaar het privéleven te beschermen en staten te dwingen zich te onthouden van inmenging daarop, maar het tweede lid van die bepaling maakt inmenging in de uitoefening van dit recht mogelijk, indien dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer het economisch welzijn van het land. De rechtbank stelt vast dat de kostendelersnorm bij wet is voorzien en uit de voormelde memorie van toelichting komt naar voren dat de wetgever die bepaling in het belang van het economisch welzijn heeft geacht: ter voorkoming van de situatie dat er in één huishouding door stapeling van uitkeringen het huishoudinkomen zo hoog zou worden dat daarmee meer dan alleen de noodzakelijke kosten worden gedekt. Wat betreft het gewicht dat aan die doelstelling moet worden gehecht dient de rechter terughoudendheid te betrachten. De rechtbank kan daarom op basis van hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot de conclusie komen dat artikel 22a van de Pw strijd oplevert met artikel 8, eerste lid van het EVRM. Het betoog van eiser slaagt derhalve niet.

Wat betreft de stelling van eiser dat de invoering van de kostendelersnorm in strijd is met de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR, zijnde bepalingen die ongerechtvaardigde ongelijke behandeling verbieden, heeft eiser niet aangevoerd op welke door die verboden bestreken kenmerken sprake zou zijn van ongelijke behandeling. De rechtbank zal daarom niet verder op die stelling ingaan.

Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte in het geheel niet is ingegaan op de reeds in bezwaar aangevoerde gronden betreffende het EVRM, slaagt het betoog wel. Het bestreden besluit mist in zoverre een deugdelijke motivering.

11. Met betrekking tot het beroep van eiser op het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Pw, overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van dat artikel gehouden is om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van eiser. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de Pw, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie de uitspraak van de CRvB van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492). Verweerder heeft in het bestreden besluit slechts naar voren gebracht dat het doel van de kostendelersnorm is rekening te houden met de voordelen van het delen van kosten binnen één huishouden en dat deze voordelen los staan van de redenen waarom men samenwoont, en deze volgens verweerder ook aanwezig zijn als er sprake is van zorgbehoefte. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank hiermee geenszins getoetst of er in het geval van eiser sprake is van een zeer bijzondere situatie. Het bestreden besluit ontbeert derhalve ook op dit punt een deugdelijke motivering. Eisers beroepsgrond slaagt.

Ter zitting heeft verweerder uiteengezet in de door eiser aangedragen (psychische, lichamelijke en financiële) omstandigheden geen aanleiding te zien voor het aannemen van een zeer bijzondere situatie als hiervoor bedoeld. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen zodanig bijzondere situatie oplevert dat die afstemming van de bijstand in de vorm van een verhoging rechtvaardigt.

12. Gelet op hetgeen onder 10 en 11 is overwogen is het bestreden besluit in twee opzichten ondeugdelijk gemotiveerd. Derhalve komt dat besluit voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen verder in die overwegingen is opgenomen, moet worden geconcludeerd dat de motiveringsgebreken in de beroepsfase zijn hersteld. De rechtbank zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert, en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 juli 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.