Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5656

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
C/03/221603 / KG ZA 16-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Revindicatie. Retentierecht en opschortingsrecht. Geen beroep op retentierecht, of opschortingsrecht mogelijk door bezitter, ten aanzien van een aan eisende partij in eigendom toebehorende zaak. Bezitter is immers niet te goeder trouw en er bestaat geen samenhang tussen de beweerdelijke vordering van de bezitter en de verbintenis tot teruggave van eigendom aan eisende partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/221603 / KG ZA 16-262

Vonnis in kort geding van 24 juni 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. G. Nijmeijer te Geleen;

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M. van Riet.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Eind 2014 heeft [eiser] het kenteken van zijn trike, merk Rewaxco, met kenteken [kenteken] , op naam laten stellen van [gedaagde sub 2] , zulks om deze trike te onttrekken aan de werking van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Van een feitelijke overdracht is volgens [eiser] geen sprake geweest, omdat de trike bij hem in gebruik bleef. Partijen beoogden volgens [eiser] ook geen wijziging in de eigendomsverhoudingen tot stand te brengen. Tussen [eiser] , zijn ex-vrouw (de moeder van [gedaagde sub 2] ) en [gedaagde sub 2] werd volgens [eiser] afgesproken dat als de WSNP voorbij was, het kenteken van de trike weer op naam van [eiser] zou worden gezet. De premie voor de motorrijtuigenverzekering werd, ook na de wijziging van de tenaamstelling, door [eiser] voldaan.

2.2.

[gedaagde sub 2] heeft het kenteken van de trike op 30 september 2015, zonder [eiser] daarin te kennen, laat staan hem om toestemming te vragen, op naam van [gedaagde sub 1] laten stellen. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] kort nadien de trike zonder toestemming van [eiser] heeft meegenomen, nadat [gedaagde sub 1] [eiser] thuis had bezocht, om te praten over de terugbetaling van schulden die [eiser] volgens [gedaagde sub 1] aan hem had, maar [eiser] niet thuis had aangetroffen.

2.3.

[eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] toerekenbaar tekort is geschoten jegens hem, nu zij, tegen de afspraken met hem, er aan heeft meegewerkt dat de trike van [eiser] bij de RDW op naam van [gedaagde sub 1] werd gesteld. [gedaagde sub 1] heeft volgens [eiser] onrechtmatig jegens hem gehandeld, omdat hij wist dat de trike van [eiser] was en dat deze slechts op naam van [gedaagde sub 2] was gesteld om te voorkomen dat de trike door de toekomstige bewindvoerder van [eiser] zou worden verkocht. Voorts heeft [gedaagde sub 1] volgens [eiser] onrechtmatig jegens hem gehandeld doordat hij de trike aan hem heeft ontstolen.

2.4.

Hoewel [gedaagde sub 1] de trike thans in zijn macht heeft, heeft [eiser] van [gedaagde sub 1] én [gedaagde sub 2] gevorderd dat zij de trike teruggeven. Het is [eiser] immers bekend dat [gedaagde sub 2] haar zinnen heeft gezet op de trike en het, indien alleen [gedaagde sub 1] zou worden gevorderd de trike terug te geven, het weinig moeite kost om de trike weer op naam van [gedaagde sub 2] te stellen. Alsdan zou [eiser] , naar hij stelt, alsnog het nakijken hebben. Om dit te voorkomen stelt [eiser] zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] te hebben gedagvaard.

2.5.

Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeelt, des dat indien de een voldaan heeft aan het vonnis de ander zal zijn bevrijd, om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] diens trike met kenteken [kenteken] af te geven, op verbeurte van een aan [eiser] te betalen dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat hij/zij nalaat aan deze veroordeling te voldoen.

2.6.

[gedaagde sub 1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] luidt dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, nu volgens [eiser] eigen stellingen de trike al in oktober 2015 zou zijn ontvreemd en pas nu een vordering tot teruggave daarvan wordt ingesteld, en het feit dat de trike pas nu wordt teruggevorderd niet is te rijmen met de stelling van [eiser] dat hij de trike nodig heeft om naar zijn werk te reizen.

3.2.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Dat [eiser] pas nu een vordering instelt betekent niet dat hij geen spoedeisend belang heeft. Onbetwist staat vast dat [eiser] sedert oktober 2015 vele malen heeft geprobeerd tot een regeling te komen met [gedaagde sub 1] over afgifte van de trike. Dat hij allereerst heeft getracht door middel van een regeling van het geschil afgifte van de trike te bewerkstelligen betekent niet dat hij gedurende die pogingen geen spoedeisend belang had. De spoedeisendheid is voorts gegeven door het feit dat [eiser] zijn eigendom terugwenst.

3.3.

Als niet betwist, en in feite ook erkend, staat vast dat de trike nog steeds eigendom van [eiser] is. Het op naam van [gedaagde sub 2] zetten van het kenteken van de trike had slechts ten doel de bewindvoerder in de WSNP-procedure van [eiser] ervan te overtuigen dat de trike geen eigendom van [eiser] was en dus niet in de schuldsanering viel, en niet om de eigendom daarvan over te dragen.

3.4.

De vordering gericht tegen [gedaagde sub 2] moeten worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat zij de trike mede in bezit heeft. [eiser] heeft ook niet voorwaardelijk gevorderd dat [gedaagde sub 2] wordt veroordeeld tot afgifte van de trike aan [eiser] indien zij het bezit daarvan zou verkrijgen.

3.5.

[gedaagde sub 1] weigert afgifte van de trike, omdat [gedaagde sub 1] kosten met betrekking tot de trike heeft gemaakt, zoals verzekeringspremies, kosten wegenbelasting en stallingskosten, die hij met betrekking tot de trike zou hebben gemaakt niet door [eiser] zijn vergoed, doch ook omdat hij hoofde van een geldlening aan [eiser] nog vorderingen heeft op [eiser] .

3.6.

Voor zover [gedaagde sub 1] zich hiermee zou willen beroepen op een retentierecht (artikel 3:120/3:290 BW), inhoudende dat hij de trike pas hoeft af te geven aan [eiser] , indien [eiser] de door [gedaagde sub 1] ten behoeve van de trike gemaakte kosten heeft vergoed, moet dat beroep worden verworpen. Dit retentierecht komt immers slechts toe aan een bezitter te goeder trouw. [gedaagde sub 1] was echter niet te goeder trouw. Hij wist immers ten tijde van het ontvreemden van de trike dat deze eigendom was van [eiser] , nu met het overschrijven van het kentekenbewijs op naam van [gedaagde sub 2] niet was bedoeld ook de eigendom van de trike over te laten gaan op [gedaagde sub 2] , doch enkel om de bewindvoerder van [eiser] te misleiden.

3.7.

Evenmin komt [gedaagde sub 1] een recht op een opschortingsrecht toe, noch dat van artikel 6:52 BW, noch dat van artikel 6:262 BW. Er bestaat immers onvoldoende samenhang tussen enerzijds de (beweerde) verplichting van [eiser] om de door [gedaagde sub 1] gemaakte kosten (belastingen, verzekeringspremies en stallingskosten) met betrekking tot de trike te vergoeden en anderzijds de vordering van [eiser] tot afgifte van de trike in verband met de ontvreemding daarvan door [gedaagde sub 1] .

3.8.

Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] terecht de afgifte van de trike als zijn eigendom vordert. Toewijzing van die vordering doet echter niets af aan de vordering van [gedaagde sub 1] tot betaling van de beweerde door gemaakte kosten ten behoeve van [eiser] .

3.9.

Dat betekent dat [eiser] in beginsel bevoegd is de trike als zijn eigendom op te eisen van een bezitter, zoals [gedaagde sub 1] .

3.10.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als na te melden in het dictum.

3.11.

[gedaagde sub 1] zal als de jegens [gedaagde sub 1] in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,96;

- griffierecht € 288,00;

- salaris advocaat € 816,00;

Totaal € 1.201,96.

3.12.

[eiser] zal als de jegens [gedaagde sub 2] in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde sub 2] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op € 288,-- aan griffierecht.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] af te geven diens trike met kenteken [kenteken] , op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dat dat hij/hij nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,--;

4.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.201,96;

4.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] begroot op € 288,--;

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT