Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5483

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
5103663 CV EXPL 16-5034
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot doorbetaling loon en wedertewerkstelling slaagt niet, nu de doorbetalingsverplichting niet meer aan de orde is en uit de stellingen van eiseres zelf reeds voortvloeit dat zij thansnog steeds niet arbeidsgeschikt is voor de overeengekomen arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1860
AR 2016/1845
AR-Updates.nl 2016-0679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 5103663 CV EXPL 16-5034

Vonnis in kort geding van 27 juni 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M. de Greeff

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GROENEKRUISDOMICURA HUISHOUDELIJKE HULP B.V.,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde partij,

gemachtigden mrs. I. Haesen en C.A.H. Lemmens.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Domicura genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 30 mei 2016

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 13 juni 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is sinds 22 november 2004 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van Domicura in de functie van huishoudelijke hulp voor een gemiddelde arbeidsduur van 20 uur per week tegen een bruto salaris van (laatstelijk) € 876,38 per maand.

2.2.

Op 27 september 2011 is [eiseres] volledig arbeidsongeschikt geworden voor het eigen werk. Gedurende de reïntegratieperiode heeft zij - vanaf enig moment en op eigen verzoek - lichte administratieve werkzaamheden en schoonmaakwerkzaamheden verricht bij Domicura.

2.3.

Tegen het einde van de wachttijd was [eiseres] niet volledig hersteld, en bij besluit van 10 september 2013 is aan [eiseres] een WGA- uitkering toegekend per 24 september 2013 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.

2.4.

Vervolgens heeft Domicura op 16 oktober 2013 een ontslagvergunning aangevraagd bij UWV, welke vergunning is geweigerd omdat de deskundige van het UWV had geadviseerd dat ‘niet 100% kan worden uitgesloten’ dat [eiseres] binnen 26 weken zal kunnen herstellen voor de overeengekomen arbeid.

2.5.

Op 15 augustus 2014 heeft Domicura nogmaals een ontslagvergunning aangevraagd, en bij beschikking van 25 september 2014 (productie 7 bij antwoord) heeft UWV een acht weken geldige toestemming verleend - derhalve tot uiterlijk 20 november 2014 - om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen.

2.6.

Bij besluit van 23 juli 2015 heeft het UWV aan [eiseres] te kennen gegeven dat uit een arbeidsdeskundige herbeoordeling is gebleken dat haar arbeidsongeschiktheidspercentage nog maar 21,76% bedraagt, derhalve minder dan 35%, zodat zij vanaf 24 september 2015 geen uitkering meer zal ontvangen. Genoemde herbeoordeling van arbeidsdeskundige

A.P.J. de Bruijni is per brief van eveneens 23 juli 2015 aan [eiseres] verzonden (productie 6 bij exploot). Daarin schrijft de arbeidsdeskundige onder meer: “Gelet op de actueel vastgestelde belastbaarheid door de UWV-Arts wordt u onveranderd ongeschikt beschouwd voor de uitoefening van de maatgevende arbeid.

2.7.

Bij brief van 2 augustus 2015 (productie 7 bij exploot) heeft [eiseres] aan Domicura verzocht om haar weer te op te roepen voor aangepast werk (waar zij - kennelijk - op enig moment mee gestopt was), en te kennen gegeven dat zij - in haar optiek - formeel nog steeds in dienst was bij Domicura.

2.8.

Domicura heeft daarop bij brief van 6 augustus 2015 gereageerd, uit welke brief de volgende passage wordt aangehaald:

Inmiddels hebben wij van het UWV de beschikking ontvangen waarin aangegeven staat dat uw WIA-uitkering beëindigd wordt per 24 september 2015 en u voor 21,76% arbeidsongeschikt bent geacht. Daar uw dienstverband met onze organisatie juridisch is geëindigd hebben wij geen verplichtingen naar u toe in het kader van werkhervatting binnen onze organisatie.

Op 25 september 2014 heeft het UWV, afdeling arbeidsjuridische dienstverlening, ons toestemming verleend om de arbeidsverhouding met u op te zeggen (zie bijlage). U heeft op 26 januari 2015 vervolgens ook de eindafrekening ontvangen. Kortom, u bent sedert 1 januari 2015 niet meer in dienst van onze organisatie.

3 De vordering en het geschil

3.1.

[eiseres] vordert de veroordeling van Domicura om te worden toegelaten tot de overeengekomen werkzaamheden, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft. Daarnaast vordert zij om aan haar - kort gezegd - het overeengekomen loon ad € 876,38 bruto (bedoeld zal zijn: per maand) te betalen, vermeerderd met emolumenten vanaf 2 augustus 2015 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede € 500,00 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten, een en ander onder verwijzing van Domicura in de proceskosten.

3.2.

Domicura heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij deze beoordeling kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

4.2.

Domicura voert in de eerste plaats aan dat zij de arbeidsovereenkomst bij - niet per aangetekende post verzonden - brief van 6 oktober 2014 (en daarmee binnen de door UWV gegeven toegestane termijn) heeft opgezegd (productie 10 bij antwoord). [eiseres] betwist die opzeggingsbrief te hebben ontvangen en Domicura heeft de ontvangst door [eiseres] niet aangetoond. Het risico van de niet-ontvangst van de brief ligt bij Domicura, en de kantonrechter acht het onwaarschijnlijk dat Domicura er in een eventuele bodemprocedure in zal slagen die ontvangst door [eiseres] aan te tonen. Ter zijde merkt de kantonrechter in dit kader nog op dat bij lezing van de reactie van Domicura van 6 augustus 2015 zoals hierboven aangehaald onder 2.8., vooral opvalt wat daar niet in staat, namelijk dat de overeenkomst bij brief van 6 oktober 2014 is opgezegd, terwijl het toch alleszins voor de hand had gelegen om dat stukje informatie in die reactie te vermelden (uitgaande van de situatie dat de opzeggingsbrief inderdaad verstuurd is). Wat daar ook verder van zij, het dient er in deze procedure voor te worden gehouden dat de opzeggingsbrief [eiseres] niet heeft bereikt en dat de arbeidsovereenkomst derhalve nog loopt, nu de termijn om op te mogen zeggen (tot 20 november 2014) reeds is verstreken. Het enkele gegeven dat op de loonspecificatie van januari 2015 (die door Domicura als ‘eindafrekening’ wordt aangemerkt) rechtsboven in de kolom met algemene persoonsinformatie een ‘datum uit dienst’ (31-12-2014) vermeld staat, kan niet als een opzegging van een arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Het verweer van Domicura, inhoudende dat [eiseres] zich niet binnen de in artikel 9 lid 3 BBA genoemde termijn op vernietiging van de opzegging heeft beroepen, kan in deze procedure derhalve niet slagen.

4.3.

Ten aanzien van de gevorderde wedertewerkstelling in het overeengekomen werk voert Domicura aan dat uit alle (recente) medische stukken blijkt dat [eiseres] arbeidsongeschikt is ten aanzien van die functie, hetgeen door [eiseres] in feite niet wordt betwist. [eiseres] heeft ten aanzien van dit aspect ook geen (medische) gegevens overgelegd die in een andere richting wijzen en ter zitting heeft zij desgevraagd weliswaar te kennen gegeven graag weer aan de slag te willen bij Domicura ‘maar dan wel in aangepast werk’. Het dient er derhalve voor te worden gehouden dat [eiseres] thans nog steeds arbeidsongeschikt is voor de eigen functie, zodat dit onderdeel van de vordering niet kan slagen.

4.4.

De loonvordering is eveneens niet toewijsbaar, nu de loondoorbetalingsverplichting van Domicura niet meer aan de orde is. Hetgeen Domicura daarover onder 5.3 van haar antwoord stelt, is juist.

4.5.

Daarnaast zij opgemerkt dat het spoedeisend belang van [eiseres] onvoldoende uit de verf is gekomen. Voor zover uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, ontvangt [eiseres] sinds januari 2015 geen loon meer en sinds 24 september 2015 ook geen uitkering meer van het UWV (hetgeen haar reeds bij besluit van 23 juli 2015 is medegedeeld). Zonder nadere toelichting, die [eiseres] niet althans onvoldoende heeft gegeven, is onduidelijk gebleven dat (en waarom eerst) nu, ongeveer driekwart jaar nadat zij van enige kenbare bron van inkomsten is verstoken, een spoedeisend belang bij haar vordering is ontstaan.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Domicura tot de datum van dit vonnis begroot op € 924,82, bestaande uit € 600,00 aan salaris gemachtigde, € 223,00 aan griffierecht en € 101,82 aan explootkosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Domicura tot de datum van dit vonnis begroot op € 924,82.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

RK