Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5455

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2463u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het door verweerder opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag en de daaraan ten grondslag gelegde verwijten worden onvoldoende gedragen door deugdelijk vastgestelde (objectieve) gegevens. Voor wat betreft de verwijten die wel door dergelijke gegevens gestaafd worden acht de rechtbank het onvoorwaardelijk strafontslag niet evenredig.

Inzake het verwijt aan eiser met betrekking tot zijn betrokkenheid bij en wetenschap van de op de milieuparken bestaande praktijk van het meenemen van goederen van het milieupark voor eigen gebruik of van (kleinschalige) handel, overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken in welke mate eiser zelf zich aan deze praktijk schuldig heeft gemaakt. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat eiser voor wat betreft de bovenbedoelde praktijk, met name in eerste instantie, jegens verweerder geen (volledige) openheid van zaken heeft gegeven. Hoewel dit eiser ten zeerste kan worden aangerekend, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding te concluderen tot plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde strafontslag evenredig is te achten. Overduidelijk is dat de onwil van eiser om uitgebreid te verklaren over bovenbedoelde praktijk wordt gedeeld door zijn collega’s. Er lijkt sprake te zijn (geweest) van een wijdverspreide bedrijfscultuur die is doorgedrongen tot alle geledingen. Nu verweerder ten aanzien van de collega’s van eiser op grond van het weigeren openheid van zaken te geven geen stappen heeft ondernomen, ziet de rechtbank niet in waarom dit zwijgen in het geval van eiser wel een voldoende grondslag voor een onvoorwaardelijk strafontslag zou bieden. Dit geldt temeer nu niet is gebleken dat bij personen waarvan (louter) bekend is geworden dat zij wel eens goederen van het milieupark hebben meegenomen (of andere gedragingen hebben begaan die eiser onder de ‘oude cultuur’ schaart), dit heeft geleid tot negatieve consequenties van de kant van verweerder.

Hoewel in beginsel van een ambtenaar mag worden verwacht dat hij jegens zijn werkgever openheid van zaken geeft en in bepaalde gevallen van een ambtenaar kan worden gevergd dat hij een actieve houding aanneemt en twijfel over zijn integriteit wegneemt, moet er dan eerst wel sprake zijn van een gerechtvaardigde twijfel aan de integriteit van die ambtenaar, gebaseerd op objectieve gegevens. Voor wat betreft de grootschalige fraude die verweerder vermoedt is ten aanzien van eiser niet van bovenbedoelde gerechtvaardigde twijfel gebleken. Het enkele vermoeden van verweerder dat wel sprake was van handel in afval met restwaarde biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat eiser hierover meer had moeten verklaren en dat hij door dit niet te doen kennelijk informatie achterhoudt. Vooralsnog acht de rechtbank dan ook slechts aannemelijk dat eiser enkel terughoudend heeft verklaard over de feiten die hij onder de ‘oude cultuur’ schaart, hetgeen, zoals overwogen, niet kan leiden tot het aannemen plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde strafontslag evenredig is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 2463

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E. Frieser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. M.L.M. van de Laar).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 februari 2015 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd

Bij besluit van 26 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en dhr. J. Janssen, manager reiniging.

Overwegingen

1. Vanaf 1 augustus 1992 is eiser in dienst bij de organisatie van verweerder, laatstelijk in de functie van medewerker Stadsbeheer. Tot oktober 2013 was hij werkzaam bij milieupark Randwyck. Hierbij trad eiser op als plaatsvervangend beheerder, waarvoor hij een additionele vergoeding ontving. Vanwege signalen dat er fraude werd gepleegd bij de milieuparken heeft er een roulatie van medewerkers plaatsgevonden. Vanaf oktober 2013 is eiser geplaatst bij milieupark Noorderbrug.

2. Naar aanleiding van de voornoemde signalen over fraude bij de milieuparken (waaronder milieupark Randwyck) heeft verweerder door Hoffmann Bedrijfsrecherche BV (Hoffmann) een onderzoek laten verrichten. In dat kader is er met diverse personen gesproken, waaronder eiser. Op 16 juli 2014 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht. Vervolgens heeft verweerder op 29 augustus 2014 met eiser een gesprek gevoerd over de vermeende illegale activiteiten op de milieuparken en de verdenking van betrokkenheid hierbij van medewerkers van Stadsbeheer en de MTB.

3. Op 24 november 2014 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn hem de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafopslag op te leggen, op grond van artikel 8:13 in samenhang met artikel 16:1:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maastricht (AGM).

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser overeenkomstig het voornemen de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met ingang van 1 februari 2015. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op basis van de beschikbare gegevens, waaronder begrepen de rapportage van Hoffmann, verklaringen van collega’s van eiser, anonieme verklaringen, brieven en een onderzoek in de administratie van de milieuparken, is komen vast te staan dat er sprake is geweest van fraude op milieupark Randwyck. Volgens verweerder is eiser betrokken geweest bij deze fraude, heeft hij onder meer gehandeld in strijd met artikel 15:1 en artikel 15:1b, aanhef en onder b, van de AGM en is er sprake van zeer ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim dat eiser wordt aangerekend bestaat uit de volgende onderdelen:

1. fraude, dat wil zeggen het – zonder toestemming – vervreemden van goederen van de gemeentelijke milieuparken, dan wel het drijven en laten drijven van illegale handel in deze goederen;

2. geen (voldoende) openheid van zaken geven hierover;

3. het verstrekken van onjuiste verklaringen hieromtrent;

4. het tekort schieten als leidinggevende/plaatsvervangend beheerder.

Verweerder is van mening dat uit de beschikbare informatie een consistent en consequent beeld blijkt van fraude en eisers betrokkenheid daarbij. Eiser heeft zelf verklaard dat de wethouder van Eijsden spullen uit de wit-bruingoed container haalde, maar dat hij hier nooit melding van heeft gemaakt. Ook gaf eiser aan dat hij zijn auto heeft gewassen met autoshampoo die bij het milieupark was ingeleverd. Collega’s [collega 1] en [collega 2] deden dit volgens hem ook. Verder heeft eiser verklaard dat hij hoorde van de heer [collega 1] dat de heer [collega 2] op zondag hout zaagde op het milieupark en dat hij dit meenam. Ook dit meldde eiser niet. De gegevens uit de administratie dragen bij aan het beeld van fraude. Uit deze gegevens blijkt dat voor wat betreft de aangeleverde accu’s en metalen (in tonnages) vanaf november 2013 –het moment dat eiser en zijn collega’s werden overgeplaatst– een stijging is te zien. Gelet hierop stelt verweerder vast dat op belangrijke onderdelen sprake is van fraude. Op onderdelen waar de fraude niet onomstotelijk vaststaat, heeft eiser volgens verweerder de schijn tegen. De signalen daarvoor zijn serieus en ernstig genoeg en verweerder acht het onwaarschijnlijk dat eiser van de fraude geen kennis zou hebben gehad. Eiser heeft deze schijn niet kunnen wegnemen. Er blijft daardoor een beeld bestaan, waarbij eisers (verdere) betrokkenheid niet uitgesloten kan worden. Dat niet ieder vermoed feit onomstotelijk vast is komen te staan, acht verweerder daarbij niet doorslaggevend. De verklaring van eiser dat hij niet betrokken was bij fraude acht verweerder niet geloofwaardig, nu uit de door de collega’s van eiser afgelegde verklaringen een ander beeld ontstaat. Bovendien zijn er op andere punten ook opmerkelijke verschillen tussen de verklaringen van eiser en die van anderen (zoals de aanvangstijd van zijn werkzaamheden en het door eiser gebruikte vervoersmiddel). Verweerder acht het voorts zeer waarschijnlijk dat eiser meer kennis heeft over de fraude op het milieupark, terwijl hij deze kennis niet met verweerder heeft gedeeld. De stellige indruk bestaat dat eiser verweerder informatie heeft onthouden. Los van zijn eigen betrokkenheid heeft eiser ten onrechte bewust geen mededelingen gedaan over de rol van anderen. Verweerder acht het niet aanvaardbaar dat eiser ook hierin geen openheid van zaken heeft gegeven. Daarnaast had eiser als plaatsvervangend beheerder een extra verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen op het milieupark. Hierin is eiser ernstig te kort geschoten. Eiser heeft zijn verantwoordelijkheid niet genomen en heeft een ontoelaatbare situatie laten voortduren. Ten slotte acht verweerder het onderzoek dat op 18 juni 2014 door de Arbeidsinspectie is verricht met betrekking tot het KCA depot van milieupark Randwyck relevant. Er werden diverse wijzigingen aan het KCA depot geconstateerd, reden waarom de inspecteur het depot heeft gesloten. De betreffende wijzigingen zijn zonder toestemming van verweerder aangebracht. Verweerder is van mening dat het gepleegde plichtsverzuim de zwaarste maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.

5. Na het horen van partijen op de hoorzitting van 10 juni 2015 heeft de commissie voor bezwaarschriften (bezwaarschriftencommissie) verweerder op 17 juni 2015 geadviseerd het namens eiser tegen het primaire besluit gerichte bezwaar ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De bezwaarschriftencommissie heeft in dit verband overwogen dat uit het onderzoek van Hoffmann en de door de medewerkers van verweerder afgelegde verklaringen een bestendig beeld naar voren is gekomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het, zonder toestemming van verweerder, vervreemden van goederen van de gemeentelijke milieuparken en ook van het drijven en of laten drijven van illegale handel in deze goederen. De gegevens uit de administratie hebben dit beeld verder versterkt. Daarmee acht de bezwaarschriftencommissie de aan eiser tegengeworpen gedragingen voldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft verweerder volgens de bezwaarschriftencommissie voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser met betrekking tot het bovenstaande onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven en dat hij hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Gelet hierop kon verweerder aan eiser een disciplinaire straf opleggen. De bezwaarschriftencommissie acht het ontslagbesluit, gezien de aard en de ernst van de verrichte gedragingen, vervolgens niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – conform en met verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 17 juni 2015 – het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

7. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt daartoe – samengevat weergegeven – het volgende.

Volgens eiser worden hem twee verwijten gemaakt:

1. wetenschap van en deelname aan fraude, meer specifiek het ongeoorloofd vervreemden van goederen van het milieupark dan wel het drijven van illegale handel hierin; en,

2. het aanbrengen van ongeoorloofde wijzigingen aan het KCA depot.

Bij het verwijt onder 1 speelt vervolgens mee dat eiser wordt verweten dat hij onvoldoende openheid van zaken geeft en daarover valse verklaringen aflegt. Daarnaast wordt eiser verweten dat hij tekort zou zijn geschoten als leidinggevende, waardoor het vorenstaande hem zwaarder mag worden aangerekend. Eiser kan zich met de gemaakte verwijten niet verenigen, en betoogt daartoe –samengevat weergegeven – het volgende.

Eiser is allereerst van mening dat verweerder in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het bestreden besluit niet ingaat op een bezwaargrond. Eiser heeft immers in bezwaar betoogd dat de door verweerder aangehaalde administratieve cijfers verkeerd zijn berekend en dat deze (in het algemeen) geen fraude indiceren. De tonnages metaal heeft verweerder verkeerd berekend. Bovendien is geen rekening gehouden met seizoensgebonden fluctuatie en heeft verweerder de aanname dat 10% van de metalen afkomstig was uit Eijsden niet onderbouwd. Aan de cijfers met betrekking tot de aangeboden accu’s kunnen geen conclusies worden ontleend voor wat betreft het bestaan van fraude. Ten aanzien van de tonnages vetten is er sprake van een daling. Dit wijst evenmin op diefstal van of handel in vetten. Op basis van de cijfers is er zodoende geen evidente aanwijzing voor structurele fraude. De cijfers kunnen verklaard worden door normale fluctuaties in het aanbod. Nu deze cijfers volgens verweerder een belangrijke indicator van fraude zijn, is de correctheid van de cijfers relevant voor de vraag of eiser überhaupt iets kan worden verweten. Daarom had verweerder de bezwaargrond van eiser gemotiveerd moeten weerleggen. Nu dat niet is gebeurd lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek en komt het reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.

Primair ontkent en betwist eiser wetenschap van en deelname aan enige vorm van illegale handel. Verweerder baseert het bestaan van de fraude op ontvangen ‘signalen’ waarbij het onduidelijk is wat de bron, aard en achtergrond hiervan is. Bij eiser bestaat de indruk dat de signalen die aanleiding zouden hebben gegeven tot het onderzoek, pas na het onderzoek zijn geconstrueerd uit de bevindingen van dat onderzoek. Hetgeen wel bekend is, is duidelijk onbetrouwbaar. Het beeld bestaat dat het onderzoek is ingegeven door ongefundeerd geloof te hechten aan dubieuze en uit wraak ingegeven verklaringen. Formeel zou het onderzoek alle milieuparken betreffen, doch in werkelijkheid lijkt het met name een door tunnelvisie ingegeven heksenjacht, gericht op de oud-medewerkers van milieupark Randwyck.

Het rapport van Hoffmann en de daarin opgenomen verklaringen van medewerkers ondersteunen het bestaan van structurele diefstal of heling van afvalstromen met restwaarde niet of nauwelijks. Hoffmann concludeert dan ook dat het bestaan van dergelijke fraude niet bekend is geworden. Eisers standpunt is dat dergelijke fraude niet bestaat en dat verweerder die ook niet aannemelijk heeft gemaakt. De beschuldigingen aan het adres van eiser worden niet gedragen door cijfers of een onderzoek door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Vervolgens blijft er vrij weinig over. Niettemin volhardt verweerder in zijn beschuldigingen. Enerzijds doet verweerder dit door alle verklaringen gewoon op een hoop te gooien, terwijl de betrouwbaarheid of juistheid van deze niet kan worden vastgesteld om vervolgens deze te presenteren alsof er een grote hoeveelheid bewijs tegen eiser bestaat. Anderzijds stelt verweerder dat er zoveel geruchten zijn dat er wel iets van waar moet zijn. Hoffmann heeft geconcludeerd dat niet iedereen het achterste van de tong heeft laten zien en dat daarom niet alles even goed kon worden geverifieerd. Onder meer daarom zou eiser ‘de schijn tegen hebben’. Deze schijn zou eiser moeten wegnemen en daar zou hij niet in geslaagd zijn omdat hij niet in alle openheid zou hebben verklaard. Verweerder vergeet hierbij evenwel dat uit de (cijfermatige) onderzoeksresultaten geen indicatie van structurele fraude en handel in afval met restwaarde blijkt.

Nadat uit het onafhankelijk onderzoek van Hoffmann onvoldoende resultaten volgden, is verweerder zelf gesprekken met medewerkers gaan voeren, teneinde verdere belastende verklaringen te verkrijgen. Volgens eiser is er sprake van een doelbewust ‘barbertje moet hangen’. Aan de verkregen verklaringen schort echter het een en ander. Eiser maakt in dit verband kanttekeningen bij de verklaringen van onder meer [medewerker 1], [medewerker 2], [medewerker 3], [medewerker 4], [medewerker 5], [medewerker 6], [medewerker 7], [medewerker 8] en [medewerker 9]. Volgens eiser kan op grond van deze verklaringen, met inachtneming dat uit het onderzoek van Hoffmann en de ter beschikking staande cijfers niet blijkt van fraude, niet gesproken worden van deugdelijk vastgestelde gegevens op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat hij schuldig is aan plichtsverzuim. Op de getuigen die belastend verklaren – en dat zijn er betrekkelijk weinig – kan van alles worden aangemerkt. Eiser heeft zelf consistent verklaard geen weet te hebben gehad en niet te hebben deelgenomen aan illegale handel. De enige reden waarom eiser in de optiek van verweerder de schijn tegen zou hebben is omdat verweerder geloof hecht aan gebrekkige, valse en rancuneuze verklaringen en ontlastende verklaringen terzijde schuift. De versie van de feiten zoals eiser die heeft verklaard wordt bovendien ondersteund door de verklaring van de heer [directeur], directeur van Metaalhandel Franssen B.V., inhoudende dat dit bedrijf regelmatig hand en –spandiensten verrichtte op het milieupark.

Eiser betwist ten slotte verantwoordelijk te zijn geweest voor de beweerde wijzigingen aan het KCA depot. Eiser is immers sinds november 2013 tewerkgesteld geweest bij milieupark Noorderbrug. Het bezoek van de Arbeidsinspectie in milieupark Randwyck en, naar aanleiding daarvan, de stillegging van de werkzaamheden, vond plaats in juni 2014. Eiser werkte op dit moment hier al geruime tijd niet meer. Voorts zijn de constateringen volgens eiser voor het overgrote deel niet aan de medewerkers van het Milieupark te wijten. Het betrof voornamelijk tekortkomingen aan (de bouw) van het depot zelf. Ten onrechte probeert verweerder door het bijvoegen van een verklaring van teamcoach [naam 1] en de heer [naam 2] de schuld van de tekortkomingen bij eiser dan wel de medewerkers van het milieupark te leggen.

Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat enig plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Eiser erkent dat, als vast zou komen te staan dat hij schuldig is aan fraude, dit ernstig plichtsverzuim oplevert. Deze feiten heeft hij echter niet gepleegd. Eisers wetenschap van de oude cultuur, waarin medewerkers wel eens iets mee naar huis namen voor eigen gebruik, kwalificeert volgens hem niet als ernstig plichtsverzuim. Dit gebruik was wijdverbreid en werd gedoogd. Bovendien ging het niet om ernstige kwesties. Verschillende partijen, waaronder leidinggevenden en wethouders, namen zaken voor eigen gebruik mee naar huis. Alle beheerders hebben verklaard dit te hebben gedaan. Eiser was door hier niet aan deel te nemen reeds een buitenbeentje en het verraden van collega’s in dezen zou gelijk hebben gestaan aan sociale zelfmoord. Bovendien zou eiser zijn leven niet zeker zijn geweest. De heer [naam 3] werd reeds mishandeld om een bedrag van € 90,-. Ook eiser werd bedreigd omdat hij weigerde een contante betaling te accepteren. Hierna werd hij geïntimideerd door de heer [medewerker 8]. Een persoon als [naam 4] of de heer [naam 5] van Vinkenslag is een te duchten vijand. Eiser wil nog graag veilig over straat kunnen en het afleggen van belastende verklaringen over collega’s en betrokken derden zou zijn veiligheid in gevaar kunnen brengen. Bovendien was het onderzoek in beginsel gericht op grootschalige, structurele fraude. Eiser mocht begrijpen dat de ‘oude cultuur’ hem niet werd tegengeworpen en dat hij hierover niet werd geacht uitgebreid te verklaren. Zou eiser hebben gesproken over kleinere transgressies, dan zou hij niet zijn ontslagen, maar wel bij collega’s als verrader te boek hebben gestaan, terwijl hij met hen nog door een deur moest.

Meer subsidiair betoogt eiser dat zijn strafontslag niet proportioneel is aan hetgeen hem eventueel zou kunnen worden toegerekend. Vanwege dezelfde argumenten die eiser in het kader van de toerekenbaarheid naar voren heeft gebracht zou een strafontslag veel te zwaar zijn. Ook is eiser van mening dat zijn belang om niet te worden ontslagen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om hem te ontslaan. In eisers beleving gaat het om een ontslag om mooie sier te maken naar de buitenwacht, waarbij verweerder zich heeft laten chanteren door onbetrouwbare, rancuneuze personen.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 8:13 van de AGM kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Ingevolge artikel 16:1:1 van de AGM, voor zover hier van belang, kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge artikel 15:1 van de AGM is de ambtenaar gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 15:1b, aanhef en onder b, van de AGM is het de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens verweerder in bijzondere gevallen, ten eigen bate aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken.

10. De Gedragscode ambtenaren (Gedragscode) van de gemeente Maastricht, onder punt 8, vermeldt het volgende:

“8- Reageren op niet-integere zaken

U bespreekt twijfels over de juistheid van het gedrag van collega’s leidinggevenden of bestuurders zoveel mogelijk met henzelf. Kan dit niet of leidt dit niet tot een gewenst resultaat dan informeert u uw leidinggevende, de naast hogere leidinggevende als het uw leidinggevende betreft en als het een collegelid betreft de secretaris.

U meldt een vermoeden van fraude of corruptie bij uw leidinggevende. U kunt in deze en andere twijfelachtige zaken ook gebruik maken van de klokkenluidersregeling, als u uw melding anoniem wilt houden. Alleen de vertrouwenspersoon is dan op de hoogte van uw identiteit.

U bent ook zélf aanspreekbaar op uw handelen en nalaten, uw gedrag en uw uitlatingen en staat ook zélf werkelijk open voor verbetering”.

11. Eiser stelt zich onder meer op het standpunt dat verweerder onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het hem verweten plichtsverzuim. De rechtbank stelt vast dat een groot deel van de aan eiser gemaakte verwijten berust op de verklaringen van een of meerdere collega’s. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Uit vaste jurisprudentie volgt voorts dat met verklaringen van collega’s voorzichtig dient te worden omgegaan; zij kunnen slechts goed op hun waarde geschat worden tegen de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de desbetreffende groep medewerkers. In beginsel zal het nodig zijn de inhoud van zulke verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem verweten wordt. Ten slotte kan bij de vraag of sprake is van overtuigend bewijs van het verweten plichtsverzuim mede in aanmerking worden genomen hoe de ambtenaar zich heeft verweerd tegen wat hem ten laste is gelegd. Ingevolge vaste rechtspraak (24 april 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AK9024 en 11 september 2003, ECLI:NL:CRVB:2003: AK4558) mag, indien er een gerechtvaardigde twijfel aan de integriteit en/of betrouwbaarheid van de ambtenaar bestaat, van de ambtenaar worden gevraagd dat hij die twijfel wegneemt.

12. Ter zitting heeft verweerder kort gezegd aangegeven dat niet is bedoeld het standpunt in te nemen dat één van de omstandigheden die verweerder aan het strafontslag ten grondslag heeft gelegd op zichzelf voldoende is om het ontslag te dragen, dan wel dat onomstotelijk vaststaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen (behoudens de gedragingen die hij heeft erkend), maar dat alle omstandigheden in samenhang tot het oordeel leiden dat er iets is gebeurd en dat het waarschijnlijk is dat eiser hiervan afweet dan wel erbij betrokken is. Welke vermoedens eiser het zwaarste worden aangerekend en het meest dragend zijn voor het ontslag, valt volgens verweerder niet in percentages uit te drukken. Dit standpunt van verweerder maakt het reeds moeilijk te concluderen dat er sprake is van deugdelijk vastgestelde, objectieve en concrete gegevens op grond waarvan de overtuiging kan worden verkregen dat eiser de hem verweten gedragingen heeft begaan en het lijkt er in zoverre op dat verweerder zich met name laat leiden door het spreekwoord ‘waar rook is, is vuur’. De rechtbank zal voorts bezien of de door verweerder gebezigde vermoedens voldoende geconcretiseerd, geverifieerd en objectief zijn om het strafontslag op te baseren. De door verweerder jegens eiser gebezigde verwijten en vermoedens komen erop neer dat verweerder vermoedt dat eiser wetenschap heeft van en betrokken is bij fraude, in de zin van het ongeoorloofd vervreemden van goederen van milieupark Randwyck dan wel het drijven van illegale handel hierin. Eiser zou daarover bovendien onvoldoende openheid van zaken geven en onjuiste verklaringen afleggen en dit zou eiser zwaarder kunnen worden aangerekend vanwege zijn positie als plaatsvervangend beheerder. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak ziet de rechtbank aanleiding het bovenstaande verwijt jegens eiser op te knippen in enerzijds het vermoeden dat er op milieupark Randwyck voor november 2013 sprake was van (grootschalige) fraude, in de vorm van de extensieve handel in afval met restwaarde (oud ijzer, accu’s etc.), en anderzijds het meenemen van goederen van het milieupark voor eigen gebruik of (kleinschalige) handel (hetgeen eiser onder de zogenaamde ‘oude cultuur’ schaart). Ten slotte zal de rechtbank ingaan op het verwijt dat verweerder eiser maakt inzake het aanbrengen van ongeoorloofde wijzigingen aan het KCA depot.

13. Ten aanzien van het vermoeden van (grootschalige) fraude op milieupark Randwyck stelt de rechtbank vast dat hetgeen eiser wordt verweten vrijwel uitsluitend op verklaringen van collega’s is gebaseerd. De vraag rijst hierdoor of het veelvoud aan getuigenverklaringen in het dossier wel concrete aanknopingspunten biedt om dergelijke fraude aan te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Er bestaan ten aanzien van vele collega’s duidelijke aanwijzingen dat er sprake is van rancune jegens eiser of andere oud-medewerkers van milieupark Randwyck. Voor zover er inzicht bestaat in de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de groep collega’s, kan enkel de conclusie worden getrokken dat de onderlinge verhoudingen niet goed zijn, hetgeen zijn weerslag heeft op de waarde die aan de verklaringen gehecht kan worden. Het beeld ontstaat dat er sprake is van onenigheid tussen eiser en collega’s, waaronder de heer [medewerker 8], en anderen, waaronder de heer [medewerker 6] en de heer [naam 4], waarbij dreigementen niet worden geschuwd. Het is vervolgens niet geheel duidelijk in welke mate de collega’s die belastende verklaringen hebben afgelegd ‘tot het kamp’ van de heer [medewerker 8] behoren en of dit invloed heeft gehad op de afgelegde verklaringen. Ook bestaat er natuurlijk de mogelijkheid dat collega’s zelf onenigheid met eiser hebben. Uit het dossier blijkt in ieder geval van legio beschuldigingen tussen collega’s over en weer. Het bovenstaande maakt het zeer lastig, zo niet onmogelijk, om de objectiviteit van de in het dossier aanwezige getuigenverklaringen te duiden. Het moet zodoende voor mogelijk worden gehouden dat collega’s erop uit zijn geweest eiser zwart te maken. Dit klemt temeer nu de personen die belastende verklaringen afleggen niet eenduidig verklaren. Voorbeelden hiervan zijn de verklaring van de heer [medewerker 1] dat er in de wit- en bruingoed container kabels gestript werden, terwijl de heer [medewerker 2] aangeeft dat hij niemand in deze container kabels heeft zien strippen. De heer [medewerker 3] geeft, anders dan voornoemde heren, aan dat eiser nooit vroeg in de ochtend, vóór de opening van het milieupark, op het milieupark aanwezig was. Dit bevreemdt, nu alle voornoemde personen werkzaam waren als chauffeur dan wel medewerker reiniging en zij op vergelijkbare tijdstippen en met een vergelijkbare frequentie op het park aanwezig waren. Het had dan ook in de rede gelegen dat zij eenduidig hadden verklaard. Met betrekking tot de verklaringen waarvoor geen directe aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de betrouwbaarheid daarvan geldt, zoals gezegd, nog immer dat niet voor iedere getuige duidelijk is wat de achterliggende verhouding is tussen hem of haar en eiser. Hierdoor kan onder meer aan verklaringen zoals die van mevrouw [medewerker 9] ook niet de waarde worden toegekend die verweerder graag zou zien. De rechtbank is in ieder geval niet gebleken van één of meerdere belastende verklaringen die kennelijk geloofwaardig zijn. Verweerder heeft ook geen getuige kunnen noemen die in ieder geval kan worden gevolgd. Het meest in het oog springend zijn de verklaringen van de heer [medewerker 7], die eerst een voor eiser ontlastende verklaring aflegt en vervolgens in het gehoor bij verweerder (zeer) belastend verklaart. Gelet op de vraagtekens die bij de belastende verklaringen kunnen worden geplaatst, bestond naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder de noodzaak, conform de onder 11 vermelde jurisprudentie, de inhoud van de verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem verweten wordt.

14. Vervolgens rijst de vraag of verweerder voldoende heeft gedaan om de afgelegde verklaringen te verifiëren en of er voldoende objectieve gegevens zijn verzameld om vast te stellen dat er sprake is geweest van fraude in de vorm van handel in afval met restwaarde, dat eiser hiervan wetenschap heeft gehad en dat hij hierbij betrokken is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. In de rapportage van Hoffmann wordt geconcludeerd dat niet bekend is geworden dat er op grote schaal sprake is van de verkoop van afvalstromen met restwaarde. De enige objectieve informatie die verder beschikbaar is ter ondersteuning van het vermoeden van de grootschalige handel in afval met restwaarde zijn de tonnagecijfers van het milieupark (bijlage A18 en I van de b-map van het dossier). Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze informatie echter geen concrete aanknopingspunten voor het aannemen van (grootschalige) fraude. De weergegeven tijdsperiode is te kort om een betrouwbare standaardafwijking vast te stellen met betrekking tot het aangeboden afval, waardoor niet kan worden nagegaan of de geconstateerde (relatief geringe) stijging van aangeboden metalen statistisch relevant is. Ten aanzien van de accu’s valt op dat het aanbod zeer wisselvallig is. Ook in 2014 worden in slechts drie van de eerste zeven maanden accu’s aangeboden (ten opzichte van vier keer in totaal in 2013). Ook hier had informatie over een langere tijdspanne wellicht uitkomst geboden. Ten aanzien van de vetten geldt dat het aanbod zelfs is gedaald na de wisseling van de medewerkers. Hoewel het ook hier de vraag is of deze daling statistisch relevant is, heeft verweerder geen verklaring voor deze daling kunnen geven. Zodoende heeft verweerder zijn vermoeden van (grootschalige) fraude niet op de tonnagecijfers kunnen baseren. Ter zitting heeft verweerder bovendien erkend dat de toename in aangeboden afval mogelijk niet relevant is en dat er absoluut geen sprake is van doorslaggevend bewijs. Het ontbreken van direct objectief bewijs voor (grootschalige) handel in afval met restwaarde is als opmerkelijk te beschouwen. Immers, indien er sprake zou zijn van handel in accu’s en oud ijzer, met bijvoorbeeld Metaalhandel Franssen, zou in de rede liggen dat dit in de administratie terug is te zien na de wisseling van de medewerkers van het milieupark. In zoverre acht de rechtbank, op grond van de thans voorliggende verklaringen en het aanwezige objectieve bewijs, dergelijke handel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover verweerder heeft beoogd te betogen dat het niet mogelijk is gebleken om de verklaringen te verifiëren en objectief bewijs te verzamelen, volgt de rechtbank dit niet. Immers, hoewel uit de rapportage van Hoffmann niets is gebleken, had men het milieupark (destijds) in de gaten kunnen houden. Daarnaast hadden de op het milieupark aanwezige camera’s geraadpleegd kunnen worden. Ook als deze camera’s op bepaalde momenten uit stonden terwijl ze wel aan zouden moeten staan was dat incriminerend geweest. Ten slotte had verweerder de tonnagecijfers over een grotere periode kunnen opvragen. Vooralsnog moet de mogelijkheid dat er geen sprake is geweest van (grootschalige) handel in afval met restwaarde voor reëel worden gehouden.

15. Inzake het verwijt aan eiser met betrekking tot zijn betrokkenheid bij en wetenschap van de op de milieuparken bestaande praktijk van het meenemen van goederen van het milieupark voor eigen gebruik of van (kleinschalige) handel, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de Hoffman rapportage, eisers eigen verklaringen en de overige in het dossier aanwezige verklaringen de conclusie worden getrokken dat er, in ieder geval in het verleden (tot aan of tot kort na het aanscherpen van de regels en het afleggen van de zogenaamde eed of belofte) en wellicht (in bepaalde mate) thans nog, op de milieuparken sprake is (geweest) van bovenbedoelde praktijk. Echter is onvoldoende gebleken in welke mate eiser zelf zich aan deze praktijk schuldig heeft gemaakt. Ook uit de voor hem belastende verklaringen kan niet worden opgemaakt dat eiser, anders dan sommigen van zijn collega’s, vaker goederen van het milieupark heeft meegenomen. Eiser heeft voor zover bekend enkel in het verleden met toestemming van zijn leidinggevende zijn auto gewassen met autoshampoo die bij het milieupark was ingeleverd, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet kwalificeert als plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde onvoorwaardelijk strafontslag daaraan evenredig is te achten. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat eiser voor wat betreft de bovenbedoelde praktijk, met name in eerste instantie, jegens verweerder geen (volledige) openheid van zaken heeft gegeven. Eiser heeft in ieder geval niet zelfstandig melding gemaakt van de bestaande praktijk en collega’s die zich hiermee bezig hielden (bijvoorbeeld de bezigheden van de heer [collega 2]) en ook toen hij hierover werd bevraagd was hij in eerste instantie onwillig om namen en concrete voorbeelden te noemen. Hoewel dit eiser ten zeerste kan worden aangerekend, ziet de rechtbank ook hierin geen aanleiding te concluderen tot plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde strafontslag evenredig is te achten. Overduidelijk is dat de onwil van eiser om uitgebreid te verklaren over bovenbedoelde praktijk wordt gedeeld door zijn collega’s. In de rapportage van Hoffman en in het document ‘Maatregelen inzake tegengaan fraude bij de milieuparken van de GR, te weten MP Randwyck, MP Noorderbrug, MP Beatrixhaven en MP Valkenburg’ (bijlage J van de b-map van het dossier) wordt immers geconcludeerd dat zowel medewerkers als leidinggevenden weigeren namen en omstandigheden met betrekking tot onregelmatigheden te noemen en dat niemand een ‘verrader’ wil zijn. In zoverre lijkt er sprake te zijn (geweest) van een wijdverspreide bedrijfscultuur die is doorgedrongen tot alle geledingen. Nu verweerder ten aanzien van de (niet voorheen bij milieupark Randwyck werkzame) collega’s van eiser op grond van het weigeren openheid van zaken te geven geen stappen heeft ondernomen, ziet de rechtbank niet in waarom dit zwijgen in het geval van eiser wel een voldoende grondslag voor een onvoorwaardelijk strafontslag zou bieden. Dit geldt temeer nu niet is gebleken dat bij personen waarvan (louter) bekend is geworden dat zij wel eens goederen van het milieupark hebben meegenomen (of andere gedragingen hebben begaan die eiser onder de ‘oude cultuur’ schaart), dit heeft geleid tot negatieve consequenties van de kant van verweerder. Als het plegen van dergelijke vergrijpen geen verstrekkende rechtspositionele gevolgen heeft, hetgeen de rechtbank vanwege de relatief geringe ernst van de daden en voormelde bedrijfscultuur overigens op zichzelf niet onhoudbaar acht, valt niet in te zien dat het zwijgen over collega’s die dergelijke gedragingen bezigen wel rechtspositionele consequenties zou moeten hebben. Daarbij komt dat er aanwijzingen bestaan dat het af en toe meenemen van spullen van de milieuparken voor eigen gebruik een tijd lang door (zowel hogere als lagere) leidinggevenden in enige mate is gedoogd.

16. Voorts is aannemelijk dat op de milieuparken in meer of mindere mate sprake is (geweest) van het (onbewust maar misschien ook bewust) laten storten van afval door bedrijven of door bepaalde personen, het in rekening brengen van aparte (lagere) kosten voor deze personen (en misschien ook bedrijven), en het laten betalen met contant geld door klanten. Echter is ook in dit verband onvoldoende gebleken in welke mate eiser zelf zich aan deze praktijk schuldig heeft gemaakt en geldt ook hier dat er sprake lijkt te zijn (geweest) van een wijdverbreide praktijk. Er zijn althans aanwijzingen en verklaringen die erop wijzen dat ook anderen dan de voormalige medewerkers van milieupark Randwyck deze praktijk bezig(d)en. Hierbij valt te denken aan het voorval met de heer [naam 4] of de gebeurtenis dat een persoon die op milieupark Noorderbrug (waar eiser op dat moment werkzaam was) contant wilde betalen werd doorgestuurd naar milieupark Randwyck en de daaropvolgende onenigheid tussen eiser en de heer [medewerker 8]. Ook verwijst de rechtbank in dit verband naar de in het rapport van Hoffman aanwezige verklaring van de heer [naam 6] over de heer [medewerker 8] en milieupark Randwyck (na de wisseling van de medewerkers). In dit verband moet evenzeer geconcludeerd worden dat niet met objectieve gegevens valt vast te stellen wie zich precies waarmee bezighoudt (of heeft gehouden) en wat precies gebeurt. Reden waarom de rechtbank ook hierin geen aanleiding ziet te concluderen tot plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde strafontslag daaraan evenredig is te achten.

17. Verder acht de rechtbank in dit verband van belang dat, zoals eerder overwogen, niet op basis van objectieve gegevens is gebleken van grootschalige fraude en handel in afval met restwaarde. Daarmee is ook onvoldoende aannemelijk dat eiser heeft geweigerd openheid van zaken te geven over dergelijke grootschalige fraude en dat hij in dit verband informatie achterhoudt. Hoewel in beginsel van een ambtenaar mag worden verwacht dat hij jegens zijn werkgever openheid van zaken geeft en, zoals overwogen onder 11, in bepaalde gevallen van een ambtenaar kan worden gevergd dat hij een actieve houding aanneemt en twijfel over zijn integriteit wegneemt, moet er dan eerst wel sprake zijn van een gerechtvaardigde twijfel aan de integriteit van die ambtenaar, gebaseerd op objectieve gegevens. Voor wat betreft de grootschalige fraude die verweerder vermoedt is daarvan ten aanzien van eiser niet gebleken. Het enkele vermoeden van verweerder dat wel sprake was van handel in afval met restwaarde biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat eiser hierover meer had moeten verklaren en dat hij door dit niet te doen kennelijk informatie achterhoudt. Ook acht de rechtbank de enkele verklaring van eiser gedurende zijn gehoor bij Hoffman dat als ze hem ‘eruit gooien, er een hoop meegaan’, waaraan verweerder in dit verband veel waarde lijkt te hechten, onvoldoende voor de conclusie dat eiser informatie achterhoudt met betrekking tot specifiek (grootschalige) fraude of ernstig plichtsverzuim van hemzelf of anderen. Daarbij komt dat eiser in het verloop van dit gehoor wel heeft verklaard over de gedragingen van zijn collega de heer [collega 2] en hij ook een verklaring heeft afgelegd over een wethouder die af en toe spullen ongevraagd van het milieupark meenam. Niet met (voldoende) zekerheid valt te stellen dat eiser thans nog steeds informatie achterhoudt. Vooralsnog acht de rechtbank dan ook slechts aannemelijk dat eiser enkel terughoudend heeft verklaard over de feiten die hij onder de ‘oude cultuur’ schaart, hetgeen, zoals overwogen, niet kan leiden tot het aannemen plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde strafontslag evenredig is te achten.

18. Ten slotte kan de positie van eiser als plaatsvervangend beheerder aan het bovenstaande niet afdoen. Immers, voor alle leidinggevenden, of het nu gaat om beheerders, plaatsvervangend beheerders of hogere leidinggevenden, geldt dat er sprake is geweest van een ‘zwijgcultuur’ zonder dat daaraan door verweerder consequenties zijn verbonden. Daarnaast is ook van enkele andere beheerders bekend dat zij wel eens goederen mee naar huis hebben genomen, zonder dat daar door verweerder consequenties aan werden verbonden.

19. Inzake het verwijt dat verweerder eiser maakt inzake het aanbrengen van ongeoorloofde wijzigingen aan het KCA depot, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de tekortkomingen aan het KCA depot in juni 2014 door de Arbeidsinspectie zijn ontdekt, terwijl eiser reeds sinds november 2013 niet meer werkzaam was op milieupark Randwyck. Nu in de tussenliggende acht maanden van alles kan zijn gebeurd berust de stelling van verweerder dat het zeer waarschijnlijk is dat de tekortkomingen al langere tijd bestonden en dat eiser hierop kan worden aangesproken als plaatsvervangend beheerder, op een ongefundeerde aanname. Het eiser verweten plichtsverzuim is in dit verband dan ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet, bij gebrek aan deugdelijk vastgestelde en objectieve gegevens, zonder nadere motivering van de kant van verweerder, niet in waarom het uiterst onwaarschijnlijk zou zijn dat de situatie in de tussenliggende periode tot stand zou zijn gekomen. Een deel van de gebreken die de Arbeidsinspectie constateert, hebben betrekking op goederen die op de verkeerde plek in het depot zijn opgeslagen, hetgeen in de tussenliggende periode kan zijn gebeurd. Ook stelt eiser terecht dat een (substantieel) deel van de gebreken die de Arbeidsinspectie constateert geen gebreken zijn die de medewerkers van het milieupark kunnen worden aangerekend, maar gebreken met een structureel karakter, zoals mankementen aan (de bouw en inrichting van) het depot zelf. Hiervan kan verweerder een verwijt worden gemaakt. Ten slotte werpt het bovenstaande de vraag op waarom, als de gebreken reeds bestonden vóór november 2013, niet in de tussentijd de gebreken zijn hersteld door de personen die thans werkzaam zijn op milieupark Randwyck. Hen kan net zo goed een verwijt van de gebreken worden gemaakt als zij de situatie in stand hebben gelaten. De rechtbank is echter niet gebleken dat er door verweerder maatregelen zijn getroffen ten aanzien van de huidige medewerkers van milieupark Randwyck, hetgeen een schijn van willekeur oplevert.

20. Ten slotte overweegt de rechtbank dat ten aanzien van eiser wel is gebleken dat hij niet volledig naar waarheid heeft verklaard over bepaalde onderdelen. Zo heeft eiser tijdens zijn gehoren telkens aangegeven dat hij altijd met de scooter naar het werk kwam en dat Metaalhandel Franssen nooit op het terrein van het milieupark kwam, terwijl hij later in de procedure erkende dat hij soms wel met de auto naar het werk kwam en aangaf dat Metaalhandel Franssen vaker hand en spandiensten op het terrein van het milieupark verrichtte. Ter zitting heeft eiser ook, anders dan voorheen en in overeenstemming met de verklaring van de directeur van Metaalhandel Franssen van 5 juli 2016, erkend dat hij soms wel vóór openingstijd op het terrein van het milieupark aanwezig was, naar eigen zeggen omdat hij belast was met het brengen van het ontvangen contant geld naar de gemeente en dit voor het aanvangen van de werkzaamheden moest gebeuren. Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn verklaring dat er op milieupark Randwyck geen fooienpot aanwezig was, nu personen waarmee eiser heeft samengewerkt en waarmee eiser geen wrevel lijkt te hebben, wel aangeven dat deze fooienpot bestond. Hoewel het eiser kan worden aangerekend dat hij niet (meteen) volledig en naar waarheid heeft verklaard ziet de rechtbank ook in deze onjuiste verklaringen geen plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat het opgelegde onvoorwaardelijk strafontslag daaraan evenredig is te achten. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat op basis van voormelde onwaar- en onvolledigheden niet automatisch de conclusie kan worden getrokken dat eiser ook voor wat betreft zijn andere verklaringen heeft gelogen of niet volledig is geweest. Voor een dergelijke conclusie zijn de gebleken onwaar- en onvolledigheden te beperkt in aard en omvang. Daarbij komt dat ook deze onjuiste verklaringen niet op zichzelf, noch in samenhang met andere (objectieve) gegevens, een voldoende onderbouwing vormen dat er wel sprake is geweest van de eerder besproken (grootschalige) fraude, dan wel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstigere gedragingen dan die waarvan eisers collega’s kunnen worden beticht en waarvan zij geen consequenties van de kant van verweerder hebben ondervonden, dan wel dat eiser weet heeft van dergelijke ernstige gedragingen van anderen.

21. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het door verweerder opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag en de daaraan ten grondslag gelegde verwijten worden onvoldoende gedragen door deugdelijk vastgestelde (objectieve) gegevens. Voor wat betreft de verwijten die wel door dergelijke gegevens gestaafd worden acht de rechtbank het onvoorwaardelijk strafontslag niet evenredig. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om een bestuurlijke lus of een van de andere middelen voor finale geschilbeslechting toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De uitkomst van de nadere besluitvorming en de daarmee gepaard gaande duur is immers nog onzeker. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1,5). Anders dan eiser heeft verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding te bepalen dat verweerder de integrale door eiser voor de rechtsbijstand gemaakte kosten (à € 15.967,97) dient te vergoeden. Het Bpb kent een limitatief stelsel van forfaitaire vergoedingen. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken. Er is geen sprake van de situatie dat verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment evident is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Van een (voorshands) uitgemaakte zaak is zodoende geen sprake, noch van een andere uitzonderlijke situatie, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt. Wel ziet de rechtbank in de complexiteit van de zaak, de omvang van het dossier en de veelheid van de daarin aanwezige verklaringen aanleiding het gewicht van de zaak aan te merken als ‘zwaar’ (wegingsfactor 1,5). Aangezien het primaire besluit van 27 januari 2015 (vooralsnog) niet wordt herroepen bestaat er geen aanleiding om tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar over te gaan. Mocht verweerder in zijn nadere besluitvorming het bezwaar van eiser gegrond verklaren, dan dient verweerder alsnog zelf tot vergoeding van de verzochte proceskosten over te gaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.488,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016. De voorzitter is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 juni 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.