Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5429

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
03/866072-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:257, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met zijn zoon ruim 4 jaar lang softdrugs heeft verhandeld. Ook het aanwezig hebben van 615 gram hennep wordt bewezen geacht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/866072-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

  1. gedurende ruim vier jaren softdrugs (hasjiesj, hennep en psilocybine en/of psilocine) heeft verhandeld;

  2. 615 gram hennep (softdrugs) in bezit heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten, met uitzondering van het verhandelen van psilocybine en/of psilocine bij feit 1.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij de politie afgelegde verklaring(en) van de zoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , onvoldoende betrouwbaar zijn om deze te kunnen gebruiken als bewijs voor de tenlastegelegde periode van vijf jaar. Mocht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 2] die hij aflegde bij de rechter-commissaris gebruiken als bewijs dan verzoekt de raadsman om [medeverdachte 2] te horen.

De verklaring van verdachtes zoon ter terechtzitting als getuige afgelegd en de verklaringen van verdachte kunnen daarentegen wel worden gebruikt.. Mede gelet daarop kunnen beide feiten bewezen worden met uitzondering van het verhandelen van paddo’s (feit 1) en met de opmerking dat de frequentie en intensiteit van de hennephandel (feit 1) aanzienlijk beperkter is en niet de periode begin 2013 tot medio 2015 bevat. Met betrekking tot de intensiteit gedurende de periode 2011-begin 2013 merkt de raadsman op dat het slechts ging om het leveren van 200 gram hennep per twee maanden aan één (Duits) stel. Uit de gegevens uit het notitieboekje dat bij de huiszoeking in het huis van de vader van verdachte is gevonden, kan niet de intensiviteit van handelen worden afgeleid vanaf medio 2015. Veel van de opgesomde informatie is doorgestreept.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank stelt voorop dat zij, evenals de officier van justitie en de verdediging, feit 2 wettig en overtuigend bewezen acht gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 10 juni 2016 en het proces-verbaal omtrent het onderzoek in de woning van verdachte, waarbij (in totaal) 615 gram henneptoppen werd aangetroffen.2 Nu niet is gebleken dat verdachte deze hennep samen met een ander aanwezig heeft gehad, zal hij worden vrijgesproken van het medeplegen.

Verdachte heeft over de hennephandel (feit 1) ook een bekennende verklaring afgelegd, maar deze genuanceerd voor wat betreft de periode en intensiteit. In tegenstelling tot dit standpunt, acht de rechtbank wel degelijk bewezen dat verdachte gedurende ruim vier jaren, samen met zijn zoon, hennep heeft verhandeld. Daartoe acht zij de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Verdachte 3 verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik woon in Heerlen. Op de bovenverdieping van mijn woning liggen onder andere gripzakken met hennepgruis, een weegschaal en verpakkingsmateriaal.

Het klopt dat ik bestellingen klaar maak en dat [medeverdachte 1] ze dan komt ophalen en aflevert bij de koper. Ik verkoop hoofdzakelijk aan Duitse klanten. Ik word dan gebeld, maak de partij die ze willen kopen klaar en bel [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] haalt de partij hennep op en ik zeg hem waar hij die naartoe moet brengen. We hebben vaste afspreekpunten, zoals de boot in Waubach en het spoor in Eygelshoven. Ik neem pas een bestelling aan vanaf 12,5 gram en dat kost 60 euro. Ik heb thuis een schrift liggen waarin ik opschrijf wat de klant bestelt zodat ik het klaar kan maken. U houdt mij voor dat u in 2011 al een melding heeft ontvangen dat ik me bezig zou houden met de handel in softdrugs. Ik heb toen ook wiet verkocht.

Medeverdachte4[medeverdachte 1] verklaarde op 28 februari 2016 – zakelijk weergegeven – als volgt:

U houdt mij voor dat mijn vader heeft verklaard dat hij samen met mij handelt in verdovende middelen. Dat klopt. De klanten bellen mijn vader en hij krijgt de bestellingen binnen. Hij maakt de bestelling klaar en belt mij dan. Ik ga de verdovende middelen ophalen bij mijn vader en hij vertelt mij dan waar ik ze naartoe moet brengen. Ik denk dat ik nu een jaar of vijf zo doe met mijn vader. Ik ben begonnen gelijk toen ik mijn rijbewijs heb gehaald en iedere week sindsdien. De ene week hebben we 5 tot 10 klanten en dan wel eens een week met 15 klanten. Wij verkopen gemiddeld 300 à 400 gram per week, gemiddeld 25 gram per klant, waarvoor hij 125 euro betaalt. Ik weet niet hoeveel ik daarmee verdien; ik krijg gewoon wekelijks 250 euro van mijn vader, sinds 5 jaren. U houdt mij voor dat ik zo’n 60.000 euro (1.000 euro per maand x 12 is 12.000 euro x 5 jaar) heb gekregen voor het rondbrengen van hennep. Daar is echt niks van over. We letten nergens op gaan wel veel opstap kopen dure kleding en gebruiken zelf heel erg veel. Alle klanten zijn Duitsers.

Het rijbewijs van medeverdachte [medeverdachte 1] is afgegeven op 9 december 2011.5

De raadsman heeft gesteld dat de verklaringen die de zoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , bij de politie heeft afgelegd onvoldoende betrouwbaar zijn. Enerzijds omdat de medeverdachte, in zijn hoedanigheid van getuige ter terechtzitting in de zaak tegen zijn vader, zijn bij de politie afgelegde verklaringen voldoende gemotiveerd heeft betwist; anderzijds omdat hij, nadat hij zijn moeder in het cellencomplex had gezien, zodanig overstuur was dat hij bij de politie op alle vragen “ja en amen” heeft gezegd.

De stelling van de verdediging is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het ontbreken van indringendheid van argumenten, niet te beschouwen als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Wat daar ook van zij, de rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie heeft afgelegd. Van een “ja en amen” situatie is bovendien niet gebleken.

Zo heeft medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie, nadat de politie hem een aantal (open) vragen heeft gesteld, uit eigen wetenschap verklaard. Niet alleen geeft medeverdachte [medeverdachte 1] een reden waarom hij aanvankelijk had gelogen over de rol van zijn vader, ook verklaart hij onder andere dat het aantal klanten per week heel verschillend is -5 tot 10 en dan wel eens een week met 15 klanten-, dat verdachte met zijn vader gemiddeld 300 à 400 gram per week verkoopt, dat de gemiddelde klant 25 gram koopt en de klant hiervoor 125 euro betaalt en verdachte iedere week 250 euro van zijn vader krijgt.

Die verklaring is concreet en gedetailleerd en –zie bijvoorbeeld de verwijzing naar het rijbewijs- ook te herleiden naar feitelijk vaststaande gegevens. Zulks in tegenstelling tot de verklaring die verdachte en zijn zoon (als getuige) ter zitting hebben afgelegd, welke juist niet concreet en gedetailleerd zijn. De eerdere verklaring van verdachtes zoon vindt bovendien steun in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] en het bij verdachte aangetroffen notitieboekje. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaarde immers dat hij wist dat het [medeverdachte 1] beroep was om voor zijn vader wiet te bezorgen, lang voordat zij elkaar leerde kennen. Voor wat betreft het notitieboekje acht de rechtbank het aannemelijk dat dit een zogenaamde dealadministratie betreft, waaruit blijkt van veel intensievere hennephandel dan verdachte doet voorkomen, meer in lijn met hetgeen verdachtes zoon bij de politie verklaarde.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij de verklaring van [medeverdachte 2] niet voor het bewijs gebruikt maar enkel voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte: nu de gestelde voorwaarde niet is vervuld komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijk verzoek van de verdediging

Uitgaande van de deels bekennende verklaring van verdachte over de aanvangs- en eindperiode gecombineerd met de heldere gespecificeerde verklaring die zijn zoon bij de politie heeft afgelegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij samen gedurende een periode van ruim vier jaren hennep hebben verhandeld.

Niet gebleken is dat zij ook hasjiesj hebben verhandeld en van dat onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft gevorderd om de tenlastelegging zodanig te wijzigen dat het woord ‘paddo’s’ wordt vervangen door ‘psilocybine en/of psilocine’. Hoewel, mede gelet op de inhoud van het dossier, verondersteld kan worden dat de officier van justitie heeft bedoeld ten laste te leggen ‘paddenstoelen die van nature de stof psilocine en/of psilocybine bevatten’, vat de rechtbank de gewijzigde tenlastelegging niet als zodanig op. Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank niet om een onmiddellijk kenbare fout of verschrijving, te meer daar zowel psilocybine en psilocine afzonderlijk op lijst I van de Opiumwet staan vermeld. Nu er geen bewijs is dat verdachte de stoffen psilocybine en psilocine heeft verhandeld dan wel aanwezig heeft gehad, wordt verdachte van dit onderdeel van feit 1 vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten laste van verdachte bewezen dat:

1.hij (meermalen) in de periode van 10 december 2011 tot en met 26 februari 2016, in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel vermeld op bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.hij op 27 februari 2016 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 615 gram hennep, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen (a) een geldboete van 15.500 euro, subsidiair 112 dagen vervangende hechtenis en (b) een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest, eventueel in combinatie met een taakstraf. Mede gelet op jurisprudentie en de landelijke Oriëntatiepunten straftoemeting acht hij de eis van de officier van justitie veel te hoog. Ter zake de gevorderde geldboete heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank letten op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met zijn zoon gedurende ruim vier jaren hennep verhandeld. Deze handel, vooral gelet op die lange duur, rechtvaardigt op zichzelf al een fikse gevangenisstraf. De handel in drugs wordt niet voor niets met forse straffen bedreigd, zoals enerzijds blijkt uit de Opiumwet en anderzijds uit de jurisprudentie en de landelijke Oriëntatiepunten straftoemeting. Hoewel bestempeld als ‘soft’ drugs, kan ook hennep immers op lange termijn aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor het functioneren van gebruikers, nog los van het verslavende karakter. Verder zijn softdrugs regelmatig een opstap gebleken naar het gebruik van harddrugs, dat nog ernstigere gevolgen heeft voor de volksgezondheid. Zulks heeft verdachte binnen zijn eigen familie ervaren, hetgeen zijn handelwijze des te verwerpelijker maakt. Bovendien gaat het gebruik van drugs, mede mogelijk gemaakt door de handel van verdachte, vaak gepaard met andersoortige criminaliteit. Verdachte heeft aangetoond lak te hebben aan al die schadelijke en negatieve gevolgen en laten zien enkel oog te hebben gehad voor geldelijk gewin. Nog verwerpelijker vindt de rechtbank dat verdachte, ondanks dat hij de schadelijke gevolgen van drugs kent, hij zijn zoon op (jonge leeftijd) zelfs betrokken heeft bij de handel. Het was aan verdachte zijn zoon te beschermen, zeker nu verdachte aangeeft dat hij van mening is dat bij zijn zoon sprake is van beperkte vermogens. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden gerechtvaardigd is.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn strafblad voorts geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen of anderszins hiervan af te wijken. Het (tevens) opleggen van een geldboete acht zij ook niet geïndiceerd. De rechtbank realiseert zich dat zij hiermee de eis van de officier van justitie te boven gaat, maar zij acht zulks ook gerechtvaardigd gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft een beslaglijst overgelegd met daarop vermeld geld tot een bedrag van (in totaal) 15.265 euro, een vacuümmachine, meerdere gripzakken met hennepresten, een plastic zakje en twee gsm’s van het merk/type Samsung Yately. Aangezien op het geld inmiddels conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafrecht is gelegd en verdachte van de overige goederen afstand heeft gedaan (zie p. 192), zal de rechtbank daarover geen beslissing nemen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart de feiten 1 en 2 bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit/de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs, voorzitter, mr. Th.A.J.M. Provaas en

mr. P.M.S. Dijks, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juni 2016.

Buiten staat

mr. K.J.H. Hoofs, mr. Th.J.A.M. Provaas en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

1.hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 10 december 2011 tot en met 26 februari 2016, in de gemeente Heerlen (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid hasjiesj en/of hennep en/of psilocybine en/of psilocine, zijnde hasjiesj en/of hennep en/of psilocybine en/of psilocine, een middel vermeld op bij de Opiumwet behorende lijst II;

art. 3 ahf/ond B Opiumwet

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 11 lid 2 Opiumwet

2.hij op of omstreeks 27 februari 2016, in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 615 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art. 3 ahf/onder C Opiumwet

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 11 lid 2 Opiumwet

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, district Parkstad-Limburg, basisteam Heerlen, proces-verbaalnummer PL2300-2016035643, gesloten d.d. 14 april 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 435.

2 Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek woning d.d. 28 februari 2016, p. 162-163.

3 Proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 28 februari 2016 (09.45 uur), p. 187-193.

4 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 28 februari 2016, p. 47-50.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2016, p. 202-204, in het bijzonder de opmerking van verbalisant [verbalisant] op p. 203.