Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5421

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
5058708 \ AZ VERZ 16-194 29062016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontslag op staande voet. Werkneemster verzoekt gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding en achterstallig salaris. Werkgeefster stelt dat het ontslag op staande voet is ingetrokken en dat de arbeidsovereenkomst door opzegging van werkneemster is geëindigd. Kantonrechter oordeelt dat intrekking van het ontslag op staande voet niet mogelijk is en wijst gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en achterstallig salaris toe. Geen aanleiding voor billijke vergoeding ondanks dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Beroep op verrekening van de werkgeefster verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0693
AR 2016/1872
Prg. 2016/188
RAR 2016/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummers: 5058708 \ AZ VERZ 16-194 en 5058725 \ AZ VERZ 16-195

Beschikking van de kantonrechter van 29 juni 2016

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] aan de [adres verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. L.J.H. Stein,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ADVIESGROEP B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats X] aan het adres [adres X] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.G.J. Habets.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [X] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 4 mei 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift van [verzoekster] ,

- het verweerschrift van [X] ,

- de producties 8 en 9 die bij e-mail van 8 juni 2016 namens [X] zijn ingediend,
- de mondelinge behandeling d.d. 9 juni 2016 en de bij die gelegenheid overgelegde pleitnotities van de gemachtigde van [verzoekster] .

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag verzoekster] 1982, is op 1 mei 2010 bij [X] in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van accountmedewerker voor de duur van 28 uur per week tegen een loon van € 1.764,24 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.2.

[verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst op 28 januari 2016 opgezegd tegen
1 april 2016.

2.3.

[X] heeft bij brief van 5 februari 2016 onder meer aanspraak gemaakt op terugbetaling van studiekosten door [verzoekster] op grond van een studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst.

2.4.

Op zaterdag 6 februari 2016 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld.

2.5.

Op vrijdag 25 februari 2016 heeft bij [verzoekster] thuis een gesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van [X] en [verzoekster] . In dat gesprek is onder meer ter sprake gekomen dat [verzoekster] over haar verzekeringspakket bij [X] 0,010% provisie betaalt in plaats van de gebruikelijke 20%.

2.6.

Per brief van 8 maart 2016 heeft [X] [verzoekster] op staande voet ontslagen. In die brief staat onder meer het volgende.

“Aangezien u kennelijk geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid om uw visie te geven op de gang van zaken en er door u geen feiten en/of omstandigheden zijn benoemd die een ander licht werpen op de door ons geconstateerde onregelmatigheden, kunnen wij niet anders concluderen dan dat u zich ten kosten van ons hebt verrijkt door geen provisie van 20% te betalen, terwijl dit gebruikelijk en/of verplicht is en/of terwijl u zulks wist althans behoorde te weten. Hierdoor bent u het vertrouwen dat wij in u hadden onwaardig geworden. Omdat u geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd die het geconstateerde rechtvaardigen, zijn wij van mening dat niet langer van ons kan worden verlangd dat het dienstverband met u wordt gecontinueerd. Middels dit schrijven berichten wij u mitsdien dat wij de arbeidsovereenkomst tussen u en [X] Adviesgroep met onmiddellijke ingang beëindigen.”

2.7.

Op 4 mei 2016 is het onderhavige verzoekschrift ter griffie ontvangen.

2.8.

Op 24 mei 2016 heeft [X] het ontslag op staande voet ingetrokken.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt – kort weergegeven – [X] te veroordelen

I. tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, zijnde een bedrag van € 5.716,14, te vermeerderen met rente;

II. tot betaling van de transitievergoeding van € 3.493,00, te vermeerderen met rente;

III. tot betaling van een billijke vergoeding van € 15.000,00, te vermeerderen met rente;

IV. tot betaling van het achterstallig loon vanaf 1 februari tot en met 8 maart 2016, zijnde een bedrag van € 2.444,40, te vermeerderen met rente;

V. tot betaling van de vakantietoeslag over de periode 1 juni 2015 tot en met 8 maart 2016, zijnde een bedrag van € 1.324,67, te vermeerderen met rente;

VI. tot betaling van de niet genoten vakantiedagen ten bedrage van € 1.693,33, te vermeerderen met rente;

VII. tot betaling van de maximale wettelijke verhoging van 50% over de onder IV tot en met VI gevorderde bedragen;

VIII. tot verstrekking van schriftelijke en deugdelijke bruto-netto specificaties aan [verzoekster] op straffe van een dwangsom;

IX. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.071,72;

X. tot betaling van de proceskosten en de nakosten vermeerderd met rente.

3.2.

[X] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Er is volgens haar noch sprake van een dringende reden noch van een onverwijlde opzegging.

4.2.

[X] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet op 24 mei 2016 is ingetrokken en het dienstverband op 1 april 2016 is geëindigd door de opzegging van [verzoekster] , zodat voor de verzoeken onder I tot en met III geen grondslag meer bestaat.

Voorts stelt [X] dat zij inmiddels het salaris, de eindafrekening en de wettelijke verhoging aan [verzoekster] heeft uitbetaald onder verrekening van de door [verzoekster] aan [X] verschuldigde studiekosten en de door [verzoekster] aan [X] toegebrachte schade wegens gemiste provisie. Daarvan heeft zij bruto-netto specificaties aan [verzoekster] verstrekt, zodat ook de overige vorderingen niet kunnen slagen, aldus [X] . Subsidiair stelt [X] dat er wel degelijk sprake was van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

Intrekking ontslag op staande voet

4.3.

De kantonrechter zal eerst ingaan op de stelling van [X] dat het ontslag op staande voet is ingetrokken, aangezien dit de meest vergaande strekking heeft.

4.3.1.

Kennelijk heeft [X] met de intrekking van het ontslag op staande voet willen bewerkstelligen dat de opzegging door [verzoekster] alsnog effect kreeg en de arbeidsovereenkomst per 1 april 2016 zou zijn geëindigd zonder dat [X] aan [verzoekster] enige vergoeding verschuldigd zou zijn. De intrekking van het ontslag op staande voet was naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet gericht op een herstel van de dienstbetrekking doch op het ontlopen van een eventuele schadeplichtigheid. Immers was de datum 1 april 2016 reeds verstreken op het moment van de intrekking van het ontslag op staande voet én had [verzoekster] inmiddels het onderhavige verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter. De kantonrechter acht de handelwijze van [X] in strijd met de beginselen van het arbeidsrecht en dan met name de bepalingen die ertoe strekken de werknemer te beschermen tegen een onregelmatig of ten onrechte gegeven ontslag.

4.3.2.

Bovendien is de opzegging een eenzijdige rechtshandeling gericht jegens de werknemer, die alleen kan worden herroepen met instemming van die werknemer (zie daarvoor onder meer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 6 juni 2006, JAR 2007, afl. 2). De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] met de indiening van het onderhavige verzoekschrift tot verkrijging van gefixeerde schadevergoeding, heeft aangegeven te berusten in de opzegging zodat deze niet meer door [X] herroepen kon worden nu de instemming van [verzoekster] ontbreekt. Dat leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst op 8 maart 2016 is geëindigd door de opzegging van [X] en dat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling van de verzoeken zoals gedaan onder I tot en met III.

4.4.

[verzoekster] heeft de verzoeken tijdig ingediend, omdat deze zijn ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [X] is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

Het ontslag op staande voet

4.5.

Het geschil van partijen betreft in de kern genomen de vraag of het door [X] aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen.

4.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van feiten en omstandigheden in de onderhavige kwestie onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verzoekster] ten tijde van het ontslag op staande voet niet aan het werk was in verband met arbeidsongeschiktheid, dat de arbeidsovereenkomst reeds door haar was opgezegd tegen 1 april 2016 en dat zij tot die tijd haar resterende verlofdagen wilde opnemen voor zover zij niet (meer) arbeidsongeschikt zou zijn. Dat maakt dat niet gauw geconcludeerd kan worden dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals artikel 7:678 lid 1 BW vereist. Dat geldt temeer nu de gedraging die [X] [verzoekster] verwijt - kort gezegd het zichzelf toekennen van een provisiekorting over de schadeverzekering - bij gebreke van enig bedrijfsreglement ter zake niet zondermeer kan worden aangemerkt als een dringende reden, nu [verzoekster] heeft gesteld dat zij zelf bevoegd was de ‘provisieschuif’ aan te passen en dat het binnen de verzekeringsbranche gebruikelijk is om personeelskortingen te ontvangen. Bovendien is niet vast komen te staan dat [verzoekster] daadwerkelijk zelf die provisieschuif heeft aangepast. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat de opzegging in strijd is met artikel 7:677 lid 1 BW.

De gefixeerde schadevergoeding

4.7.

[verzoekster] verzoekt op grond van artikel 7:672 lid 9 BW om een vergoeding van
€ 5.716,14 bruto wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [X] heeft de hoogte en de verschuldigdheid van die vergoeding niet betwist, anders dan door te verwijzen naar de intrekking van de opzegging waarvan de kantonrechter hiervoor reeds heeft geoordeeld dat die intrekking niet mogelijk was. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging is derhalve toewijsbaar.

Transitievergoeding

4.8.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een

transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. De kantonrechter kent aan [verzoekster] indachtig het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW derhalve een transitievergoeding toe ter hoogte van € 3.493,00 bruto.

Billijke vergoeding

4.9.

[verzoekster] heeft verzocht aan haar een billijke vergoeding van € 15.000,00 toe te kennen op grond van artikel 7:681 lid 1 onder a BW. Zij stelt daartoe dat voor de toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever is vereist, maar dat daaraan reeds invulling is gegeven wanneer de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd, zoals in het onderhavige geval. [verzoekster] verzoekt bij de vaststelling van de billijke vergoeding mee te wegen – kort gezegd - dat zij altijd uitstekend heeft gefunctioneerd, dat zij het slachtoffer is geweest van stelselmatige pesterijen door haar collega’s terwijl [X] hiervan op de hoogte was, dat zij zich als gevolg daarvan heeft ziekgemeld en dat [X] desondanks heeft aangedrongen op een gesprek op 25 februari 2016.

4.10.

De kantonrechter is anders dan [verzoekster] van oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met de daarvoor geldende regels [X] weliswaar ernstig valt aan te rekenen, doch dat er in de onderhavige situatie geen aanleiding bestaat om aan haar een additionele billijke vergoeding toe te kennen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verzoekster] geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor haar stellingen dat zij het slachtoffer is geweest van stelselmatige pesterijen door haar collega’s terwijl [X] hiervan op de hoogte was noch dat zij zich als gevolg daarvan heeft ziekgemeld. Bovendien had [verzoekster] de arbeidsovereenkomst zelf al opgezegd en zou de arbeidsovereenkomst als gevolg daarvan 24 dagen na het door [X] gegeven ontslag sowieso zijn geëindigd. Als gevolg van het niet in acht nemen van de opzeggingsregels door [X] komt aan [verzoekster] reeds de gefixeerde schadevergoeding alsmede de transitievergoeding toe. Vergoedingen waarop zij geen aanspraak zou hebben indien de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als gevolg van haar eigen opzegging. In de omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de gevraagde billijke vergoeding af te wijzen.

Achterstallig loon, eindafrekening en wettelijke verhoging

4.11.

[X] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij het salaris en de over de periode van 1 februari tot en met 8 maart 2016 aan [verzoekster] verschuldigd is alsmede de uitbetaling van de eindafrekening en de wettelijke verhoging. [X] beroept zich op verrekening met de door [verzoekster] verschuldigde studiekosten en de door [X] geleden schade als gevolg van de door [verzoekster] aan zichzelf toebedeelde korting op de provisie.

4.12.

De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op verrekening van [X] niet kan slagen. In de eerste plaats niet omdat ten aanzien van de studiekosten in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat die alleen verschuldigd zijn indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt beëindigd. Die situatie doet zich in het onderhavige geval - zoals hiervoor reeds is overwogen - niet voor. [verzoekster] is dus aan [X] geen studiekosten verschuldigd.

4.13.

In de tweede plaats heeft [X] op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij door [verzoekster] zou zijn benadeeld door de door [verzoekster] aan haarzelf toebedeelde provisiekorting. De enkele stelling van [X] dat [verzoekster] heeft erkend dat het haar maximaal € 15,00 per maand op haar premie heeft gescheeld is een onvoldoende onderbouwing van de door [X] gestelde vordering. Het beroep op verrekening ten aanzien van de vermeende schade kan dus eveneens niet slagen. Dat betekent dat [X] aan [verzoekster] het salaris, inclusief de eindafrekening en de wettelijke verhoging, onverkort dient uit te betalen.

4.14.

Ten aanzien van de door [verzoekster] gevorderde vakantietoeslag over de periode van
1 juni 2015 tot en met 8 maart 2016 overweegt de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst daarvoor geen grondslag biedt. Daarin is immers bepaald dat het recht op vakantietoeslag wordt opgebouwd in de periode 1 januari tot en met 30 juni en 1 juli tot en met 31 december. Dat verklaart ook waarom op de salarisspecificatie van januari 2016 bij reservering vakantiegeld slechts een bedrag van € 141,14 staat vermeld. De kantonrechter zal de vakantietoeslag derhalve toewijzen over de periode van 1 januari 2016 tot en met 8 maart 2016.

4.15.

De door [verzoekster] gevorderde uitbetaling van niet genoten vakantiedagen is door [X] niet betwist zodat deze zal worden toegewezen.

4.16.

Tijdens de mondeling behandeling heeft [X] gesteld dat zij inmiddels een groot deel van de vorderingen heeft betaald onder toezending aan [verzoekster] van salarisspecificaties. Die stellingen kunnen door de kantonrechter thans niet worden geverifieerd. Hetgeen aantoonbaar door [X] is betaald strekt vanzelfsprekend in mindering op de bedragen waartoe zij bij deze beschikking wordt veroordeeld. Op [X] rust dan ook de plicht om zorg te dragen voor correcte (herziene) bruto-netto specificaties.

Buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten

4.17.

Voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten is geen plaats, nu aanstonds duidelijk was dat [X] de vorderingen betwistte en de activiteiten van de gemachtigde van [verzoekster] uitsluitend kunnen worden aangemerkt als strekkende tot instructie van de zaak.

4.18.

[X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden begroot op:
- griffierecht verzoek € 79,00
- salaris gemachtigde € 400,00 (2.0 punten x € 200,00 tarief)

Totaal € 479,00.

4.19.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [X] tot betaling aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van

€ 5.716,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt [X] tot betaling aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, van de transitievergoeding ter hoogte van € 3.493,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt [X] tot betaling aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, van het achterstallig loon vanaf 1 februari tot en met 8 maart 2016, zijnde een bedrag van € 2.444,40 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van voldoening,

5.4.

veroordeelt [X] tot betaling aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, tot betaling van de vakantietoeslag over de periode 1 januari 2016 tot en met 8 maart 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.5.

veroordeelt [X] tot betaling aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, van de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen zijnde in totaal 116,38 uur ten bedrage van € 1.693,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van voldoening,

5.6.

veroordeelt [X] tot betaling aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, van de maximale wettelijke verhoging van 50% over de onder 5.3 tot en met 5.5 toegewezen bedragen bij wege van de eindafrekening,

5.7.

veroordeelt [X] tot verstrekking aan [verzoekster] , binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, van schriftelijke en deugdelijke (herziene) bruto-netto specificaties waarin de bedragen en betalingen van de onder 5.1 tot en met 5.6 toegewezen bedragen zijn verwerkt,

5.8.

veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] gerezen en tot op heden begroot op € 479,00,

5.9.

veroordeelt [X] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [verzoekster] volledig aan deze beschikking voldoet, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op

  • -

    € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van de beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.10.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

typ:JS