Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5335

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
C/03/191082 / HA ZA 14-257
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassen Haviltex-formule op de vraag wie partij is bij een overeenkomst. Faillissementspauliana en weerlegging vermoeden van benadeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1955
INS-Updates.nl 2016-0307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/191082 / HA ZA 14-257

Vonnis van 22 juni 2016

in de zaak van

FREDERIK WILLEM UDO

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAECON WERKVOORZIENING BV,

wonende te Maastricht,

eiser,

advocaat mr. F.W. Udo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] MANAGEMENT BV,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. D.E.A.F. Aertssen.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2015,

  • -

    de conclusie na comparitie van de curator,

  • -

    de antwoordconclusie na comparitie van [gedaagde] ,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 1996 is Maecon NV opgericht. Binnen deze vennootschap werden activiteiten ontwikkeld op onder andere het gebied van de uitvoering van regelingen met betrekking tot gesubsidieerde arbeid en het managen van Europese subsidieprogramma’s. De aandelen van deze rechtspersoon werden gehouden door acht gemeenten.

In het kader van een privatisering en een management buy-out is Maecon Groep BV (verder Groep BV) opgericht. Deze vennootschap is gaan optreden als holding met onder meer Maecon NV en het nieuw opgerichte Maecon Werk BV (verder Werk BV) als dochtermaatschappijen. Bij oprichting van Groep BV werd 44% van de aandelen gehouden door [gedaagde] , 36% door Hazen Management B.V. (verder: ‘Hazen BV’) en 20% door de Stichting Administratiekantoor Aandelen Werknemer Maecon Groep BV (verder: ‘STAK’). Op 2 januari 2003 is Maecon Werkvoorziening BV (verder Werkvoorziening BV) als dochtermaatschappij van Werk BV opgericht.

Op 23 juni 2004 heeft Werkvoorziening BV aan [gedaagde] € 90.000,00 geleend, waarbij is overeengekomen dat over het geleende bedrag door [gedaagde] een rente is verschuldigd gelijk aan de ECB herfinancieringsrente vermeerderd met 250 basispunten. Later is op deze schuld door [gedaagde] afgelost en zijn er - onder dezelfde condities - gelden bijgeleend. Per 1 november 2007 bedroeg de schuld van [gedaagde] aan Werkvoorziening BV

€ 150.000,00. Werkvoorziening BV heeft ook aan Hazen BV geld geleend. Per 1 november 2007 bedroeg de schuld van Hazen BV € 40.000,00.

Op enig moment zijn er tussen Groep BV en TEN Ventures II BV (verder: ‘TEN BV’) gesprekken gevoerd over investering door TEN BV in Groep BV. Op of omstreeks 25 juni 2010 is tussen Groep BV, [gedaagde] , Hazen BV, AWS Beheer & Management Maatschappij BV (welke rechtspersoon participeert in TEN BV maar verder in deze zaak geen rol speelt) en TEN BV een zogenoemde participatie- & aandeelhoudersovereenkomst (verder: ‘de participatieovereenkomst’) gesloten (productie 1 van [gedaagde] ). Hierin is onder meer bepaald dat [gedaagde] en Hazen BV 38,5% respectievelijk 31,5% van de aandelen in Groep BV overdragen aan TEN BV (inmiddels hadden [gedaagde] en Hazen BV de aandelen van STAK overgenomen), met als gevolg dat TEN BV 70% van de aandelen verwerft en [gedaagde] en Hazen BV 16,5% respectievelijk 13,5% van de aandelen behouden. De koopprijs van de door [gedaagde] over te dragen aandelen bedraagt € 192.500,00, waarbij de schuld van TEN BV ter zake is omgezet in een lening van [gedaagde] aan TEN BV voor dit bedrag. Voor de door Hazen BV verkochte aandelen is eenzelfde constructie gehanteerd. Verder bepaalt de participatieovereenkomst dat TEN BV aan Groep BV een achtergestelde geldlening verstrekt ter hoogte van € 1.000.000,00, zulks ten behoeve van ‘de realisatie van de groeiplannen van bestaande en/of nieuwe dochtervennootschappen en gelieerde stichtingen’.

2.5.

Eveneens op of omstreeks 25 juni 2010 is tussen de Groep BV, [gedaagde] , Hazen BV en TEN BV een overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat partijen het van belang achten dat [gedaagde] en Hazen BV nog geruime tijd aan Groep BV verbonden blijven en dat, indien [gedaagde] en/of Hazen BV op 1 juli 2011 middels managementovereenkomst nog werkzaamheden verrichten voor Groep BV, aan [gedaagde] en Hazen BV door Groep BV in 2011 een bonus van in totaal € 100.000,00 wordt uitgekeerd (productie 5a van de curator en productie 6 van [gedaagde] ). Van deze bonus zou € 55.000,00 aan [gedaagde] toekomen en € 45.000,00 aan Hazen BV en betaling zou plaatsvinden ‘ten laste van het resultaat 2011’ door gedeeltelijke verrekening met de schulden van [gedaagde] en Hazen BV aan Werkvoorziening BV uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten van 23 juni 2004. In navolging van partijen zal deze overeenkomst de bonusovereenkomst worden genoemd.

2.6.

Op enig moment na overdracht van de aandelen in Groep BV en het verstrekken van de achtergestelde geldlening zoals overeengekomen in de participatieovereenkomst, heeft TEN BV zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] en Hazen BV de eveneens in de participatieovereenkomst opgenomen garanties niet zijn nagekomen. Naar aanleiding van de daarop gevolgde discussie tussen TEN BV enerzijds en [gedaagde] en Hazen BV anderzijds, is tussen deze partijen overlegd over een minnelijke regeling. TEN BV heeft in dat kader een concept voor een vaststellingsovereenkomst (verder in navolging van partijen: ‘schikkingsovereenkomst’) opgesteld (productie 8 van [gedaagde] ) dat door de advocaat van [gedaagde] en Hazen BV is becommentarieerd (productie 9 van [gedaagde] ).

2.7.

In het concept van de schikkingsovereenkomst worden Groep BV, [gedaagde] , Hazen BV, TEN BV en Werkvoorziening BV als partijen genoemd. In dit concept is onder meer opgenomen dat:

- [gedaagde] en Hazen BV hun vorderingen op TEN BV uit hoofde van de geldlening naar aanleiding van de overdracht van de aandelen Groep BV kwijtschelden,

- wordt afgezien van de uitvoering van de bonusovereenkomst,

- de schuld uit geldlening van [gedaagde] en Hazen BV van € 150.000,00 respectievelijk

€ 40.000,00 aan Werkvoorziening BV (in het concept als rekening-courantschuld omschreven) wordt kwijtgescholden,

- TEN BV haar claim onder de garanties tegen [gedaagde] en Hazen BV intrekt.

2.8.

In het door de advocaat van [gedaagde] en Hazen BV becommentarieerde exemplaar van het onder 2.7. genoemde concept zijn, voor zover hier relevant, de volgende wijzigingen aangebracht:

- in plaats van volledige kwijtschelding van de vorderingen van [gedaagde] en Hazen BV op TEN BV worden deze deels verrekend met de vorderingen van Werkvoorziening BV op [gedaagde] en Hazen BV, in welk kader deze vorderingen door Werkvoorziening BV aan TEN BV worden overgedragen onder de verplichting op TEN BV om aan Werkvoorziening BV € 150.000,00 respectievelijk € 40.000,00 plus rente te betalen,

- het resterende deel van de vorderingen van [gedaagde] en Hazen BV op TEN BV wordt kwijtgescholden.

2.9.

Op 22 december 2011 is door TEN BV, [gedaagde] (in de persoon van bestuurder en aandeelhouder [naam bestuurder] ) en Hazen BV een schriftelijke schikkingsovereenkomst ondertekend. Daarin worden TEN BV, [gedaagde] en Hazen BV als partijen genoemd. Ter zake van de hiervoor onder 2.7 en 2.8. genoemde onderdelen luidt de overeenkomst gelijk aan het oorspronkelijke concept van TEN BV (zie 2.7), met dien verstande dat ter zake van de kwijtschelding van de vorderingen van Werkvoorziening BV op [gedaagde] en Hazen BV nog wordt vermeld dat deze ‘op door TEN nader te bepalen tijdstip administratief wordt verwerkt.’

2.10.

In maart en april 2012 zijn Groep BV en Werkvoorziening BV gefailleerd, met benoeming van de curator als zodanig.

2.11.

In een brief van 22 november 2012 aan [gedaagde] , Hazen BV en TEN BV (productie 5c van de curator) heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat Werkvoorziening BV geen partij was bij de bonusovereenkomst en de schikkingsovereenkomst en heeft hij, voor het geval Werkvoorziening BV daaraan toch gebonden zou zijn, de vernietiging van die overeenkomsten ingeroepen. Bij brief van 23 november 2012 (productie 3 van de curator) heeft de curator [gedaagde] gesommeerd de schuld aan Werkvoorziening BV uit hoofde van geldlening te voldoen. Bij brief van 17 maart 2014 is de sommatie herhaald.

De curator heeft ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ABN AMRO Bank en Deutsche Bank.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 182.448,17 vermeerderd met rente en kosten. De vordering is gebaseerd op de schuld uit geldlening van [gedaagde] aan Werkvoorziening BV, rekening houdend met de overeengekomen rentevergoeding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat [gedaagde] in 2004 een geldlening met Werkvoorziening BV is aangegaan. Evenmin in geschil is dat er, naar aanleiding van het beroep van TEN BV op de in de participatieovereenkomst opgenomen garanties, een schikkingsovereenkomst is gesloten teneinde het daaromtrent ontstane geschil te beëindigen.

4.2.

[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat de uit de geldlening met Werkvoorziening BV voortvloeiende vordering is overgedragen aan TEN BV omdat de schikkingsovereenkomst tussen haar, TEN BV en Werkvoorziening BV (en Groep BV en Hazen BV) is gesloten en de inhoud daarvan overeenstemt met het door de advocaat van [gedaagde] gewijzigde concept van de schikkingsovereenkomst. Zij voert daartoe aan dat:

- naar aanleiding van het door haar advocaat bewerkte concept een afspraak is gemaakt om de overeenkomst in die vorm te ondertekenen,

- alstoen en aldaar aan [gedaagde] het uiteindelijk getekende exemplaar is voorgehouden,

- de bedrijfsjuriste van TEN BV heeft meegedeeld dat met de opmerking in de getekende overeenkomst dat de kwijtschelding: ‘op door TEN nader te bepalen tijdstip administratief wordt verwerkt’ bedoeld werd de ‘routing’ van de gelden zoals in het door de advocaat van [gedaagde] aangepaste concept was vermeld.

Het subsidiaire standpunt van [gedaagde] is dat, indien wordt aangenomen dat de tekst van de getekende schikkingsovereenkomst de inhoud daarvan weergeeft, tussen Werkvoorziening BV en [gedaagde] is afgesproken dat de vordering van Werkvoorziening BV is kwijtgescholden.

In reactie op voormeld verweer van [gedaagde] heeft de curator zich primair op het standpunt gesteld dat Werkvoorziening BV niet gebonden is aan de schikkingsovereenkomst omdat zij in de schriftelijke overeenkomst niet als partij is vermeld en deze door haar niet is ondertekend. Ten aanzien van Groep BV heeft de curator in dit kader verder aangevoerd dat deze niet kon worden vertegenwoordigd door een van de ondertekenaars en dat de aan de heer [naam bestuurder] , directeur en aandeelhouder van [gedaagde] , verstrekte volmacht om Groep BV te vertegenwoordigen voor rechtshandelingen met een waarde van maximaal

€ 150.000,00 daar niet aan af doet. Omdat volgens de curator in ieder geval Groep BV derhalve geen partij kan zijn bij de schikkingsovereenkomst, kan een overeenkomst waarbij Groep BV partij had moeten zijn geen gelding hebben, aldus de curator. Zijn aanvankelijke standpunt dat ook Werkvoorziening BV niet door een van de ondertekenaars had kunnen worden vertegenwoordigd, heeft de curator kennelijk laten varen.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag wie de partijen zijn bij de schikkingsovereenkomst. Daarbij wordt vooropgesteld dat de rechtbank het met [gedaagde] eens is dat niet alleen de vraag naar de inhoud van een overeenkomst, maar ook de hier voorliggende vraag naar wie partijen zijn bij de overeenkomst moet worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Het komt daarbij aan op de zin de betrokkenen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen zij behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

In het onderhavige geval zal hierbij geen extra gewicht worden toegekend aan de bewoordingen van de uiteindelijk getekende overeenkomst, waartoe het volgende wordt overwogen.

Weliswaar is deze overeenkomst het sluitstuk van een onderhandeling waarbij [gedaagde] en Hazen BV werden bijgestaan door een advocaat, maar onweersproken is gesteld dat deze geen bemoeienis heeft gehad met de definitieve variant, niet gekend is in het niet doorgevoerd zijn van de voorgestelde wijzigingen en niet aanwezig was bij de ondertekening van de schriftelijke overeenkomst. In dit kader is zijn bemoeienis geëindigd bij het aangepaste concept dat taalkundig niet overeenstemt met het getekende exemplaar.

Anders dan de curator stelt kan de curator in dit kader niet worden beschouwd als een derde wiens rechtspositie wordt beïnvloed door de overeenkomst maar die niet is betrokken bij de totstandkoming ervan, in welk geval eerder aanleiding is de voor de hand liggende tekstuele betekenis van de bewoordingen (hier: de aanduiding van partijen) aan te houden. De mogelijk contracterende partijen waren TEN BV, Groep BV, Werkvoorziening BV, [gedaagde] en Hazen BV en enkel hun onderlinge verhouding is mogelijk onderwerp van de overeenkomst. De vraag is of deze partijen zijn betrokken bij de totstandkoming van de schikkingsovereenkomst en zo ja, of zij daarbij partij zijn, waarbij de curator in dit kader heeft te gelden als de opvolger van Werkvoorziening BV.

4.5.

Gelet op het feit dat:

- in het eerste concept van de schikkingsovereenkomst Werkvoorziening BV en Groep BV als partij worden genoemd,

- dit eerste concept afkomstig was TEN, zijnde de grootaandeelhouder van Groep BV, die via Werk BV een moedermaatschappij was van Werkvoorziening BV, en TEN BV dus uitging van de aanname dat Werkvoorziening BV en Groep BV partij zouden zijn bij de schikkingsovereenkomst,

- de beide concepten en de getekende overeenkomst verplichtingen bevatten van Werkvoorziening BV,

- in de beide concepten en de getekende overeenkomst wordt verwezen naar en vervolgens wordt afgeweken van de bonusovereenkomst tussen TEN BV, [gedaagde] , Hazen BV en Groep BV,

neemt de rechtbank als vaststaand aan dat, ondanks dat zij in de getekende overeenkomst niet als zodanig zijn vermeld, het de bedoeling was dat ook Werkvoorziening BV en Groep BV materieel partij waren bij de schikkingsovereenkomst, althans dat [gedaagde] daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen, wat mede wordt bevestigd door het feit dat de kwijtschelding van de schulden van [gedaagde] en Hazen BV in de boekhouding van Werkvoorziening BV is verwerkt en [gedaagde] en Hazen BV geen beroep meer hebben gedaan op de bonusovereenkomst.

Omdat:

- [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de schikkingsovereenkomst de bestuurder was die Werkvoorziening BV kon vertegenwoordigen,

- de heer [naam bestuurder] een volmacht had om Groep BV te binden tot een bedrag van

€ 150.000,00 en de schikkingsovereenkomst voor Groep BV enkel betekende dat zij niet (meer) gebonden was aan de bonusovereenkomst,

waren Werkvoorziening BV en Groep BV ook rechtsgeldig vertegenwoordigd bij het sluiten van de overeenkomst.

4.6.

Het voorgaande betekent dat, indien de schikkingsovereenkomst geldig en uitgevoerd is, de vordering van Werkvoorziening BV op [gedaagde] uit het vermogen van Werkvoorziening BV is verdwenen door kwijtschelding (als de getekende overeenkomst de inhoud van de afspraken tussen partijen weergeeft) of cessie (als het door de advocaat van [gedaagde] en Hazen BV aangepaste concept de inhoud van de afspraken tussen partijen weergeeft). Redenerend vanuit de situatie dat wordt aangenomen dat Werkvoorziening BV gebonden is aan de schikkingsovereenkomst stelt de curator zich op het standpunt dat de inhoud daarvan wordt bepaald door de getekende overeenkomst terwijl [gedaagde] uitgaat van de aangepaste concept. Dit onderscheid is volgens partijen, althans [gedaagde] , relevant bij de vraag naar de geldigheid van de schikkingsovereenkomst die door de curator wordt betwist met de stelling dat hij deze heeft vernietigd op grond van faillissementspauliana (artikel 42 Fw).

4.7.

Voordat inhoudelijk kan worden ingegaan op de vraag of de schikkingsovereenkomst is vernietigd, dient te worden beoordeeld of daarop in deze procedure kan worden beslist. [gedaagde] stelt van niet, aanvoerend dat TEN BV, Groep BV en Hazen BV niet in deze procedure zijn betrokken en dat dit wel noodzakelijk is. [gedaagde] verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 3:51 lid 2 BW. Aangezien de curator echter niet de vernietiging van de schikkingsovereenkomst vordert noch een verklaring voor recht ter zake vraagt, staat dit artikel niet in weg aan de ontvankelijkheid van de curator in zijn vordering of de toewijsbaarheid daarvan. Er is ook geen regel die maakt dat de curator zijn standpunt over de buitengerechtelijke vernietiging van de schikkingsovereenkomst die [gedaagde] aan haar verweer ten grondslag legt, niet zou kunnen innemen zonder dat de andere partijen in de procedure zijn betrokken.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] in dit kader (tevens) een beroep doet op de zogenoemde exceptio plurium litis consortium, stellende dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen TEN BV, Groep BV, Werkvoorziening BV, [gedaagde] en Hazen BV die maakt dat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van al die partijen in dezelfde zin luidt en deze partijen dus allen in de procedure moeten worden betrokken. [gedaagde] voert aan dat een vonnis tussen de curator (in zijn hoedanigheid van curator van Werkvoorziening BV) en [gedaagde] de andere partijen, waaronder TEN BV, niet bindt. In het verlengde daarvan wijst [gedaagde] op de mogelijkheid van tegenstrijdige uitspraken indien de verhoudingen tot en tussen de andere partijen in andere procedures moeten worden beslecht. Hoewel het door [gedaagde] aan de orde gestelde belang niet kan worden ontkend en het vermoedelijk wenselijk zou zijn geweest als alle betrokken partijen in deze procedure zouden zijn betrokken, kan dat niet leiden tot afwijzing van de vordering of het niet ontvankelijk verklaren van de curator in zijn vordering. Het is immers niet rechtens noodzakelijk dat tussen alle betrokken partijen in één vonnis (of arrest) wordt beslist, zoals bijvoorbeeld doorgaans wel het geval zal zijn indien de verdeling van een gemeenschap wordt gevorderd en niet alle deelgenoten in de procedure zijn betrokken. In het genoemde voorbeeld zou een vonnis niet executeerbaar zijn, vanwege de noodzakelijke (al dan niet afgedwongen) medewerking van alle deelgenoten. Dit is in de onderhavige zaak niet aan de orde.

Derhalve wordt thans toegekomen aan de vraag of de schikkingsovereenkomst door de curator vernietigd is. De curator beroept zich op artikel 42 Fw en stelt dat de schikkingsovereenkomst een onverplichte rechtshandeling betreft, welke tot gevolg heeft gehad dat de schuldeisers van Werkvoorziening BV zijn benadeeld terwijl (in ieder geval) Werkvoorziening BV wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het resultaat zou zijn.

[gedaagde] betwist dat de schikkingsovereenkomst tot benadeling van de schuldeisers van Werkvoorziening BV heeft geleid. Haar primaire standpunt is, zoals hiervoor al gemeld, dat door deze overeenkomst de schuld van haar aan Werkvoorziening BV uit hoofde van geldlening is overgegaan op TEN BV en dat TEN BV zich in dat kader heeft verplicht om aan Werkvoorziening BV te betalen wat zij voordien van [gedaagde] te vorderen had. Anders gezegd, in de plaats van [gedaagde] werd TEN BV de schuldenaar van Werkvoorziening BV (en de schuldeiser van [gedaagde] ). De curator heeft niet gemotiveerd betwist dat in deze door [gedaagde] voorgestane voorstelling van zaken, geen benadeling van de schuldeisers heeft plaatsgevonden. Wel heeft hij, zoals al gemeld, betwist dat er een cessie van de vordering op [gedaagde] is overeengekomen. Ook voert hij aan dat, indien dat toch zou zijn overeengekomen, dit [gedaagde] in deze procedure niet kan baten omdat de cessie in ieder geval niet is voltooid, zulks vanwege het ontbreken van een akte van cessie en van de mededeling daarvan als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW. Op dit punt zou in beginsel bewijslevering aangewezen zijn, waarbij heeft te gelden dat op [gedaagde] de bewijslast rust van haar stelling dat cessie is overeengekomen en uitgevoerd. Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen, waarover hierna meer.

4.10.

Voor het geval dat niet wordt aangenomen of komt vast te staan dat dat de vordering van Werkvoorziening BV op [gedaagde] aan TEN BV is gecedeerd - in welk geval er vanuit moet worden uitgegaan dat de inhoud van de schikkingsovereenkomst overeenkomt met de tekst ervan - stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat dit geen benadeling van de schuldeisers van Werkvoorziening BV tot gevolg heeft gehad, althans dat Werkvoorziening BV dat niet wist of behoorde te weten. Dit is, in de aangehouden hypothese, waar het in de kern over gaat. Anders dan [gedaagde] stelt gaat het bij de schikkingsovereenkomst (dan) immers over een onverplichte rechtshandeling, te weten een rechtshandeling die Werkvoorziening BV niet gehouden was te verrichten.

Dat benadeling van de schuldeisers van Werkvoorziening BV heeft plaatsgevonden, staat niet vast. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat, op basis van de bekende cijfers van kort voor het faillissement, kan worden geconcludeerd dat het vermogen van Werkvoorziening BV voldoende was om alle schuldeisers te voldoen. [gedaagde] heeft daarbij gewezen op het feit dat Werkvoorziening BV ultimo 2011 een eigen vermogen van ongeveer

€ 1.600.000,00 had, waarvan ongeveer € 1.400.000,00 bestond uit liquide middelen en gesteld dat de openstaande vorderingen ongeveer gelijk waren aan de schulden, met dien verstande dat zij haar oorspronkelijke standpunt over de omvang van de vorderingen en schulden (beide ruim € 1.000.000,00) kennelijk heeft laten varen ten faveure van het standpunt van de curator (beide om en nabij € 600.000,00). De curator heeft daar tegenover gesteld dat de liquide middelen ten tijde van het faillissement weliswaar ongeveer

€ 1.900.000,00 bedroegen, maar dat daarvan na aftrek van de schulden aan de huisbankier van alle vennootschappen van de Maecongroep – ten aanzien waarvan een compte jointe was overeengekomen – slechts ongeveer € 700.000,00 resteerde. Van de vorderingen van Werkvoorziening BV kon volgens de curator maar ongeveer € 13.000,00 worden geïnd terwijl de schuldenpositie ruim € 500.000,00 bedroeg, nog afgezien van de schuld aan de belastingdienst van de Maecongroep van bijna € 240.000,00 die vanwege het bestaan van een fiscale eenheid op Werkvoorziening BV kon worden verhaald. [gedaagde] heeft de stellingen van de curator vervolgens betwist. Mede vanwege het feit dat de curator weinig onderliggende stukken ter zake van zijn standpunt heeft overgelegd, kan thans niet worden vastgesteld dat de schuldeisers van Werkvoorziening BV niet kunnen worden voldaan. Aangezien dat wel nodig is om te kunnen vaststellen dat de schuldeisers zijn benadeeld, zou nadere bewijslevering van de zijde van de curator aangewezen zijn. De curator heeft immers wel voldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten. Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen, waartoe het volgende wordt overwogen.

4.12.

[gedaagde] heeft betwist dat Werkvoorziening BV wist of behoorde te weten dat de eventuele benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn van de schikkingsovereenkomst, meer in het bijzonder de daarin vervatte kwijtschelding. De rechtbank merkt op dat van in artikel 42 Fw bedoelde wetenschap slechts sprake is indien de wetenschap bestaat dat de rechtshandeling benadelend is voor schuldeisers in geval van faillissement en dat het faillissement er aan staat te komen. In het verlengde daarvan geldt dat de wetenschap van de kans op benadeling niet voldoende is om te voldoen aan de eis van artikel 42 Fw. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat:

- in december 2011 geen van de betrokken partijen uitging van een faillissement van Werkvoorziening BV en er vanuit werd gegaan dat als gevolg van de voorgenomen reorganisatie op korte termijn weer winst zou kunnen worden gemaakt,

- het banksaldo van Werkvoorziening BV rond € 2.000.000,00 was en de crediteurenstand rond € 500.000,00 bedroeg,

- zelfs het (latere) besluit van TEN BV om - tegen de zin van [gedaagde] - de surseance aan te vragen van Maecon NV en een andere dochtermaatschappij van Groep BV (Maecon Support BV) geen aanleiding was om te veronderstellen dat Werkvoorziening BV zou failleren omdat het de bedoeling van TEN BV was deze vennootschap buiten de surseance te houden.

De curator stelt daar slechts tegenover dat op grond van artikel 43 lid 1 Fw en 45 Fw vermoed wordt dat de wetenschap van benadeling heeft bestaan. Los van de vraag of die bewijsvermoedens opgeld doen – de rechtbank laat dat in het midden – is het enkele verwijzen daarnaar niet voldoende om af te doen aan de als zodanig onweersproken gebleven feitelijke stellingen van [gedaagde] die de conclusie rechtvaardigen dat er geen wetenschap van (eventuele) benadeling als bedoeld in artikel 42 Fw was of behoorde te zijn. Dit betekent dat curator onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van de wetenschap van benadeling of ter weerspreking van hetgeen [gedaagde] als tegenbewijs op dat punt heeft aangevoerd. Dat leidt tot de conclusie dat het beroep op de nietigheid van de schikkingsovereenkomst niet slaagt, ongeacht of wordt uitgegaan van de door [gedaagde] of de curator aangehouden variant daarvan. De consequentie daarvan is weer dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat de vordering van Werkvoorziening BV op [gedaagde] door cessie of kwijtschelding uit het vermogen van Werkvoorziening BV is gevloeid en dat de curator daarom geen aanspraak op [gedaagde] namens de boedel meer kan claimen. De vorderingen van de curator zullen dus worden afgewezen.

4.13.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 5.684,00 (4,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 9.513,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 9.513,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt de curator in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.1

1 type: BdB coll: