Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5225

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
4893148 AZ VERZ 16-68
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt primair vernietiging van de opzegging dan wel herstel van de arbeidsovereenkomst.

In dat verband beoordeelt de kantonrechter achtereenvolgens de drie grondslagen van het verzoek:

1) Arbeidsongeschiktheid wegens ziekte ten tijde indienen ontslagaanvraag UWV?

2) Redelijke grond voor opzegging arbeidsovereenkomst?

3) Schending wederindiensttredingsvoorwaarde UWV?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0664
AR 2016/1767
JAR 2016/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4893148 AZ VERZ 16-68

MD

Beschikking van de kantonrechter van 16 juni 2016

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. W.M.C.T. van den Bouwhuijsen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

infour adviesburo voor reklame en marketing B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Heerlen,

verwerende partij,

gemachtigde W.J.H. Franssen.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Infour genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties;

  • -

    het verweerschrift met producties inclusief de machtiging aan W.J.H. Franssen om Infour in deze procedure in rechte te vertegenwoordigen;

  • -

    de aanvullende producties van [verzoeker] ;

  • -

    de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] ;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 24 mei 2016.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 maart 2008 krachtens arbeidsovereenkomst bij Infour in dienst getreden. Laatstelijk was [verzoeker] werkzaam als art director, tegen een loon van € 2.984,13 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.2.

[verzoeker] is op 23 februari 2015 uitgevallen: hij was op dat moment arbeidsongeschikt wegens ziekte.

2.3.

Onder meer op 5 augustus 2015 is [verzoeker] op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. Ook op 4 september 2015 is [verzoeker] bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft in zijn schriftelijke terugkoppeling van dat laatste bezoek onder de kop arbeidsmogelijkheden opgenomen: “Volledige werkhervatting met restklachten is met ups & downs verlopen”. Qua beperking staat vermeld: “Hectiek/ multitasking, piekdruk / deadlines”. En als conclusie en prognose: “Volledig hervat met restklachten. Hersteldmelding mogelijk”. De bedrijfsarts heeft ten slotte nog geadviseerd: “Aandacht voor preventie. Regelmatige interne evaluaties rondom plan van Aanpak en Hersteldmelding”.

2.4.

Infour heeft, na de terugkoppeling van de bedrijfsarts van het spreekuur van
4 september 2015, [verzoeker] hersteld gemeld.

2.5.

Infour heeft bij het UWV WERKbedrijf (hierna: UWV) een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen ingediend. Bij brief van 16 oktober 2015 is [verzoeker] van deze ontslagaanvraag door het UWV in kennis gesteld. [verzoeker] heeft in de UWV-procedure gemotiveerd verweer gevoerd.

2.6.

Op 30 november 2015 heeft het UWV op de ontslagaanvraag van Infour beslist en aan Infour toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.

Onder de beoordeling heeft het UWV (onder meer) overwogen:

“(…)

U bent in uw bedrijfsvoering afhankelijk van een aantal grote klanten, waarvan Permobil de grootste is. Deze klant heeft besloten afscheid van u te nemen waardoor de omzetprognose voor deze klant daalt met 50%. Ook daalt de verwachte omzet van overige klanten, waardoor er ernstige werkvermindering optreedt. Momenteel is het bedrijf niet verlieslijdend. Uit de door u overgelegde stukken blijkt dat de omzet in de jaren 2013 en 2014 een aanzienlijk stuk lager ligt dan in 2012. Wij leiden uit de stukken af dat de gerealiseerde omzet tot september 2015 fors achterblijft ten opzichte van dezelfde periode in 2014. Tevens leiden wij uit de stukken af dat de omzet achter blijft ten opzichte van het budget voor 2015. Gelet op het voorgaande achten wij aannemelijk dat er sprake is van een werkvermindering sinds 2013. Wij zijn daarom van mening dat u aannemelijk heeft gemaakt dat het vanwege bedrijfseconomische omstandigheden noodzakelijk is dat arbeidsplaatsen structureel komen te vervallen. Het verweer van werknemer heeft ons gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel gebracht.

De meeste werkzaamheden voor Permobil werden door werknemer uitgevoerd en komen nu te vervallen. Daarom heeft u ervoor gekozen om de functie van Art Director laten vervallen. Wij concluderen dat deze aanpassing niet onredelijk is. Een ondernemer heeft beleidsvrijheid om te kiezen welke functie er komt te vervallen bij een reorganisatie.

Werknemer stel dat zijn werkzaamheden niet komen te vervallen omdat er tot op heden zzp’ers zijn geweest die de werkzaamheden hebben verricht. U geeft aan gebruik gemaakt te hebben van zzp’ers in verband met ziekteverzuim van uw werknemers en heeft hiervan facturen overgelegd. Daarom verwachten wij niet dat u in de toekomst zzp’ers gaat inzetten voor (passende) werkzaamheden voor werknemer. Hierbij hebben wij uitdrukkelijk overwogen dat u ons te kennen heeft gegeven dat u geen structurele werkzaamheden bij zzp’ers gaat beleggen. Het verweer van werknemer brengt ons daarom niet tot een ander oordeel.

(…)”.

2.7.

In de beslissing van het UWV is een wederindiensttredingsvoorwaarde opgenomen, die als volgt luidt:

“Als u [Infour] binnen 26 weken na bekendmaking van deze beschikking, dezelfde werkzaamheden als die werknemer [ [verzoeker] ] verrichtte door een ander laat verrichten, zonder eerst werknemer in de gelegenheid te stellen die werkzaamheden op de bij u gebruikelijke voorwaarden te hervatten, dan kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer u veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van de dag waarop deze is geëindigd of aan de werknemer ten laste van u een billijke vergoeding toe te kennen”.

2.8.

Bij brief van 1 december 2015 heeft Infour, met gebruikmaking van de toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen 1 februari 2016.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- Primair:

I. de opzegging te vernietigen, althans de arbeidsovereenkomst te herstellen per 1 februari 2016, althans per een in goede justitie te bepalen datum;

II. Infour te verplichten [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de in dezen te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, althans de re-integratie voort te zetten, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Infour hiermee in gebreke blijft;

III. Infour te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het loon vanaf 1 februari 2016, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW.

- Subsidiair:

IV. Infour te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van
€ 25.782,88 bruto onder aftrek van de te betalen transitievergoeding, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding;

V. Infour te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding ten bedrage van € 8.057,15 bruto;

VI. Infour te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een schadevergoeding van € 5.660,00 (exclusief btw) wegens schending van de in art. 7:611a BW neergelegde scholingsverplichting, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

VII. Het tussen Infour en [verzoeker] overeengekomen concurrentiebeding te vernietigen.

- Meer subsidiair:

VIII. Infour te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding ten bedrage van € 8.057,15 bruto.

- En in ieder geval:

IX. Infour te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente over het hiervoor verschuldigde vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

X. Infour te veroordelen in de kosten van dit geding, die door [verzoeker] ten aanzien van deze procedure worden begroot op € 2.500,00 (exclusief btw), te vermeerderen met de kosten van de procedure bij het UWV ten bedrage van € 8.194,73, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.

3.2.

Als eerste grondslag heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij ten tijde van het indienen van de ontslagaanvraag bij het UWV arbeidsongeschikt wegens ziekte was (en er dus een opzegverbod in de zin van art 7:670 lid 1 BW gold). Omdat Infour heeft opgezegd in strijd met art. 7:670 BW, is op grond van art. 7:681 lid 1, onderdeel b, BW de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigbaar. Als tweede grondslag heeft Infour aangevoerd dat er geen redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:669 lid 3, onderdeel a of b, BW is. Ingevolge art. 7:682 lid 1 BW kan in een dergelijk geval de werkgever door de kantonrechter worden veroordeeld de arbeidsovereenkomst te herstellen.

Ten derde heeft Infour volgens [verzoeker] de in de beslissing van het UWV opgenomen wederindiensttredingsvoorwaarde geschonden. Op grond van art. 7:681 lid 1, onderdeel d, BW is de opzegging van de arbeidsovereenkomst ook om die reden vernietigbaar. De grondslagen van de overige vorderingen vloeien deels al uit die vorderingen zelf voort. Voor zover dat niet het geval is, wordt kortheidshalve verwezen naar het verzoekschrift, de pleitaantekeningen en de ter zitting gegeven toelichting.

3.3.

Infour heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

Tijdigheid verzoek

4.1.

[verzoeker] heeft het onderliggende verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Infour is beëindigd (art. 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

Arbeidsongeschiktheid wegens ziekte ten tijde indienen ontslagaanvraag UWV?

4.2.

Allereerst dient te worden beoordeeld op welk moment de ontslagaanvraag bij het UWV is ingediend. Op de als productie 3 bij verzoekschrift overgelegde “verzoek voor ontslagvergunning” van Infour d.d. 6 oktober 2015 staat een stempel voor ontvangst van het UWV WERKbedrijf afd. AJD Eindhoven. Blijkens die stempel is deze persoonlijk door de gemachtigde van Infour overhandigde ontslagaanvraag inderdaad op 6 oktober 2015 door het UWV ontvangen. Echter, op 18 september 2015 is de ontslagaanvraag door de gemachtigde van Infour met gebruikmaking van de door het UWV verplicht gestelde formulieren reeds digitaal ingediend. Dat blijkt uit de hiervoor reeds aangehaalde verzoek van Infour d.d.
6 oktober 2015, waarin de gemachtigde van Infour schrijft: “Op 18 september 2015 heb ik namens Infour (…) digitaal een verzoek voor ontslagvergunning ingediend”. Daar komt bij dat bij dit op 6 oktober 2015 persoonlijk overhandigde verzoek van Infour een schriftelijke ontvangstbevestiging van de digitale ontslagaanvraag is gevoegd. In die bevestiging staat onder “Datum aanlevering document(en)” 18-09-2015 vermeld. Onder “Uw melding” staat eveneens dat alle daar genoemde formulieren op 18 september 2015 zijn ontvangen. De door de gemachtigde van Infour in die brief van 6 oktober 2015 gegeven toelichting dat het UWV die op 18 september 2015 ingediende digitale ontslagaanvraag met onderliggende stukken niet meer kon lokaliseren, strookt met de lezing van Infour dat haar gemachtigde daarom op 6 oktober 2015 die stukken alsnog persoonlijk bij het UWV heeft overhandigd. De conclusie is dat de datum waarop de digitale ontslagaanvraag door de gemachtigde van Infour bij het UWV is ingediend, 18 september 2015, als de datum van de indiening van de ontslagaanvraag moet worden aangemerkt. Vervolgens dient te worden beoordeeld of [verzoeker] op die datum wegens ziekte ongeschikt was om de bedongen arbeid te verrichten.

4.3.

Uit de feiten (zie rechtsoverweging 2.3.) volgt dat [verzoeker] op 4 september 2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts is verschenen en dat die bedrijfsarts heeft geconcludeerd: “Volledig hervat met restklachten. Hersteldmelding mogelijk”. Niet in geschil is dat Infour ook tot een hersteldmelding is overgegaan. Alhoewel [verzoeker] heeft bepleit dat hij pas in de UWV-procedure vernam dat hij hersteld was gemeld en daardoor geen deskundigenoordeel bij het UWV heeft kunnen aanvragen, overtuigt dat pleidooi geenszins. Als bijlage 1 bij het verweerschrift is een e-mailbericht van [verzoeker] aan [naam directeur] (directeur Infour) d.d. 21 september 2015 overgelegd. Daarin bericht [verzoeker] : “ [naam directeur] , wil graag even reageren via deze weg. Ben nog erg emotioneel omdat je mijn ontslag [ontslagaanvraag UWV] hebt aangevraagd. Voel me er ook slecht door. Was net blij weer volledig inzetbaar te zijn na mijn herstelperiode [onderstreping kantonrechter]. Ondanks de grote klap geef ik aan dat ik mijn werk graag wil voortzetten totdat er duidelijkheid is voor iedereen. Het ligt ook niet in mijn aard om het werk te laten liggen”. Uit deze e-mail moet worden afgeleid dat [verzoeker] ook zelf van mening was dat hij, voordat op 18 september 2015 de ontslagaanvraag bij het UWV werd ingediend, weer arbeidsgeschikt was en dat Infour hem aldus terecht hersteld heeft gemeld. Indien [verzoeker] het niet eens was met het bij hem wel bekende advies van de bedrijfsarts van 4 september 2015, waarin expliciet stond opgenomen dat herstelmelding mogelijk was, had het op de weg van [verzoeker] gelegen om tegen dat advies te ageren. Dat heeft hij evenwel nagelaten. Evenmin heeft hij bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd, zodat de kantonrechter dient uit te gaan van de juistheid van het advies van de bedrijfsarts van 4 september 2015.

4.4.

De conclusie uit het vorenstaande is dat Infour niet heeft opgezegd in strijd met art. 7:670 BW, zodat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet op die grond vernietigbaar is. De kantonrechter komt toe aan de beoordeling van de tweede grondslag van het verzoek van [verzoeker] .

Redelijke grond voor opzegging arbeidsovereenkomst?

4.5.

Vooropgesteld wordt dat alle omstandigheden ten tijde van de opzegging door de kantonrechter in aanmerking worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts meegewogen worden voor zover zij aanwijzingen opleveren voor hetgeen niet later dan op voormeld tijdstip verwacht kon worden. Verder staat het een werkgever vrij om zijn onderneming zo in te richten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang, maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in het algemeen. Bij toetsing van die beslissing past een zekere mate van terughoudendheid. Infour heeft zich tegenover het UWV daarover moeten verantwoorden. Het UWV heeft de door haar van Infour verlangde informatie en de reactie van [verzoeker] daarop getoetst en vervolgens beslist dat Infour aannemelijk heeft gemaakt dat het verval van de arbeidsplaats van [verzoeker] noodzakelijk is in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering (verwezen wordt naar rechtsoverweging 2.6.).

4.5.1.

Evenals het UWV, is de kantonrechter van oordeel dat Infour genoegzaam heeft onderbouwd dat er over 2013 tot september 2015 sprake is van een teruglopende omzet en werkvermindering. De conclusie van het UWV dat Infour aannemelijk heeft gemaakt dat het vanwege bedrijfseconomische omstandigheden noodzakelijk is dat er bij haar arbeidsplaatsen verdwijnen, wordt dan ook door de kantonrechter gedeeld. Dat de functie van [verzoeker] , art director, een unieke functie is waardoor het afspiegelingsbeginsel niet aan de orde is, is in de onderhavige procedure niet langer voldoende gemotiveerd betwist. Gelet op het vorenstaande is de beslissing van het UWV om toestemming te verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet onbegrijpelijk, zeker gelet op de terughoudendheid die de kantonrechter bij zijn beoordeling dienaangaande dient te betrachten. Omdat hiervoor is overwogen dat alle omstandigheden ten tijde van de opzegging dienen te worden meegenomen, behoeven de eerst bij verweerschrift als bijlage IV overgelegde financiële stukken (bijvoorbeeld over de eerste vier maanden van 2016) niet te worden meegewogen. Die stukken waren immers ten tijde van de opzegging nog niet voorhanden. Overigens, en dat ziet [verzoeker] zelf ook in, bevestigen ook die stukken een beeld van een (verdere) teruggang in omzet. De omstandigheid dat die stukken niet geaccordeerd zijn door een registeraccountant maakt dat niet anders.

4.6.

Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat het UWV in haar beslissing op de ontslagaanvraag als volgt heeft overwogen (zie rechtsoverweging 2.6.): “(…) U geeft aan gebruik gemaakt te hebben van zzp’ers in verband met ziekteverzuim van uw werknemers en heeft hiervan facturen overgelegd. Daarom verwachten wij niet dat u in de toekomst zzp’ers gaat inzetten voor (passende) werkzaamheden voor werknemer. Hierbij hebben wij uitdrukkelijk overwogen dat u ons te kennen heeft gegeven dat u geen structurele werkzaamheden bij zzp’ers gaat beleggen”. In de thans gevoerde procedure heeft [verzoeker] bepleit dat Infour inmiddels structureel zzp’ers inzet voor werkzaamheden die [verzoeker] ook kan verrichten. Naar de kantonrechter begrijpt, beoogt [verzoeker] hier mee te stellen dat Infour de arbeidsovereenkomst met hem heeft opgezegd onder opgave van een valse of voorgewende reden (terminologie ontleend aan art. 7:681 (oud) BW, zoals dat voor de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid gold). Dit verweer slaagt niet, nu de ontslagaanvraag bij het UWV op bedrijfseconomische redenen is gegrond en daar geen andere (valse of voorgewende) redenen aan ten grondslag zijn gelegd. Dat het UVW in haar beslissing op de ontslagaanvraag de verwachting heeft uitgesproken dat Infour in de toekomst geen zzp’ers gaat inzetten voor (passende) werkzaamheden voor [verzoeker] , maakt nog niet dat – indien komt vast te staan dat de werkgever die verwachting niet waarmaakt – er automatisch ook sprake is van een valse of voorgewende reden. De inzet van zzp’ers na het verkrijgen van de beslissing van het UWV is wel relevant voor de hierna te beoordelen (beweerde) schending van de wederindiensttredingsvoorwaarde door Infour.

4.7.

De conclusie is dat niet is opgezegd in strijd met art. 7:669 lid 3, onderdeel a of b, BW. De tweede grondslag van het verzoek, veroordeling van de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst, mist daarmee doel.

Schending wederindiensttredingsvoorwaarde?

4.8.

De kantonrechter komt mitsdien toe aan de beoordeling van de vraag of de wederindiensttredingsvoorwaarde, zoals die in de beslissing op de ontslagaanvraag van het UWV d.d. 30 november 2015, is opgenomen, door Infour is overtreden. Vastgesteld wordt dat deze wederindiensttredingsvoorwaarde is gebaseerd op het bepaalde in art. 7:681 lid 1, onderdeel d, BW, zodat ook de gevolgen van een (eventuele) schending van die voorwaarde door dit artikel worden gereguleerd. Vanwege de leesbaarheid wordt die voorwaarde (zie ook rechtsoverweging 2.7.) hier nogmaals weergegeven:

“Als u [Infour] binnen 26 weken na bekendmaking van deze beschikking, dezelfde werkzaamheden als die werknemer [ [verzoeker] ] verrichtte door een ander laat verrichten, zonder eerst werknemer in de gelegenheid te stellen die werkzaamheden op de bij u gebruikelijke voorwaarden te hervatten, dan kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer u veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van de dag waarop deze is geëindigd of aan de werknemer ten laste van u een billijke vergoeding toe te kennen”.

4.9.

De beschikking van het UWV is gedateerd op 30 november 2015, zodat deze datum als datum van bekendmaking geldt. Uit de zinsnede “door een ander laat verrichten” volgt dat deze voorwaarde ook geldt indien een uitzendkracht of zzp’er wordt ingehuurd voor dezelfde werkzaamheden als de werkzaamheden die voorheen door werknemer werden verricht. Niet vereist is dus dat die ander bij de werkgever in dienst treedt. Dat er door Infour een zzp’er (in de persoon van [naam zzp-er] ) is ingezet voor dezelfde werkzaamheden als [verzoeker] voorheen verrichtte (het project verhuurgids Boels), staat als niet weersproken vast. Ook staat als niet weersproken vast (verwezen wordt naar pagina 6, eerste alinea van het verweerschrift van Infour) dat [naam zzp-er] die werkzaamheden in de periode november 2015 tot en met februari 2016 (dus binnen 26 weken na 30 november 2015) voor Infour heeft verricht. Alhoewel partijen discussiëren over de vraag of de inzet van [naam zzp-er] als zzp’er (en nog enkele andere zzp’ers) structurele of niet structurele werkzaamheden betreft, is die discussie blijkens de door het UWV geformuleerde voorwaarde helemaal niet relevant. Uit de hiervoor weergegeven wederindiensttredingsvoorwaarde blijkt namelijk niet dat het om structurele werkzaamheden moet gaan. Voldoende is immers dat “dezelfde werkzaamheden” door een ander worden verricht. En daarvan is sprake. Sterker nog: op pagina 6 van haar verweerschrift heeft Infour het navolgende aanbod gedaan: “Indien [verzoeker] bereid is om op basis van zzp’er werkzaamheden te verrichten, dan kan hij dit kenbaar maken, maar dan zal dit, vanwege het sterk afnemende volume aan opdrachten helaas zeer beperkt zijn”. Hieruit volgt dat er nog steeds, zij het in verminderde omvang, werkzaamheden zijn die voorheen door [verzoeker] werden verricht.

4.10.

Voor zover uit het lichaam van de beslissing van het UWV (“hierbij hebben wij uitdrukkelijk overwogen dat u ons te kennen heeft gegeven dat u geen structurele werkzaamheden bij zzp’ers gaat beleggen”) zou moeten volgen dat de wederindiensttredingsvoorwaarde wel ziet op het verrichten van structurele werkzaamheden, dan nog kan het verweer van Infour niet worden gevolgd. Het inzetten van zzp’er [naam zzp-er] gedurende vier maanden teneinde het project verhuurgids Boels te voltooien, kan bezwaarlijk als niet structureel worden aangemerkt.

4.11.

Ten slotte staat vast dat Infour [verzoeker] niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn werkzaamheden op de bij Infour gebruikelijke voorwaarden te hervatten. Het in deze procedure door Infour gedane aanbod om als zzp’er werkzaamheden te verrichten is te laat gedaan en bovendien kan dat aanbod niet worden aangemerkt als een aanbod om de werkzaamheden op de gebruikelijke voorwaarden (krachtens arbeidsovereenkomst) te hervatten.

4.12.

Derhalve moet geconcludeerd worden dat Infour de wederindienst-tredingsvoorwaarde, zoals die is vermeld in de beslissing op de ontslagaanvraag van het UWV d.d. 30 november 2015, heeft overtreden. Ofschoon Infour heeft aangevoerd dat Boels in de persoon van marketingmanager [naam marketingmanager] aan haar heeft laten weten dat [verzoeker] uit de communicatielijn met Boels moet worden gegooid, laat dat onverlet dat vaststaat dat [verzoeker] ook op de achtergrond werkzaamheden voor Boels kan uitvoeren en dat dit in de periode dat hij nog werkzaamheden voor Infour verrichtte ook zo gebeurde. In de onwenselijkheid van de inzet van [verzoeker] voor Boels kan dan ook geen rechtvaardiging voor overtreding van de wederindiensttredingsvoorwaarde worden gevonden.

4.13.

De conclusie is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van het bepaalde in art. 7:681 lid 1, onderdeel d, BW vernietigbaar is.

Conclusie

4.14.

Aangezien de opzegging vernietigbaar is, leidt dit ertoe dat de opzegging nooit heeft plaatsgevonden en de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan. De primair gevorderde vernietiging van de opzegging is dan ook toewijsbaar (voor herstel van de arbeidsovereenkomst bestaat geen grondslag).

4.15.

Niet gesteld of gebleken is dat de arbeidsverhouding tussen partijen dermate verstoord is (geraakt) dat van een vruchtbare samenwerking geen sprake meer kan zijn. De vordering om [verzoeker] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, althans de re-integratie voort te zetten, zal op hierna te bepalen wijze worden toegewezen, met dien verstaande dat de dwangsom wordt gemaximeerd op € 15.000,00.

4.16.

Vanwege het voortduren van de arbeidsovereenkomst is Infour gehouden om het loon van [verzoeker] te voldoen vanaf de datum van de opzegging (1 februari 2016). Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is. De kantonrechter kan daar evenwel geen oordeel over geven. Bovendien is het antwoord op die vraag voor de beoordeling niet relevant, behoudens voor de bepaling van de omvang van de loonbetalingsplicht van Infour. In art. 6.2. van de arbeidsovereenkomst is namelijk bepaald dat ingeval van ziekte van werknemer de werkgever vanaf de eerste ziektedag de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot 95% van het bedrag van het overeengekomen bruto-maandsalaris zal aanvullen gedurende het eerste ziektejaar en tot 75% gedurende het tweede ziektejaar (1e en 2e jaar samen maximaal 170%). Bij de hierna uit te spreken veroordeling van Infour tot betaling van het loon zal uitdrukkelijk worden overwogen dat daarbij het bepaalde in art. 6.2. van de arbeidsovereenkomst in acht dient te worden genomen indien hij nog steeds arbeidsongeschikt wegens ziekte is.

4.17.

Infour heeft geen beroep op matiging van die loonvordering ex art. 7:680a BW gedaan, zodat de kantonrechter daartoe niet zal overgaan. Overigens zou een dergelijk verzoek tot matiging van de loonvordering niet zijn gehonoreerd, nu Infour de wederindiensttredingsvoorwaarde in de beslissing op de ontslagaanvraag heeft overtreden. De opstelling van Infour is arbeidsrechtelijk gezien dermate laakbaar dat een matiging van de loonvordering in omvang in geld en/of tijd niet op zijn plaats is. Dat ligt anders voor de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het niet tijdig voldane loon. De wettelijke verhoging is verschuldigd indien de niet tijdige voldoening van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. Daarvan is sprake. Alhoewel Infour niet om matiging van de wettelijke verhoging heeft verzocht, zal de kantonrechter daartoe ambtshalve overgaan. Voornaamste reden voor matiging is de slechte bedrijfseconomische situatie waarin Infour verkeert. Indien daarbij ook nog alle andere omstandigheden van het geval worden meegewogen, is een matiging van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW tot 15% op zijn plaats. De wettelijke rente, die is verschuldigd door het betalingsverzuim, zal op hierna te bepalen wijze worden toegewezen.

Ten slotte

4.18.

Aan de beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen wordt niet meer toegekomen. Al hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd is door de kantonrechter meegewogen, maar kan niet tot een ander oordeel leiden.

Proceskosten

4.19.

[verzoeker] maakt aanspraak op een volledige vergoeding van proceskosten: zowel ten aanzien van de kosten gemaakt in de UWV-procedure als ten aanzien van kosten gemaakt in de onderhavige procedure. Een volledig dekkende proceskostenveroordeling wordt slechts toegewezen als degene die in het ongelijk wordt gesteld de andere partij zonder enige noodzaak of redelijk belang tot procederen heeft gedwongen. Gesteld noch gebleken is dat dit ten aanzien van Infour zou gelden. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd kan ook niet worden ingezien waarom een (volledige) vergoeding van de kosten gemaakt in de UWV-procedure op zijn plaats is. Infour dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , berekend volgens het gebruikelijke tarief. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:

- griffierecht: € 223,00
- salaris gemachtigde: € 400,00

Totaal: € 623,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

vernietigt de bij brief van 1 december 2015 met ingang van 1 februari 2016 gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst door Infour;

5.2.

veroordeelt Infour om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, althans – voor zover vast komt te staan dat [verzoeker] wegens ziekte (nog) niet in staat is om de bedongen werkzaamheden te verrichten – de re-integratie voort te zetten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 500,00 per dag dat Infour hiermee in gebreke blijft, met een maximum verbeurte van
€ 15.000,00;

5.3.

veroordeelt Infour tot betaling aan [verzoeker] van het loon van € 2.984,13 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten), met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in art. 6.2. van de arbeidsovereenkomst indien [verzoeker] nog steeds arbeidsongeschikt is wegens ziekte, vanaf 1 februari 2016 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de tot 15% gematigde wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het achterstallige loon en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt Infour tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [verzoeker] zijn begroot op € 623,00;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Groen en is in het openbaar uitgesproken.