Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5104

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
03/220111 \ HA RK 16-92
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Geen zeer bijzondere omstandigheden om een wrakingskamer samen te stellen met rechters uit een ander gerecht; wijze van regievoeren geen grond voor vooringenomenheid; geen gronden die zijn terug te voeren op gedragingen, uitlatingen dan wel andere feiten en omstandigheden die moeten worden toegerekend aan de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Wrakingskamer

Zittingslocatie Roermond

Datum beslissing: 16 juni 2016

Zaaknummer: 03/220111 \ HA RK 16-92

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van:

Taxi Horn Tours B.V.,

gevestigd te Horn,

verzoekster,

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. G.J. Krens, kantonrechter in de rechtbank Limburg (hierna ook: de kantonrechter).

1 Procesverloop

1.1.

Ter zitting op 28 april 2016 heeft ten overstaan van de kantonrechter de comparitie plaatsgehad in de zaak tussen Principia Solutions B.V. (verschenen in persoon en bijgestaan door mr. A. van Oosten) en verzoekster, voor wie [A] en [B] zijn verschenen. Namens verzoekster is ter zitting een verzoek ingediend ter wraking van de kantonrechter. Daarbij is tevens verzocht een andere wrakingskamer dan de wrakingskamer van de rechtbank Limburg het verzoek te laten behandelen.

1.2.

De kantonrechter heeft de wrakingskamer bericht niet in het verzoek tot wraking te berusten. Zij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.3.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van de wrakingskamer op 7 juni 2016, waar verzoekster, vertegenwoordigd door de heer [B] , is verschenen. De kantonrechter is wegens ziekte niet verschenen.

1.4.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

Ter comparitie zijn de volgende gronden van het verzoek geformuleerd en in het proces-verbaal van zitting neergelegd:

Mr. van Oosten heeft de kantonrechter gesommeerd de heer [B] niet zoveel ruimte te geven in deze zaak, waarna de heer [B] van mening is dat hij niet meer vrijelijk kan spreken en de kantonrechter hem meermaals op onjuiste wijze heeft onderbroken. Hierdoor is de heer [B] van mening dat hij niet de juiste verdediging kan voeren tegen de civiele claim van Principia. Daarnaast speelt dat de heer [B] in de afgelopen jaren in deze rechtbank meerdere rechters succesvol gewraakt heeft, er een aanzienlijke aansprakelijkstelling ligt jegens de rechtbank Limburg, er een rijksrecherche onderzoek loopt onder de naam Arosa tegen meerdere rechters en er eerder door de wrakingskamer van de rechtbank Limburg is vastgesteld dat een zaak waar de heer [B] bij betrokken is, als bestuurder of privépersoon onbevangen beoordeeld kan worden.

Wegens bovenstaande en onder verwijzing naar het wrakingsprotocol verzoekt de heer [B] een andere wrakingskamer dan de wrakingskamer van de rechtbank Limburg toe te wijzen.

Samengevat is de heer [B] van mening dat deze rechtbank bevooroordeeld is in haar toetsing van deze zaak.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft de heer [B] stukken overgelegd ter onderbouwing van het verzoek om toepassing van onderdeel 5.5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg.

3 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft in haar schriftelijke reactie aangegeven dat zij beide partijen in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunten toe te lichten en te reageren op elkaars standpunten. Beide partijen zijn door haar meerdere keren onderbroken als zij afdwaalden van het aan de orde zijnde geschil en als zij onheus taalgebruik bezigden. De behandeling is volgens de kantonrechter naar aanleiding van de opmerking van mr. Van Oosten niet anders verlopen.

Voorts heeft de kantonrechter zich op het standpunt gesteld dat de ervaringen van de heer [B] met andere rechters in de rechtbank Limburg niet maakt dat haar rechterlijke onpartijdigheid als behandelend rechter in het geschil dat ter comparitie op 28 april 2016 werd behandeld schade lijdt.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun – onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met gedrag en de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoeker relevant, maar is doorslaggevend of de zijdens verzoeker gestelde twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

4.2.

Met betrekking tot het verzoek om toepassing van onderdeel 5.5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingsprocedure vindt haar grondslag in de wet, in dit geval in de artikelen 36 tot en met 41 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Daarin wordt ook de te volgen procedure geregeld, evenals de taken en de bevoegdheden van de wrakingskamer en de partijen in dit kader. Artikel 39 Rv bepaalt dat het verzoek tot wraking wordt behandeld door een meervoudige kamer waarin de gewraakte rechter geen zitting heeft. Uitgangspunt van de wet is dat een wrakingsverzoek in het eigen gerecht wordt behandeld.

Met paragraaf 5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg is, gegeven het wettelijk kader, beoogd te bereiken dat de leden van de wrakingskamer voldoende afstand hebben tot de gewraakte rechter. Volgens onderdeel 5.5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg kan in zeer bijzondere gevallen, ter beoordeling van de algemeen voorzitter van de vaste wrakingskamer, worden overwogen om voor het formeren van een wrakingskamer een beroep te doen op rechters uit een andere rechtbank. Dat in deze zaak sprake zou zijn van een dergelijk zeer bijzonder geval heeft verzoekster onderbouwd met verwijzing naar ervaringen van de heer [B] in eerdere procedures en verzoeken tot wraking van andere rechters. De heer [B] meent dat de onpartijdigheid van de wrakingskamer van de rechtbank Limburg in het geding is vanwege die eerdere procedures en verzoeken en een daaruit voortvloeiende aansprakelijkheidsstelling. Hij is van mening dat de rechters van de rechtbank Limburg niet meer onbevangen tegenover hem als persoon staan. De heer [B] vindt het wenselijk om onderhavige wrakingsprocedure te laten behandelen door rechters uit een andere rechtbank om alle schijn van partijdigheid te voorkomen.

4.3.

De wrakingskamer ziet in de voorgeschiedenis die de heer [B] aanhaalt en die geheel samenhangt met een hem persoonlijk betreffende strafzaak geen aanleiding om zeer bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 5.5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg aanwezig te achten. Thans treedt de heer [B] immers op in een civiele (kanton)zaak als bestuurder van een B.V. Dat hij dat tevens doet als vriendendienst maakt de (juridische) verhouding niet anders. Noch collegiale verhoudingen binnen het gerecht, noch bekendheid met eerdere zaken, procedures of rechterlijke oordelen, zijn zodanig dat daaruit voortvloeit dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die aanleiding geven af te wijken van het wettelijk uitgangspunt een verzoek tot wraking te behandelen in het eigen gerecht door rechters van de eigen rechtbank.

Gelet op het vorenstaande ziet de wrakingskamer geen aanleiding de algemeen voorzitter van de wrakingskamer te adviseren in het onderhavige geval voor het formeren van een wrakingskamer een beroep te doen op rechters uit een andere rechtbank.

4.4.

De wrakingskamer stelt aan de hand van het verhandelde ter zitting op 7 juni 2016 en de schriftelijke reactie van de kantonrechter vast dat zij op de zitting van 28 april 2016 beide partijen de gelegenheid heeft gegeven hun standpunten naar voren te brengen en dat partijen daarvan daadwerkelijk gedurende ongeveer een half uur gebruik hebben gemaakt.

De kantonrechter heeft ter zitting de regie gevoerd door in te grijpen op die momenten dat partijen afdwaalden van het voorliggende geschil en bij onheus woordgebruik. Kennelijk heeft de heer [B] dit ingrijpen ervaren als wrakingswaardig, namelijk, volgens zijn beschrijving tegenover de wrakingskamer, op een moment dat kort tevoren van de zijde van de wederpartij een (suggestieve) opmerking is gemaakt. De wrakingskamer begrijpt dit zo dat verzoekster aan haar verzoek tot wraking ten grondslag heeft gelegd dat uit de wijze waarop de kantonrechter ter zitting de regie heeft gevoerd, blijkt van subjectieve partijdigheid dan wel van (de schijn van) vooringenomenheid bij de kantonrechter.

4.5.

Dienaangaande overweegt de wrakingskamer dat het de rechter is die bij de behandeling ter zitting de regie voert en de goede procesorde bewaakt. Dat betekent dat het aan de rechter is om, binnen de grenzen van de wet, te bepalen welke partij, wanneer en hoe lang gelegenheid krijgt om het woord te voeren. Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van deze taak. De zitting van 28 april 2016 was een comparitie en diende primair ter voorlichting van de behandelend rechter.

De wijze waarop de kantonrechter blijkens het proces-verbaal van de zitting en de weergave van de gang van zaken door de heer [B] tegenover de wrakingkamer invulling heeft gegeven aan haar taak is niet zodanig onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. De heer [B] heeft de wrakingskamer er niet van overtuigd dat met het (laatste) ingrijpen door de kantonrechter blijkt van gronden voor het aannemen van partijdigheid of een schijn van partijdigheid bij de rechter. De subjectieve beleving van de heer [B] is weliswaar tegen de achtergrond van zijn ervaringen te begrijpen, maar is daarvoor onvoldoende. Deze grond slaagt niet.

4.6.

Voor zover de heer [B] ter onderbouwing van het verzoek tot wraking van de kantonrechter heeft betoogd dat een zaak waar hij bij is betrokken, als bestuurder of als privépersoon, niet onbevangen door de rechtbank Limburg, en dus ook door de kantonrechter in kwestie, kan worden beoordeeld, overweegt de wrakingskamer dat hierbij niet blijkt van gronden die zijn terug te voeren op gedragingen, uitlatingen dan wel andere feiten en omstandigheden die moeten worden toegerekend aan de kantonrechter. Deze grond slaagt evenmin.

4.7.

Nu geen sprake is van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat er gronden zijn voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de kantonrechter, is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking van mr. G.J. Krens af.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. W.T.M. Raab en mr. M.A. Teeuwissen, leden, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en uitgesproken op 16 juni 2016.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.