Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:5048

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
03/138597-15 en 03/041580-15 (ttg)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 55, tweede lid Wetboek van Strafrecht; artikel 227b Wetboek van Stafrecht; artikel 25 en 27A Werkloosheidswet (WW); artikel 12 en 14A Toeslagenwet (TW).

Verhouding tussen het opleggen van een bestuurlijke boete ex de artikelen 27A WW en 14A TW en de vervolging ex 227b Wetboek van Strafrecht; uit bewoordingen blijkt niet van een lex specialis ten opzichte van een lex generalis.

De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot “Wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete” geeft aan dat een overtreding van de inlichtingenverplichting van de sociale zekerheidswetten zowel een bestuursrechtelijke overtreding als een strafbaar feit kan opleveren. De Memorie van Toelichting verwijst naar de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude waarbij het opsporings- en vervolgingsbeleid is vastgelegd met betrekking tot fraude met uitkeringen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving.

De Aanwijzing stelt dat gelet op het una via-beginsel, in elke zaak bij de sanctionering gekozen dient te worden tussen het bestuurlijke of strafrechtelijke traject. Om richting te geven aan het una via-beginsel worden vervolgens twee categorieën onderscheiden in de Aanwijzing. In beginsel worden zaken van de “eerste categorie” bestuursrechtelijk afgedaan. Dat betreft zaken met een benadelingsbedrag kleiner dan 50.000,00 euro. Zaken van de “tweede categorie” worden strafrechtelijk afgedaan, dat zijn zaken met een benadelingsbedrag groter of gelijk aan 50.000,00 euro. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Dat is het geval bij een combinatie van sociale zekerheidsfraude met een of meer (andersoortige) strafbare feiten. Dan wordt de combinatie met fiscale, economische en commune delicten meegewogen in de beoordeling of een zaak met een benadelingsbedrag tot 50.000,00 toch strafrechtelijk dient te worden aangepakt. Dat is in casu het geval, nu er behalve sociale zekerheidsfraude ook sprake is van een verdenking van hennepteelt en diefstal van stroom.

De strafrechtelijke vervolging van verdachte op grond van artikel 227b Sr is conform de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude van het Openbaar Ministerie.

Aan de verdachte is ook feitelijk geen bestuurlijke boete opgelegd, zodat ook van ne bis in idem geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/138597-15 en 03/041580-15 (ttzgev)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 juni 2016. De officier van justitie en de verdachte hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 03/138597-15:

de aan een sociale zekerheidsuitkering verbonden verplichting inlichtingen te verstrekken niet is nagekomen.

Ten aanzien van parketnummer 03/041580-15:

1. een hennepkwekerij met 43 hennepplanten heeft gehad;

2. elektriciteit heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt zich ambtshalve de vraag of de officier van justitie ontvankelijk kan worden verklaard in de vervolging van de overtreding van het bepaalde in artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als ten laste gelegd onder parketnummer 03/138597-15.

Het betreft het niet-nakomen van de aan een sociale zekerheidsuitkering verbonden verplichting inlichtingen te verstrekken, in dit geval de inlichtingenverplichting als neergelegd in artikel 25 van de Werkloosheidswet (hierna: WW) en artikel 12 van de Toeslagenwet (TW).

De rechtbank stelt vast dat er op het niet naleven van de inlichtingenplicht van voornoemde artikelen in de WW in artikel 27a WW en in de TW in artikel 14A TW ook bestuursrechtelijke sanctiebepalingen zijn opgenomen, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) worden opgelegd. Dat roept de vraag op of de artikelen 27A WW en 14A TW als lex specialis hebben te gelden ten opzichte van artikel 227b Sr en aan een vervolging door de officier van justitie van artikel 227b Sr in de weg staan, dan wel dat deze bestuursrechtelijke en strafrechtelijke bepalingen nevengeschikt zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het opleggen van een bestuurlijke boete als aan de orde een punitieve sanctie, een ‘criminal charge’1 betreft.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank kan uit de bewoordingen van de hiervoor genoemde bestuursrechtelijke sanctiebepalingen en artikel 227b Sr niet afleiden dat er sprake is van een lex specialis tegenover een lex generalis. Ook valt uit de wetsartikelen niet op te maken in welke gevallen het bestuursrechtelijke boeteregime heeft te gelden en wanneer artikel 227b Sr aan de orde is.
De rechtbank stelt vast dat er ook anderszins geen wettelijke bepaling is waar de verhouding tussen de bestuursrechtelijke boetebepalingen en artikel 227b Sr nader is bepaald. Dat duidt er op dat de bepalingen nevengeschikt zijn, en dat het aan de uitvoeringspraktijk is overgelaten hoe hier met beleid mee om te gaan.

Voor dit standpunt zijn ook aanknopingspunten te vinden in, onder meer, de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot “Wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete”. De Memorie van Toelichting vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:2

“[…] De regering kiest er vooralsnog niet voor het sanctiestelsel en daarmee de verhouding tot het strafrecht, aan te passen. Een overtreding van de inlichtingenverplichting kan zowel een bestuursrechtelijke overtreding opleveren als een strafbaar feit. In dit verband wordt verwezen naar de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude waarbij het opsporings- en vervolgingsbeleid is vastgelegd met betrekking tot fraude met uitkeringen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving. Daaruit volgt dat in beginsel bij een benadelingsbedrag hoger dan 50.000,00 euro door het uitvoeringsorgaan aangifte wordt gedaan van een strafbaar feit en dat bij benadelingsbedragen van 50.000,00 euro of lager in beginsel de overtreding bestuursrechtelijk wordt afgedaan. […].”

In de “Aanwijzing sociale zekerheidsfraude 2016” van het Openbaar Ministerie3 (hierna: de Aanwijzing), is, net als de ten tijde in geding geldende aanwijzing (geldend van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2016)4, het opsporings- en vervolgingsbeleid met betrekking tot fraude met uitkeringen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving, vastgelegd. Daarin is vermeld dat in geval van sociale zekerheidsfraude zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd.
De Aanwijzing stelt dat gelet op het una via-beginsel, in elke zaak bij de sanctionering gekozen dient te worden tussen het bestuurlijke of strafrechtelijke traject. Om richting te geven aan het una via-beginsel worden vervolgens twee categorieën onderscheiden in de Aanwijzing. In beginsel worden zaken van de “eerste categorie” bestuursrechtelijk afgedaan. Dat betreft zaken met een benadelingsbedrag kleiner dan 50.000,00 euro. Zaken van de “tweede categorie” worden strafrechtelijk afgedaan, dat zijn zaken met een benadelingsbedrag groter of gelijk aan 50.000,00 euro. In de Aanwijzing zijn tevens diverse uitzonderingen opgenomen om in afwijking van voornoemde benadelingsgrenzen een overtreding of strafrechtelijk of bestuursrechtelijk te kunnen afdoen. Wanneer sprake is van een uitzonderingssituatie, kan worden afgeweken van de hoofdregel en kan, voor zover hier relevant, een zaak met een benadelingsbedrag van kleiner dan 50.000,00 euro toch strafrechtelijk worden afgedaan. Dat is het geval bij een combinatie van sociale zekerheidsfraude met een of meer (andersoortige) strafbare feiten. Dan wordt de combinatie met fiscale, economische en commune delicten meegewogen in de beoordeling of een zaak toch strafrechtelijk dient te worden aangepakt.5 Dat is in dezen het geval, immers verdachte wordt tevens (en als eerste) verdacht van het aanwezig hebben van hennepplanten en diefstal (van electriciteit). De strafrechtelijke vervolging van verdachte op grond van artikel 227b Sr is derhalve conform de Aanwijzing. Aan de verdachte is ook feitelijk geen bestuurlijke boete opgelegd, zodat van ne bis in idem geen sprake is.

Gelet op het voorgaande en nu er daarvoor geen andere beletselen zijn, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit van 03/138597-15 en feit 1 van 03/041580-15 wettig en overtuigd bewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 van 03/041580-15.

4.2

Het standpunt van de verdachte

De verdachte bekent het ten laste gelegde feit van 03/138597-15 en feit 1 van 03/041580-15 te hebben gepleegd. Hij ontkent echter ten aanzien van feit 2 van 03/041580-15 dat hij elektriciteit heeft gestolen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uitkeringsfraude (03/138597-15) 6

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij het UWV7 en ter terechtzitting8 en het proces-verbaal Werknemersfraude van verbalisant [verbalisant 1] ,9 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Hennepteelt (feit 1, 03/041580-15) 10
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie11 en ter terechtzitting12 en het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van verbalisanten
[verbalisant 2] en [verbalisant 3] ,13 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 heeft begaan.

Diefstal elektriciteit (feit 2, 03/041580-15)

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Uit het strafdossier is niet eenduidig vast te stellen welke (strafbare) handelingen feitelijk aan de meter zijn verricht en welke rol verdachte hierbij heeft gehad. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 2.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Ten aanzien van parketnummer 03/138597-15:

in het tijdvak van 1 januari 2013 tot en met 8 december 2013 te Landgraaf,

in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten krachtens artikel 25 van de Werkloosheidwet en artikel 12 Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de werkloosheidswet en de toeslagenwet, immers heeft, hij verdachte niet meegedeeld dat hij, verdachte werkzaamheden heeft verricht en inkomsten

heeft genoten.

Ten aanzien van parketnummer 03/041580-15:

1. op 9 december 2013 te Landgraaf opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres] ) 43 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van parketnummer 03/138597-15:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 03/041580-15:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdend met het tijdsverloop, gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft ten aanzien van de straftoemeting geen standpunt ingenomen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank letten op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder overweegt de rechtbank het navolgende.

Verdachte heeft een hennepkwekerij van 43 planten in zijn (boven)woning gehad. De verdachte is enkel uit geweest op financieel gewin, welk gewin hij heeft laten prevaleren boven de door de samenleving in wetten vastgelegde grenzen. Verdachte heeft zich willens en wetens schuldig gemaakt aan het overschrijden van die grenzen en daarmee aangegeven lak te hebben aan hetgeen dit voor de samenleving betekent. Door zijn handelswijze wordt de handel in soft drugs in stand gehouden. Een handel die verboden is onder meer omdat uit studies blijkt dat het gebruik van soft drugs de gezondheid van personen ernstige schade kan toebrengen. Verder gaat die handel gepaard met steeds zwaardere vormen van (georganiseerde) criminaliteit.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 december 2013 tevens schuldig gemaakt aan – kort gezegd – uitkeringsfraude, door niet op te geven dat hij in die periode hennep heeft geteeld en daaruit inkomsten heeft genoten. Het gevolg hiervan is dat verdachte ten onrechte een Werkloosheidsuitkering heeft genoten en een toeslag heeft ontvangen. Hij heeft daarbij enkel en alleen gehandeld om persoonlijk voordeel te realiseren. Daarbij heeft verdachte zich niets aangetrokken van de benadeling van de maatschappij doordat aan hem ten onrechte uitkeringen werden verstrekt. Het sociale zekerheidsstelsel is immers gebaseerd op solidariteit. Burgers betalen belastingen en premies teneinde de voorzieningen te bekostigen die bedoeld zijn om middelen van bestaan te garanderen aan diegenen die niet bij machte zijn deze op eigen kracht te verwerven. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Voor de straftoemeting hanteert de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten als vertrekpunt. Voor een hennepplantage van minder dan 100 planten is het oriëntatiepunt 1.000,- euro boete. Voor sociale zekerheidsfraude met een benadelingsbedrag van minder dan 10.000,- euro is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 1 week tot twee maanden of een taakstraf.

De rechtbank zal ten voordele van de verdachte rekening met de omstandigheid dat hij nimmer voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat verdachte de over voornoemde periode verstrekte WW-uitkering en toeslag, het zogenoemde benadelingsbedrag, ten bedrage van 9.274,97 euro volledig terug moet betalen aan het UWV.

De rechtbank is verder van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank sluit zich, bij de beoordeling van de vraag welke consequentie daaraan moet worden verbonden, aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. In zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad een aantal uitgangspunten ten aanzien van de redelijke termijn en de consequenties van overschrijding daarvan weergegeven. Verdachte is op 9 december 2013 aangehouden, terwijl nu, tweeënhalf jaar later, vonnis wordt gewezen. De rechtbank acht daarmee de redelijke termijn, mede in het licht van de aard van de zaak, geschonden, hetgeen tot een lagere strafoplegging leidt.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis passend en geboden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 2 (parketnummer 03/041580-15);

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. R.M.M. Kleijkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2016.

Buiten staat

Mr. R.M.M. Kleijkers en mr. J. Zijlstra zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Ten aanzien van parketnummer 03/138597-15:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2013 tot en met 8 december 2013

te Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Limburg, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten krachtens artikel 25 van de Werkloosheidwet en/of artikel 17 Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de werkloosheidswet en/of de toeslagenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft, hij verdachte niet meegedeeld dat hij, verdachte werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten.

Ten aanzien van parketnummer 03/041580-15:

1.hij op of omstreeks 9 december 2013 te Landgraaf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 43, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 9 december 2013 te Landgraaf met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit perceel [adres] heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

1 Vindplaats: ECLI:NL:CRVB:2001:AB0469.

2 Kamerstukken II 2015-2016, 34396, nr. 3, paragraaf 3.

3 Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, Staatscourant, nr. 12609 d.d. 14 maart 2016.

4 Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, Staatscourant, nr. 26827 d.d. 4 december 2012.

5 Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, Staatscourant, nr. 12609 d.d. 14 maart 2016, p. 2.

6 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisant in dienst bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, opgemaakte proces-verbaal, genummerd 1716623 d.d. 16 juni 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 21 mei 2014, bijlage 10.

8 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 juni 2016.

9 Proces-verbaal Werknemersfraude van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 16 juni 2014, inclusief de bijbehorende bijlagen.

10 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar de doorlopende paginanummering in het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie regio Limburg Zuid, leiding district Kerkrade, leiding basiseenheid Landgraaf opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2425-2013125820 d.d. 5 februari 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 9 december 2013, p. 71-77.

12 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 juni 2016.

13 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 5 februari 2014, p. 1-15.