Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4978

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
03/661208-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel overeenkomstig artikel 9a Wetboek van Strafrecht voor mishandeling van een sociotherapeut van de kliniek waar verdachte was opgenomen ten tijde van het incident.

Bij de verdachte is geen sprake van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661208-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr A.R.H. Baas, advocaat kantoorhoudende te Groningen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 mei 2016. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om aan een sociotherapeut van FPC De Rooyse Wissel opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel die sociotherapeut heeft mishandeld,

feit 2: een sociotherapeut van FPC De Rooyse Wissel heeft mishandeld.

3 De voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie op basis van sepotgrond 23, zoals opgenomen in de ‘Aanwijzing gebruik sepotgronden’, de zaak had moeten seponeren. In deze aanwijzing staat dat bij een reeds lopende TBS een nieuwe strafvervolging onnodig wordt geacht. Nu de officier van justitie niet heeft gekozen voor het seponeren van de zaak -wat de raadsvrouw een onbegrijpelijke en onjuiste keuze vindt- dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard. De raadsvrouw merkt hierbij op dat met de (voorzetting van de) vervolging geen door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, daar verdachte geen ergere straf kan treffen dan de straf die hij nu reeds uitzit; verdachte is immers eerder ter beschikking gesteld. Tevens staat het

gelijkheidsbeginsel eraan in de weg dat de zaak tegen verdachte niet wordt geseponeerd, nu in een zaak waarin verdachte zelf aangifte heeft gedaan van mishandeling door een medepatiënt door het Openbaar Ministerie wél is geseponeerd op grond van sepotcode 23.

Wanneer voornoemde, op zichzelf staande standpunten al niet kunnen leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie, voert de raadsvrouw aan dat de hiervoor ingenomen standpunten in samenhang met de overschrijding van de redelijke termijn alsnog tot een niet-ontvankelijkheid dienen te leiden.

Tot slot stelt de raadsvrouw dat het incident als één geheel moet worden gezien en dat aan verdachte dan ook slechts één feit ten laste gelegd had moet worden; sprake is van eendaadse samenloop dan wel van een voortdurend feit. Voor het tweede feit dient het Openbaar Ministerie dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de keuze om over te gaan tot vervolging bij uitstek aan het Openbaar Ministerie toekomt. Er is geen regel dat eenieder die ter beschikking is gesteld aanspraak kan maken op een sepot. Deze zaak komt niet voor sepot in aanmerking, nu de ernst van de zaak hieraan in de weg staat. Het in een kliniek werkend personeel dient te worden beschermd tegen personen als verdachte. De stelling dat het belang tot vervolging zou ontbreken nu verdachte reeds ter beschikking is gesteld, volgt de officier van justitie niet. Terbeschikkingstelling is een maatregel en geen straf. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen, daar de ene mishandeling de andere niet is; mishandelingen zijn er in alle soorten en maten. De officier van justitie merkt op overigens niet bekend te zijn met de door de raadsvrouw van verdachte genoemde geseponeerde zaak.

Het tijdsverloop in deze zaak kan eveneens niet tot een niet-ontvankelijkheid leiden, nu de redelijke termijn niet is geschonden. Op verzoek van de toenmalige raadsman van verdachte is een rapportage opgemaakt over de toerekeningsvatbaarheid en de detentiegeschiktheid van verdachte. Dit verzoek, dat door de rechtbank is toegewezen, maakte dat een inhoudelijke behandeling op de zitting van 17 november 2015 niet mogelijk was.

Van eendaadse samenloop, zoals betoogd door de raadsvrouw, is geen sprake. De feiten zijn niet gelijktijdig gebeurd en ook van een voortdurend feit of een voortgezette handeling kan niet worden gesproken. Het bijten van de sociotherapeut dient -anders dan de raadsvrouw betoogt- als een nieuw feit te worden aangemerkt. Samenloop, in de zin van artikel 55 of 56 Wetboek van Strafrecht, kan dan ook niet worden aangenomen, aldus de officier van justitie. De feiten zijn terecht als op zichzelf staande feiten ten laste gelegd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het opportuniteitsbeginsel komt aan de officier van justitie de beslissingsbevoegdheid toe een strafzaak al dan niet te vervolgen. De in de ‘Aanwijzing gebruik sepotgronden’ opgenomen gronden voor sepot doen aan de bevoegdheid van de officier van justitie niet af. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin leiden tot een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu in de praktijk zelden sprake zal zijn van volledig gelijke gevallen. Dat de voornoemde gronden in samenhang met de overschrijding van de redelijke termijn zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar

Ministerie, volgt de rechtbank niet; van overschrijding van de redelijke termijn is in deze zaak in het geheel geen sprake.

Voorts is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop. Ook het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de samenloop wordt dus verworpen.


De officier van justitie is dan ook ontvankelijk.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de sociotherapeut door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Mocht de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde komen, dan acht de officier van justitie het subsidiair tenlastegelegde bewezen. Het onder feit 2 ten laste gelegde dient eveneens bewezen te worden verklaard. Hierbij verdient opmerking dat verdachte bewust de keuze heeft gemaakt om de sociotherapeut te bijten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw betoogt dat verdachte niet opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan de sociotherapeut heeft willen toebrengen, noch dat hij hem opzettelijk heeft willen mishandelen. Opzet ontbreekt nu verdachte ten tijde van het incident volledig ontoerekeningsvatbaar was. De raadsvrouw heeft bepleit verdachte van alle feiten vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

Op 4 februari 2014 is door [naam senior-stafjurist] , uit hoofde van haar functie als senior-stafjurist bij F.P.C. De Rooyse Wissel, aangifte gedaan van mishandeling van sociotherapeut [naam sociotherapeut] (verder: de sociotherapeut).2 De sociotherapeut heeft bij de politie verklaard dat verdachte op 29 januari 2014 naar hem uithaalde met een tafelmes. Het betrof hier een normaal tafelmes, die allemaal redelijk bot zijn aan de voorzijde. De sociotherapeut voelde dat hij met behoorlijke kracht geraakt werd aan de linkerzijde van zijn borstkas, bij zijn hartstreek. Hij hoorde dat verdachte riep: “Dan ga ik je steken”. Toen de sociotherapeut zag dat verdachte weer op hem af wilde komen om hem te steken, greep hij een stoel en hield deze tussen hem en de verdachte in. Verdachte probeerde de sociotherapeut nog verschillende keren gericht te steken met het mes, maar hij weerde die steken af met de stoel waardoor alleen de stoel geraakt werd. De verdachte kreeg op een gegeven moment de stoel tussen hem en de sociotherapeut uit, waarna ze in gevecht kwamen. Hierbij kwamen zij op de vloer liggend of half liggend terecht. De sociotherapeut hield de verdachte zo goed en slecht als het ging onder bedwang. Op een gegeven moment had de verdachte met beide handen de linkerarm van de sociotherapeut vast en beet hem in zijn onderarm. De verdachte beet volgens de sociotherapeut zo hard als hij kon en bleef doorbijten. De arm was tot bloedens toe stukgebeten en van zijn onderarm heeft hij flink last gehad. De sociotherapeut heeft hieraan een behoorlijke ontsteking gekregen en heeft daarvoor antibiotica gekregen. De genezing heeft ongeveer 2 weken geduurd. Toen de sociotherapeut zijn borstkas controleerde zag hij dat hij met het mes precies op een rib was geraakt. De plek van de bloeduitstorting was wat pijnlijk en werd later blauw.3 De politie heeft foto’s gemaakt waarop zowel het letsel aan de borstkas als aan de arm van de sociotherapeut te zien is.4

Verdachte heeft zowel tijdens het verhoor bij de politie5 als ter zitting bekend6 dat hij de sociotherapeut op die betreffende dag met een tafelmes heeft gestoken en hem in zijn arm heeft gebeten.

Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het op

29 januari 2014 steken van de sociotherapeut met een mes, alsmede het bijten van de sociotherapeut, waardoor de sociotherapeut pijn en letsel heeft bekomen.

De rechtbank is van oordeel dat het primair onder feit 1 tenlastegelegde -een poging tot het opzettelijk toe brengen van zwaar lichamelijk letsel- niet kan worden bewezen, nu het mes waarmee verdachte de sociotherapeut heeft gestoken een redelijk bot tafelmes betreft. Hiermee kan naar het oordeel van de rechtbank geen zwaar lichamelijk letsel worden toegebracht. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De subsidiair tenlastegelegde mishandeling kan echter wel worden bewezen.

Het verweer van de raadsvrouw dat het opzet bij beide feiten niet kan worden bewezen, omdat verdachte haars inziens volledig ontoerekeningsvatbaar was, wordt door de rechtbank verworpen. In de eerste plaats omdat de rechtbank van oordeel is dat verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten. En in de tweede plaats omdat van het ontbreken van opzet onder bedoelde omstandigheden alleen dan sprake kan zijn indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. De rechtbank is van oordeel dat noch uit het dossier noch tijdens onderzoek ter zitting is gebleken dat hiervan sprake was.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 29 januari 2014 te Oostrum, in de gemeente Venray, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten een sociotherapeut van FPC De Rooyse Wissel), met een mes heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 2:

op 29 januari 2014 te Oostrum, in de gemeente Venray, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten een sociotherapeut van FPC De Rooyse Wissel), heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

mishandeling

ten aanzien van feit 2:

mishandeling.

Beide misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1

Het standpunt van de verdediging

Hoewel de deskundigen hebben geoordeeld dat sprake is van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, dient te worden aangenomen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Gezien het ziektebeeld van verdachte is het plausibel dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Verdachte dient dan ook ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

Voor het aannemen van volledige ontoerekeningsvatbaarheid bieden de rapportages geen aanknopingspunt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Psycholoog H.E.W. Koornstra en psychiater T.W.D.P. van Os hebben over de geestvermogens van de verdachte op 6 respectievelijk 5 maart 2016 beiden een rapport uitgebracht. Er is volgens de deskundigen bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis der geestesvermogen te weten een psychotische stoornis NAO en een autisme spectrum stoornis type MCDD (multiple complex development disorder). De ziekelijke stoornissen bestonden ook ten tijde van hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd. Het is aannemelijk dat de ziekelijke stoornissen met de problemen met de regulatie van emoties (snel oplopende spanning en agitatie, woedeaanvallen), zijn speciale beperkingen (niet kunnen verplaatsen in de ander, problemen met wederkerigheid, ambivalentie in relaties), zijn denkstoornissen (onderscheid fantasie-werkelijkheid, starheid en fixatie op regels en fouten van anderen, kinderlijk aandoende paranoïde en grootheidsideeën, een aan psychotisch grenzende belevingswereld die wordt gekleurd door magische maar ook agressieve overtuigingen), zijn impulsiviteit (denken is doen), het egocentrisme (slechte gewetensfunctie, geen schuldgevoel of spijt, geen verantwoordelijkheid nemen voor eigen gedrag, gericht op eigen wensen) en antisociale cognities (rechtvaardigen van geweld) een belangrijke rol hebben gespeeld en een doorwerking hebben gehad in zijn gedragskeuze voorafgaande aan en ten tijde van het hem ten laste gelegde, indien bewezen. De deskundigen kunnen niet aannemelijk maken dat onderzochte zijn wil totaal niet meer kon bepalen. De deskundigen adviseren de rechtbank verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank komt op basis van de in voornoemde rapporten vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Gezien de ernst van de feiten, de omstandigheid dat verdachte zich op een zodanige wijze ten opzichte van een medewerker van de kliniek heeft gedragen én het gegeven dat verdachte gedurende de terbeschikkingstelling zich verschillende malen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, is het afdoen van deze zaak met enkel een schuldig verklaren zonder strafoplegging (artikel 9a Wetboek van Strafrecht) een gepasseerd station.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Het incident heeft plaatsgevonden als gevolg van een opstapeling van frustraties in de maanden voorafgaand aan het incident. Het incident kan als een noodkreet worden opgevat, nu verdachte nergens terecht kon met zijn frustraties. Op dit moment gaat het goed met verdachte, en binnen de huidige kliniek is verdachte gestaag bezig met het opbouwen van verlof. Enkel deze strafzaak staat aan de volgende verlofstap in de weg. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank op grond van artikel 9a Wetboek van Strafrecht geen straf op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich -kort gezegd- schuldig gemaakt aan mishandeling van een

sociotherapeut die werkzaam is in de kliniek waar verdachte was opgenomen ten tijde van

het incident, door de sociotherapeut te steken en vervolgens te bijten. De rechtbank heeft

tijdens de zitting van zowel verdachte als zijn raadsvrouw vernomen dat zijn handelen als

een roep om hulp moet worden gezien, dat het een uiting was van de frustraties die

verdachte al maanden ervoer en dat verdachte al maanden op zoek was naar manieren om

zijn frustraties bespreekbaar te maken. Deze aangevoerde argumenten kunnen het gedrag

van verdachte naar het oordeel van de rechtbank echter op geen enkele wijze rechtvaardigen. De rechtbank acht het zeer ongepast dat verdachte zijn frustraties op deze manier heeft

botgevierd op een medewerker van de kliniek die enkel bezig was zijn werk uit te voeren.

Door het handelen van verdachte heeft de sociotherapeut nadelige gevolgen

ondervonden, enkel en alleen omdat hij -in de uitoefening van zijn taak- met verdachte van

doen had. Deze nadelige gevolgen hebben zich niet alleen beperkt tot het moment van het

incident zelf, maar hebben -door de door verdachte veroorzaakte verwondingen- nog langere

tijd doorgewerkt. De rechtbank merkt hierbij op dat het, zo blijkt uit de documentatie van

verdachte, niet de eerste keer is dat verdachte zich niet weet te beheersen.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat er zich sinds het incident op 29

januari 2014 geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan en dat verdachte sinds lange tijd

het gevoel heeft op zijn plek te zitten en hij een duidelijk positieve groei in zijn

ontwikkeling laat zien. Ook heeft de rechtbank vernomen dat verdachte, mede door de

aanwezige stoornis binnen het autisme spectrum, sinds het incident behoorlijk last heeft van

de onzekerheden die deze openstaande strafzaak met zich brengt, en verdachte de gevolgen

van de openstaande strafzaak verder heeft ondervonden doordat verdere verlofopbouw

al enige tijd ‘on hold’ staat, in afwachting van de uitkomst die de huidige strafzaak zal

hebben. De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat verdachte sterk verminderd

toerekeningsvatbaar is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel overeenkomstig artikel 9a Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval het meest passend is.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 57, 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. K.J.H. Hoofs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juni 2016.

Mr. A.K. Kleine en mr. K.J.H. Hoofs zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Oostrum, in de gemeente Venray, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een

sociotherapeut van FPC De Rooyse Wissel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet met een mes een of meer stekende bewegingen

naar die sociotherapeut te maken en/of (daarbij) die sociotherapeut in de

borstkas, in elk geval het (boven)lichaam, heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Oostrum, in de gemeente Venray,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten een sociotherapeut van FPC De

Rooyse Wissel), met een mes, in elk geval heeft gestoken, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Oostrum, in de gemeente Venray,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten een sociotherapeut van FPC De

Rooyse Wissel), heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, basisteam Venray-Gennep, proces-verbaalnummer PL2300-2014010289, gesloten d.d. 21 mei 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 18.

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 4 februari 2014, pagina 4-5.

3 Proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 19 maart 2014, pagina 11-13.

4 Fotoblad, pagina 9 en 10.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 mei 2014, pagina 16-18.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van 26 mei 2016.