Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4843

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
C/03/214411 / FA RK 15-4154
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2834
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:4762
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:39
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing primaire verzoek tot gezamenlijk gezag; toewijzing subsidiaire verzoek om alleen belast te worden met het gezag. Artikel 1:253c lid 1,2 en 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Zaaknummer: C/03/214411 / FA RK 15-4154

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.P.M. Hogervorst,

en:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L.W.M. Hendriks.

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is, de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

verder te noemen: de raad,

gevestigd te Maastricht,

door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de vader, ingekomen ter griffie op 4 december 2015;

  • -

    het verweerschrift van de moeder, ingekomen ter griffie op 18 januari 2016;

  • -

    het verzoekschrift tot wijziging van het door de vader verzochte, ingekomen ter griffie op 18 februari 2016.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 mei 2016, alwaar verschenen:

  • -

    de vader en zijn advocaat;

  • -

    de moeder en haar advocaat;

  • -

    de minderjarige [minderjarige], die buiten aanwezigheid van overige belanghebbenden is gehoord;

  • -

    een vertegenwoordigster van de raad.

De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2 De feiten

[minderjarige] (roepnaam: [minderjarige]) is geboren te [geboorteplaats] op [2001] uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.

[minderjarige] is erkend door de vader.

De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige].

[minderjarige] verblijft feitelijk sinds half februari 2016 bij de vader.

In mei 2014 hebben de ouders een ouderschapsplan gemaakt.

Bij vonnis in kort geding d.d. 4 mei 2016 is een raadsonderzoek verzocht met betrekking tot gezag en contactregeling.

3 Het verzoek en het verweer

De vader heeft aanvankelijk verzocht hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige].

Daarnaast heeft de vader, naar de rechtbank begrijpt, wijziging van de in het ouderschapsplan overeengekomen omgangsregeling gevraagd in die zin dat een zorgregeling wordt vastgelegd als in het petitum beschreven. Ten slotte verzoekt de vader de door hem ten behoeve van [minderjarige] te betalen bijdrage op nihil te stellen.

De moeder heeft bij verweerschrift verzocht het verzoek met betrekking tot het gezamenlijk gezag af te wijzen. De moeder heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat sprake is van een ernstig verstoorde vertrouwensrelatie tussen de ouders. Het vertrouwen van de moeder in de vader is zo fundamenteel beschadigd dat zij niet in staat is op enigerlei wijze met hem te communiceren, althans niet op een normale wijze. Ook heeft zij angst voor de vader.

Daarnaast heeft de moeder verzocht de gevraagde zorgregeling gedeeltelijk af te wijzen en bij, naar de rechtbank begrijpt, zelfstandig verzoek verzocht de door haar voorgestelde omgangsregeling vast te stellen. Volgens de moeder dient de rechtbank een beslissing te nemen die kristalhelder is. De vader komt namelijk de omgangsafspraken niet na.

Bij gewijzigd verzoek heeft de vader verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem vast te stellen en de door hem beschreven zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen. De vader heeft daartoe aangevoerd dat [minderjarige] sedert half februari 2016 bij hem verblijft en niet meer bij de moeder wil wonen. Subsidiair heeft de vader verzocht hem alleen te belasten met het gezag over [minderjarige].

4 De mondelinge behandeling

[minderjarige] heeft verteld dat hij door zijn moeder de deur is uitgezet. Hij weet niet echt waarom, maar hij zegt wel dat hij en moeder vaak ruzie hadden. Hij wil niet meer bij zijn moeder wonen. Hij wil graag in Heerlen op school, maar volgens hem wil de moeder dat hij in Tongeren naar school gaat of naar een internaat. Hij begrijpt niet waarom zijn moeder niet blij is voor hem. Bij de vader gaat het goed. Er zijn geen discussies en zijn vader probeert hem buiten de ruzies met de moeder te houden. De moeder betrekt [minderjarige] juist bij de ruzies tussen haar en de vader.

Door de vader is gesteld dat de moeder het ouderschapsplan niet nakomt. Hierin is vastgelegd dat de ouders het in het belang van [minderjarige] achten dat zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De moeder weigert echter het formulier tot gezamenlijk gezag te ondertekenen. De moeder communiceert niet met de vader, maar uitsluitend via [minderjarige]. De moeder heeft [minderjarige] destijds in België op school geplaatst zonder dit met de vader te overleggen. De moeder licht de vader niet in over [minderjarige] en is alleen maar verwijtend richting de vader.

Zij heeft op 15 januari 2016 van de vader geëist dat hij [minderjarige] bij haar thuis zou ophalen omdat [minderjarige] bij de vader moest gaan wonen. Dat is gebeurd en de vader heeft toen alles voor [minderjarige] geregeld, inclusief het zoeken naar een nieuwe school, omdat de afstand tussen zijn huis en Tongeren niet te overbruggen is voor normaal schoolbezoek. De vader heeft ook allerlei instanties, zoals de politie, de raad, de school in België, ingelicht.

Na een weekendbezoek van [minderjarige] heeft de moeder [minderjarige] vervolgens niet teruggebracht naar de vader, omdat zij zich bedacht had en wenste dat [minderjarige] weer bij haar zou komen wonen. [minderjarige] is toen weggelopen naar de vader. Hij wilde bij de vader blijven wonen en wil dat nog steeds. Probleem is dat de moeder geen toestemming geeft voor een wisseling van school, terwijl [minderjarige] al is aangenomen op een school in Heerlen en daar graag wil starten. [minderjarige] gaat inmiddels al maanden niet naar school. De vader heeft nu geregeld dat hij op dinsdag 17 mei 2016 mag starten als gastleerling op de school in Heerlen, maar de school heeft voor 1 oktober 2016 de benodigde instemming van de ouders, althans van de moeder, nodig.

Als de moeder blijft weigeren om met de vader te communiceren, als zij de wens van [minderjarige] niet erkent en als zij het ouderschapsplan niet wil nakomen, dan rest de vader niets anders dan alleen het gezag te verzoeken. Er kan dan een omgangsregeling met de moeder worden vastgesteld.

De moeder heeft gesteld dat zij in een vlaag van verstandsverbijstering aan de vader heeft gezegd dat [minderjarige] bij hem moest gaan wonen. [minderjarige] moet terug naar haar komen. Zij heeft [minderjarige] niet op straat gegooid. Desgevraagd zegt de moeder dat er niets aan de hand is en dat [minderjarige] gewoon terug kan komen. De moeder wil niet dat [minderjarige] in Heerlen naar school gaat. Hij kan dat niet aan, want hij heeft eigenlijk speciaal onderwijs nodig.

Volgens de moeder kunnen de ouders niet samen het gezag uitoefenen. De situatie is helemaal uit de hand gelopen door het gedrag van de vader. De vader maakt de moeder zwart.

De raad geeft aan dat de huidige situatie helemaal niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] moet naar school en hij wil dat ook graag. Er moeten nu knopen doorgehakt worden. De raad acht gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige]. Het hoofdverblijf moet worden vastgesteld bij de vader en dan kan de raad onderzoek doen naar de toedeling van zorgtaken.

5 Beoordeling

5.1

Gezag

Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW, kan de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer gezamenlijk met de moeder het gezag heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dan wel hem alleen met het gezag te belasten.

Op grond van lid 2 van dit artikel wordt, indien de andere ouder niet instemt met gezamenlijk gezag, het verzoek tot gezamenlijk gezag slechts afgewezen indien:

  • -

    er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of

  • -

    afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Op grond van het derde lid van voormeld artikel wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

De rechtbank overweegt dat gezamenlijk gezag uitgangspunt van de wetgever is. De raad adviseert in casu ook tot gezamenlijk gezag.

Voor gezamenlijk gezag is, volgens vaste jurisprudentie, vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.

De moeder heeft zowel in haar verweerschrift als ter zitting aangegeven dat de ouders niet samen het gezag kunnen hebben. Volgens de moeder is sprake van een ernstig verstoorde vertrouwensrelatie waarin geen communicatie plaatsvindt. De rechtbank stelt vast dat inderdaad sprake is van een dergelijke situatie. Alhoewel de vader aangeeft dat hij met de moeder tot communicatie wil geraken, is ter zitting gebleken dat de ouders niet in staat zijn met elkaar over [minderjarige] te praten. Met name de moeder kan niet anders dan op een verwijtende en beschuldigende manier richting de vader praten. Het is de ouders ter zitting niet gelukt om in goed overleg over het belang van [minderjarige] en over zijn schoolgang te praten. [minderjarige] heeft aangegeven last te hebben van de manier waarop de moeder met hem over de vader praat.

De rechtbank moet daarom concluderen dat [minderjarige] dreigt klem te geraken tussen deze ouders en de rechtbank verwacht niet dat daarin binnen afzienbare tijd verbetering komt.

Het primaire verzoek van de vader om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dient dan ook te worden afgewezen.

Het subsidiaire verzoek van de vader zal de rechtbank toewijzen.

De rechtbank overweegt hiertoe dat de moeder niet in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld door zonder vooroverleg met [minderjarige] of met de vader te beslissen dat [minderjarige] van de ene op de andere dag bij de vader moest gaan wonen en door te eisen dat deze beslissing onmiddellijk werd uitgevoerd. Zij heeft ook niet in zijn belang gehandeld door, wederom zonder enig overleg, na enige tijd op die beslissing terug te komen en [minderjarige] na een omgangsweekend bij haar niet meer naar zijn vader te laten terugkeren, ten gevolge waarvan [minderjarige] toen is weggelopen naar de vader. Het is ook niet in [minderjarige] belang geweest dat, gegeven de situatie dat [minderjarige] bij de vader wilde blijven, de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de (tijdelijke) inschrijving op een school te Heerlen. Daardoor is [minderjarige] maanden niet naar school kunnen gaan. Met de vader acht de rechtbank namelijk een dagelijkse gang van Brunssum naar de school in Tongeren geen reële mogelijkheid.

Gelet op deze gang van zaken, gelet op het advies van de raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen en gelet op het hierboven gegeven oordeel dat het verzoek tot gezamenlijk gezag dient te worden afgewezen, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] wenselijk dat de vader alleen het gezag zal uitoefenen.

De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat de vader als gezaghebbende ouder direct het nodige kan doen om de schoolgang van [minderjarige] (ook formeel) weer mogelijk te maken.

5.2

Omgang

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij omgang blijft houden met zijn moeder. [minderjarige] en de moeder hebben beiden recht daarop. Gelet op de gebeurtenissen en op de houding van de moeder ten opzichte van [minderjarige] en ten opzichte van de vader, zoals de rechtbank ter zitting heeft waargenomen, acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht om hierover te beslissen. De raad heeft ter zitting voorgesteld deze kwestie in onderzoek te nemen en de rechtbank gaat hierin mee. De beslissing ten aanzien van de omgang zal daarom worden aangehouden in afwachting van het raadsadvies.

5.3

Alimentatie

Nu de omstandigheden zijn gewijzigd en [minderjarige] bij de vader woont, is de vader niet meer gehouden om een bijdrage voor het levensonderhoud van [minderjarige] aan de moeder te betalen. De moeder heeft zich over deze bijdrage gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal het verzoek van de vader derhalve toewijzen.

6. Beslissing

De rechtbank:

belast [vader] alleen met het gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2001];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie;

stelt de door de vader te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige] op nihil;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

onderzoek te doen en advies uit te brengen met betrekking tot de vraag welke omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is;

houdt de beslissing met betrekking tot de omgangsregeling aan voor een periode van pro forma vier maanden in afwachting van het rapport van de raad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van T.N. van Nijnanten, griffier op 31 mei 2016.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.