Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4715

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
AWB-16_1328
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het bestreden besluit aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met de recreatieve bestemming in gebruik nemen van een deel van het recreatiepark Roekenbosch te Blitterswijck voor de opvang van maximaal 450 asielzoekers voor een periode van maximaal vijf jaar. De voorzieningenrechter heeft eerder over dit besluit bij uitspraak van 26 april 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:3556) een oordeel gegeven. In onderhavige procedure acht de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat camping ’t Karrewiel – hoewel op enige afstand van het beoogde asielzoekerscentrum gelegen – is aan te merken als belanghebbende, met name vanwege de mogelijk invloed die de komst van het asielzoekerscentrum heeft op de bedrijfsvoering van de camping. De inhoudelijke gronden van verzoekers leiden evenwel niet tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1328

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

V.O.F. Camping 't Karrewiel te [woonplaats] , verzoekster

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker

[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster

tezamen te noemen verzoekers,

(gemachtigde: mr. A.W.J.D. Ray-Engels),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Smids),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), te Rijswijk,

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met de recreatieve bestemming in gebruik nemen van een deel van het recreatiepark Roekenbosch te Blitterswijck voor de opvang van maximaal 450 asielzoekers voor een periode van maximaal vijf jaar.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2016. Verzoekers [verzoeker] en [verzoekster] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder en vergunninghouder hebben zich ieder door hun gemachtigden laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het eerste in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereiste is voldaan, nu bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 15 maart 2016 ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd is om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Aan het tweede formele vereiste is eveneens voldaan nu de voorzieningenrechter de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond acht. Voor zover de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijk oordeel over het betreffende besluit, heeft dat oordeel een voorlopig karakter en bindt het de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) juncto artikel 4, lid 9, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk in gebruik nemen van park het Roekenbosch als azc voor maximaal 450 asielzoekers gedurende een periode van maximaal vijf jaar. De vergunning heeft betrekking op de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) en is gericht op gebruikswijziging van 112 bestaande woningen, op het realiseren van twee dienstengebouwen op het azc-gedeelte van het recreatiepark alsmede het plaatsen van een hekwerk rondom dat deel van het park.

4. Over de vraag of verzoekster in haar hoedanigheid als V.O.F., dan wel verzoekers [verzoeker] en [verzoekster] als natuurlijke personen en enig vennoten van voormelde V.O.F. als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of verzoekers als belanghebbenden in de zin van de Awb aangemerkt kunnen worden, van belang is op welke afstand de camping is gelegen van het asielzoekerscentrum (azc)-gedeelte van park het Roekenbosch en of verzoekers vanaf de camping enig zicht hebben op het azc-gedeelte. Voorts is de mate van ruimtelijke uitstraling die de verlening van de omgevingsvergunning met zich brengt van belang. Voor ondernemers kan daarbij een rol spelen of de vergunningverlening op enige wijze van invloed is op de bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

7. Blijkens de gedingstukken bedraagt de afstand tussen de camping en het azc-gedeelte van het park Roekenbosch hemelsbreed circa 400 tot 500 meter. De camping en het azc-gedeelte van het park Roekenbosch worden gescheiden door onder meer bomen, een akker, wegen en wandelpaden. Dat verzoekers vanaf hun camping enig zicht hebben op het azc-gedeelte van park het Roekenbosch acht de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande onwaarschijnlijk. Het azc-gedeelte van park het Roekenbosch grenst - vanuit de camping bezien – bovendien niet direct aan de buitengrens van park het Roekenbosch. De camping is gelegen ten zuiden van park het Roekenbosch. Zouden verzoekers vanaf de camping al enig zicht hebben op park het Roekenbosch, dan is de zuidkant van het park zichtbaar, alwaar zich niet het azc-gedeelte bevindt. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de onderhavige omgevingsvergunning slechts ziet op een wijziging van het gebruik van een deel van het park Roekenbosch. De omgevingsvergunning voorziet niet in een bouwplan op het park Roekenbosch. De (fysieke) ruimtelijke uitstraling die de verlening van de omgevingsvergunning met zich brengt is daarom beperkt. In het kader van de ruimtelijke uitstraling is verder van belang dat de reeds bestaande recreatiehuizen op park het Roekenbosch conform de op het park rustende bestemming recreatief bewoond mochten worden. De verlening van de omgevingsvergunning brengt met zich dat de recreatiehuizen niet langer zullen worden bewoond door toeristen, maar door asielzoekers. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin een betekenende wijziging van de ruimtelijke uitstraling met zich. Dat de recreatiehuizen naar aanleiding van de verleende omgevingsvergunning permanent (voor de duur van vijf jaar) bewoond zullen worden en niet slechts incidenteel, kan wel enige ruimtelijke uitstraling naar de omgeving met zich brengen. Hierbij kan gedacht worden aan meer verkeersbewegingen en intensiever gebruik van wandel- en voetpaden in de omgeving. Daardoor is mogelijk ook sprake van enige invloed op de bedrijfsvoering van ondernemingen in de omgeving. Of deze ruimtelijke uitstraling tot de camping van verzoekers strekt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer uitgesloten. Hiervoor acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekers zich op het standpunt hebben gesteld dat de reserveringen van campingstandplaatsen sinds de verlening van de omgevingsvergunning zijn gedaald tot nihil. Dit is niet in lijn met de verwachtingen die verzoekers hadden op basis van de reserveringen van voorgaande jaren. Hoewel verzoekers dit slechts hebben gesteld maar niet onderbouwd, zal de voorzieningenrechter het voorliggende verzoek niet reeds afwijzen op de grond dat camping ’t Karrewiel V.O.F. geen belanghebbende is, nu de voorzieningenrechter niet op voorhand uitgesloten acht dat de gestelde terugloop van het aantal reserveringen een direct gevolg is van de aanstaande permanente bewoning van een deel van de recreatiehuizen op park het Roekenbosch. Een nadere onderbouwing van voormeld verband tussen de verlening van de omgevingsvergunning en de terugloop van het aantal reserveringen kan in een eventuele bodemprocedure aangewezen zijn om alsdan als belanghebbende in bezwaar en beroep ontvangen te worden. De voorzieningenrechter zal daarom ingaan op de door verzoekers aangevoerde gronden.

8. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder voorafgaand aan de verlening van de onderhavige omgevingsvergunning ten onrechte geen locatieonderzoek heeft uitgevoerd, waarbij is onderzocht of er alternatieve locaties binnen de gemeente beschikbaar zijn om asielzoekers te huisvesten. Verzoekers betogen dat er binnen de gemeente Venray in ieder geval twee locaties voorhanden zijn die, net als park het Roekenbosch, geschikt zijn voor de opvang van asielzoekers, maar waartegen minder bezwaren bestaan. Dit betreft het Sint Anna-terrein te Venray en Paschalis te Oostrum. Verzoekers voeren voorts aan dat het door de gemeente opgestelde ‘Veiligheidsplan AZC Blitterswijck’ onvoldoende waarborgen biedt om de veiligheid op het azc en in de omgeving van het azc te garanderen.

9. De voorzieningenrechter overweegt over het betoog van verzoekers als volgt.

10. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

11. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met (1) een goede ruimtelijke ordening en (2) in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

12. De hiervoor genoemde algemene maatregel van bestuur is het Bor. Artikel 4, negende lid, van Bijlage II van het Bor, zoals dit sinds 9 september 2015 luidt, bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Ingevolge het elfde lid van artikel 4, Bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

13. Niet in geschil is dat op het perceel van het recreatiepark Roekenbosch de enkelbestemming recreatie en de dubbelbestemming waarde-archeologie 2 rust. Evenmin is in geschil dat de ingebruikname van bestaande woningen op het park als opvangplaatsen voor asielzoekers en het realiseren van dienstengebouwen voor een azc in strijd is met de recreatieve bestemming. Artikel 4, negende lid en elfde lid, van Bijlage II van het Bor geven evenwel de mogelijkheid om voor dit strijdig gebruik een omgevingsvergunning af te geven.

14. Ter toetsing ligt voor een besluit op aanvraag en niet een door verweerder ambtshalve genomen besluit. Verweerder dient in beginsel op een aanvraag te beslissen zoals die door de initiatiefnemer is ingediend. Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie vloeit voor verweerder in een geval als hier aan de orde de verplichting voort om alvorens op een ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning als onderhavige te beslissen, zelf een onderzoek in te stellen naar eventueel andere geschikte locaties. De door verzoekers aangevoerde grond dat verweerder ten onrechte geen locatieonderzoek heeft uitgevoerd, slaagt dan ook niet. Desondanks kan het bestaan van een alternatief verweerder nopen tot het onthouden van medewerking aan de gevraagde omgevingsvergunning, als met een alternatieve locatie een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7569). De voorzieningenrechter stelt voorop dat in een geval als het voorliggende, waarin sprake is van een complexe afweging met vele facetten, zich een geval als zojuist bedoeld, niet snel zal voordoen. Niet is aannemelijk dat in dit geval zich wel zo’n situatie voordoet. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de door verzoekers geopperde alternatieve locaties minder geschikt zijn voor de opvang van asielzoekers dan park het Roekenbosch. Over het Sint Anna-terrein heeft verweerder opgemerkt dat dit in de verkoop staat, grotendeels uit monumentale gebouwen bestaat die in slechte staat verkeren en bovendien niet aan de eisen van brandveiligheid voldoen. Ook is het terrein niet solitair gelegen, maar dicht bij het centrum van Venray. Paschalis is volgens verweerder niet geschikt omdat het ver van het centrum van Venray is gelegen, dicht bij de kleine kern van Oostrum. In het verleden zijn er plannen geweest om in Paschalis arbeidsmigranten te huisvesten. Dit heeft toentertijd volgens verweerder tot veel onrust en commotie geleid in Oostrum en omgeving. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan de door verweerder ter zitting gegeven toelichting over waarom de door verzoekers geopperde locaties niet even bruikbaar zijn als park het Roekenbosch te twijfelen. Bovendien ligt het niet in de rede dat, zouden de beide locaties al in aanmerking kunnen worden gebracht voor de huisvesting van asielzoekers, hiertegen door omwonenden en andere belanghebbenden aanzienlijk minder bezwaren zouden worden opgeworpen dan tegen de realisatie van een azc op park Roekenbosch.

15. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat hij in de bezorgdheid die verzoekers hebben over de veiligheid op het azc alsmede in de directe omgeving van het azc, geen aanleiding ziet om tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan. Het veiligheidsplan van het beoogde azc is door verweerder opgesteld in samenspraak met het Openbaar Ministerie en de politie. Tevens zijn bewoners van het park Roekenbosch alsmede omwonenden van het park bij de totstandkoming van het veiligheidsplan betrokken in de vorm van een klankbordgroep. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met het veiligheidsplan en de daarop gegeven nadere schriftelijke en mondelinge toelichting, voldoende aannemelijk heeft gemaakt met alle aspecten van veiligheid – voor zover voorzienbaar – rekening te hebben gehouden. Dat bepaalde onderdelen nog nadere invulling vergen is onvermijdelijk en leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

16. In de stelling dat de waarde van het onroerend goed van verzoekers zal dalen als het azc daadwerkelijk in gebruik zal worden genomen, ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen reeds om de reden dat de gestelde waardedaling niet onderbouwd is. Zou er al een waardedaling plaatsvinden ten opzichte van voorgaande jaren, zal ook onderbouwd moeten worden dat deze waardedaling is toe te rekenen aan het onderhavige bestreden besluit. Slechts dan kan de eventuele waardedaling een belang opleveren dat verweerder in de besluitvorming dient te betrekken, hetgeen overigens niet betekent dat dit belang van doorslaggevend gewicht moet zijn.

17. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen verzoekers tegen het bestreden besluit hebben aangevoerd voorshands niet tot de conclusie kan leiden dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden. Derhalve bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 juni 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.