Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4528

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
C/03/202590 / HA ZA 15-98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad, bestuurdersaansprakelijkheid, geen voldoende ernstig verwijt (artikel 6:162 BW).

Eiser heeft middels een rentedragende geldlening (looptijd 5 jr.) geld ter beschikking gesteld aan een stichting, waarvan gedaagden bestuurders zijn. Tegen ontvangst van een rentepercentage van 25% per jaar heeft de stichting het geld op haar beurt ter beschikking gesteld aan een derde (‘belegger’), waarna de stichting het op die manier gerealiseerde rendement ten goede heeft laten komen aan een vereniging die actief is in de sport.

Door problemen in de doorleningsconstructie is de stichting aan het einde van de looptijd van de overeenkomst in gebreke gebleven met haar rente- en terugbetalingsverplichtingen jegens eiser. Eiser verwijt gedaagden dat zij hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de stichting haar contractuele verplichtingen niet nakomt, door - alvorens de gelden aan de derde ter beschikking te stellen - zich er niet van te vergewissen dat zekerheden waren bedongen.

Uit de wettelijke verplichting tot behoorlijk bestuur kan voortvloeien dat een bestuurder - in verband met de belangen van geldverstrekkers - gehouden is tot het bedingen van zekerheden. Gelet op de wetenschap aan de zijde van eiser omtrent de constructie en het risico, het feit dat niet is komen vast te staan dat de bestuurders de tegenvallende rendementen hadden kunnen en moeten voorzien en het feit dat de bestuurders niet uit eigen gewin hebben gehandeld en ook zelf in privé zijn benadeeld, kan niet geoordeeld worden dat gedaagden een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0176
AR 2016/1518
RO 2016/49
JONDR 2016/957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/202590 / HA ZA 15-98

Vonnis van 1 juni 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.P. Bakkers te Venlo,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonend te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonend te [woonplaats gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3],

wonend te [woonplaats gedaagde 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.A.W. van Wel te Weert.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden, waarbij de drie laatstgenoemden tezamen ook zullen worden aangeduid als [gedaagden] (mannelijk enkelvoud).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 6 en 9 februari 2015

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2016

  • -

    het aanvullend proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] vormt het bestuur van de ‘Stichting [de stichting] ’ (hierna: de stichting). De stichting richt zich onder meer op de (financiële) de ondersteuning van activiteiten van de ‘Vereniging [de vereniging] ’ (hierna: de vereniging) die actief is in de volleybalsport. Zij doet dit, blijkens de statuten, onder andere door het verstrekken van subsidies, bijdragen en voorschotten.

2.2.

Bij de oprichting van de stichting op 26 februari 2008 zijn [gedaagde 1] (voorzitter), [gedaagde 2] (secretaris-penningmeester), [gedaagde 3] (bestuurslid) en de heren [A] (bestuurslid) en [B] (bestuurslid) tot bestuurders van de stichting benoemd.

2.3.

Nadat enkele - op dat moment nog toekomstige - bestuurders van de stichting, in privé positieve ervaringen hadden met de deelname in (beleggings)constructies via de heer [C] , hebben deze bestuurders dan wel heeft de vereniging [eiser] in 2007 benaderd met de vraag of hij geld ter beschikking wilde stellen aan de stichting, teneinde op die manier additionele inkomsten voor de vereniging te verwerven via de (beleggings)constructie.

2.4.

[eiser] had interesse om deel te nemen in deze (beleggings)constructie. Begin 2008 heeft hij daarom een door de vereniging dan wel stichting geïnitieerde bijeenkomst bijgewoond, waarin door de heer [B] (hierna: dhr. [B] ) uitleg is gegeven over de bestemming van de ‘in te leggen’ gelden en de (beleggings)constructie.

2.5.

Ingevolge de op die bijeenkomst gegeven presentatie werd de constructie zodanig vorm gegeven dat de stichting de door de sponsoren ingelegde bedragen op een Zwitserse bankrekening (referentierekening) bij de Staatsbank, de ‘Banque Contonale de Fribourg’, zou storten tegen ontvangst van een rentepercentage van 25% per jaar, waarna het totaal van deze bedragen door de heer [C] en aan hem gelieerde vennootschappen als onderpand zou worden aangewend voor de handel in ‘Medium Term Notes’. Het op die manier gerealiseerde rendement van 25% op jaarbasis zou vervolgens, na afdracht van rente aan de sponsoren, ter beschikking worden gesteld aan de vereniging.

2.6.

Naar aanleiding van deze bijeenkomst zijn de stichting - vertegenwoordigd door [gedaagde 1] - en [eiser] op 13 juni 2008 een overeenkomst van geldlening aangegaan. In de in dit kader tot stand gekomen ‘schuldbekentenis’ is, onder meer, het navolgende neergelegd:

“(…) VERKLAREN:

dat de schuldeiser [de rechtbank: [eiser] ] van schuldenaar [de rechtbank: de stichting] uit hoofde van geldlening ad. € 50.000,-- (…), wegens op heden ter leen verstrekte gelden, gestort op rekening ten name van Stichting [de stichting] , (…) te vorderen heeft een bedrag van € 50.000,-- (…), hetgeen de schuldenaar verklaart aan schuldeiser verschuldigd te zijn, zulks onder de navolgende bedingingen en bepalingen:

  1. Van de verschuldigde hoofdsom of het restant daarvan zal een rente worden betaald van 8% (…) per jaar, (…)

  2. Behoudens na te melden gevallen van directe opeisbaarheid moet de hoofdsom of het restant daarvan geheel worden afgelost op 01-07-2013. (…)

6. De schuldenaar zal in verzuim zijn door het enkele feit van het niet nakomen of het verloop van de tijd voor de betaling gesteld, zonder dat enige ingebrekestelling door bevel of soortgelijke akte zal zijn vereist. (…).”

2.7.

Gedurende de eerste vier jaren na de totstandkoming van de overeenkomst is de stichting de op haar rustende betalingsverplichtingen jegens [eiser] nagekomen. Na afloop van het vijfde jaar (het einde van de looptijd van de overeenkomst) is de stichting echter in gebreke gebleven met haar verplichtingen tot betaling van rente en tot terugbetaling van de hoofdsom aan [eiser] .

2.8.

In het kader van dit tekortschieten heeft de stichting op enig moment aan [eiser] bericht, dat de afspraken die zij binnen de (beleggings)constructie met derden heeft gemaakt, niet zijn nagekomen en dat zij door deze derden is opgelicht. Daarnaast heeft zij aan [eiser] bericht dat zij dientengevolge niet kan voldoen aan haar verplichtingen jegens hem.

2.9.

De stichting tracht thans via de ‘Stichting [X] ’ - een stichting die de belangen behartigt van (rechts)personen die via eenzelfde constructie gelden ter beschikking hebben gesteld aan de heer [C] en de thans gefailleerde vennootschappen (‘ [Y] ’ en ‘ [Z] ’) - de ingelegde gelden terug te krijgen.

3 Het geschil

3.1.

De vorderingen van [eiser] strekken ertoe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 60.112,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. [gedaagden] zal veroordelen tot betaling van de proces- en de nakosten, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door te bewerkstelligen dan wel toe te laten dat de stichting haar verplichtingen jegens hem niet is nagekomen. Het had, mede gelet op de gedane toezeggingen, de hoogte van het door de stichting aan derden ter beschikking gestelde bedrag, de hoogte van het te behalen rendement en de resultaatsonafhankelijkheid van het rentepercentage, op de weg van [gedaagden] gelegen om zich - alvorens de gelden aan derden ter beschikking te stellen - ervan te vergewissen dat zekerheden waren gesteld voor de terugbetaling van de gelden enerzijds en de handel in de ‘Medium Term Notes’ anderzijds. Daar [gedaagden] dit heeft nagelaten en de vorderingen op de stichting onbetaald en onverhaalbaar zijn, is [gedaagden] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade, aldus [eiser] .

3.3.

[gedaagden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de rechtsverhouding tussen de stichting en [eiser] te kwalificeren is als een rentedragende geldlening (overeenkomst van verbruiklening, artikel 7A:1791 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Immers dient de stichting op basis van de overeenkomst, gedurende de looptijd, een vaste rente van 8% op jaarbasis te voldoen en dient zij de lening na ommekomst van de looptijd af te lossen.

Vast staat ook dat de uit deze rentedragende geldlening voortvloeiende verbintenissen (rente- en aflossingsverplichtingen) op geen enkele wijze afhankelijk zijn gesteld van de resultaten van de handel in de ‘Medium Term Notes’; dit ondanks het feit dat de geleende gelden hiervoor wel indirect - via doorlening aan de heer [C] en aan hem gelieerde vennootschappen (hierna: [C] ) - dienden te worden aangewend.

4.2.

Nu de stichting haar verplichtingen jegens [eiser] niet meer tijdig kan nakomen, ziet het geschil op de vraag of sprake is van de benadeling van een schuldeiser, door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vorderingen.

4.3.

Het in dit kader gevoerde verweer, dat niet kan worden uitgesloten dat één en ander zich nog ten goede keert voor de stichting en daarmee ook voor [eiser] , is door [gedaagden] niet, althans niet voldoende, onderbouwd, zodat dit verweer wordt gepasseerd. Voor de rechtbank staat daarom voldoende vast dat de stichting ook geen verhaal kan bieden voor wegens het niet-nakomen van haar verplichtingen optredende schade.

4.4.

[eiser] verwijt [gedaagden] in verband met het voorgaande dat [gedaagden] - alvorens de gelden middels de stichting aan [C] ter beschikking te stellen- zich er niet van heeft vergewist dat zekerheden waren bedongen voor de terugbetaling van de gelden enerzijds en de handel in de ‘Medium Term Notes’ anderzijds.

Volgens [eiser] had dit, mede in het licht van het gegeven dat tijdens de bijeenkomst en bij de ondertekening van de overeenkomst van geldlening in 2008 toegezegd is dat voornoemde zekerheden bedongen zouden worden, wel op de weg van [gedaagden] gelegen. Dit geldt te meer omdat de aard van de constructie risicovol was, terwijl de belangen van de sponsoren groot waren. [eiser] stelt [gedaagden] dan ook aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden.

4.5.

De rechtbank stelt in het kader van deze aansprakelijkstelling voorop, dat afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval- naast de aansprakelijkheid van de stichting ter zake de benadeling, ook grond kan zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de schuldeiser van de rechtspersoon uit hoofde van onrechtmatige daad.

Van een dergelijke aansprakelijkheid kan sprake zijn indien de bestuurder, mede gelet op de op hem rustende verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel

2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873). Het gaat in dezen om de individuele bestuurder en niet het bestuur als collectief.

4.6.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een verwijt als hiervoor bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In de rechtspraak is voor het geval dat een bestuurder verweten wordt dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn contractuele verplichtingen niet nakomt (verhaalsfrustratie), hetgeen [eiser] [gedaagden] verwijt, de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de rechtspersoon kan worden aangenomen, indien de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de stichting tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
Daarnaast kunnen zich ingevolge vaste jurisprudentie ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (Hoge Raad

8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

4.7.

Ten aanzien van de stelling dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade, omdat hij, ondanks toezeggingen daartoe, nagelaten heeft om zich ervan te vergewissen dat voldoende zekerheden waren bedongen voor de handel in ‘Medium Term Notes’ en de terugbetaling van de aan [C] geleende gelden, wordt het navolgende overwogen.

4.7.1.

Niet betwist is dat er toezeggingen zijn gedaan omtrent zekerheden voor de handel in de ‘Medium Term Notes’, zodat dit tussen partijen vast staat. Evenmin is tussen partijen in geschil dat, in het kader van deze toezeggingen, op [gedaagden] de taak rustte om te bewerkstelligen dat zekerheden werden bedongen en [gedaagden] dit nagelaten heeft.

Zonder nadere toelichting, die niet gegeven is, kan dit nalaten naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot aanname van de door [eiser] voorgestane aansprakelijkheid (uit hoofde van onrechtmatige daad) van [gedaagden] leiden.

Hiertoe wordt overwogen dat voor een geslaagd beroep op artikel 6:162 BW, onder meer dient komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen de onrechtmatige gedraging en de schade. In het licht van de onbetwiste stelling dat nimmer in ‘Medium Term Notes’ is gehandeld - en derhalve niet zondermeer aan te nemen is dat de thans gestelde schade in een causale relatie tot het ontbreken van enige zekerheid staat -, had het dan ook op de weg van [eiser] gelegen om te stellen en, bij betwisting hiervan, te bewijzen, dat het niet verzekeren van de handel in ‘Medium Term Notes’ tot schade aan zijn zijde heeft geleden. Nu [eiser] dit heeft nagelaten en daarmee niet is komen vast te staan dat aan de cumulatieve voorwaarde van artikel 6:162 BW is voldaan, kan niet geoordeeld worden dat [gedaagden] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens [eiser] . De vraag of [gedaagden] te dien aanzien een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zal derhalve in het midden blijven.

4.7.2.

Dat, zoals [eiser] heeft gesteld, eveneens toegezegd zou zijn dat zekerheden zouden worden bedongen voor de terugbetaling van de gelden, is door [gedaagden] gemotiveerd betwist. [eiser] heeft nagelaten zijn stellingen op dit punt nader te concretiseren en onderbouwen, zodat hij ter zake niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank had het in ieder geval op de weg van [eiser] gelegen om gespecificeerd te stellen door wie en in welke bewoordingen de door hem voorgestane toezeggingen zijn gedaan. Omdat hij dit heeft nagelaten kan thans niet vastgesteld worden dat één dan wel meerdere bestuurders (namens de stichting) toegezegd heeft/hebben dat de door [eiser] voorgestane zekerheden zouden worden gevestigd. Aan nadere bewijslevering wordt om die reden ook niet toegekomen. Dat [gedaagden] op grond van gedane toezeggingen gehouden was zich ervan te vergewissen dat voldoende zekerheden waren bedongen voor de terugbetaling, is dan ook niet komen vast te staan. In zoverre kan dit dan ook geen grond voor aansprakelijkheid vormen.

4.8.

Het voorgaande leidt echter niet zondermeer tot de conclusie dat [gedaagden] in dit kader in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt. Immers ook wanneer hieromtrent geen toezeggingen zijn gedaan, kan uit de wettelijke verplichting tot behoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW) voortvloeien dat een bestuurder - in verband met de belangen van geldverstrekkers - gehouden is tot het bedingen van zekerheden. Met zijn benoeming verplicht een bestuurder zich immers tot een behoorlijke vervulling van de aan hem opgedragen taak.

4.9.

Of een bestuurder, in het kader van zijn bestuurstaak, ook gehouden is om zich ervan te vergewissen dat zekerheden zijn bedongen alvorens gelden aan te wenden ten behoeve van derden, hangt naar het oordeel van de rechtbank af van alle relevante omstandigheden van het geval. Relevante gezichtspunten kunnen zijn: de wetenschap van de geldverstrekker ter zake de aanwending van de gelden (in casu [eiser] ), de financiële gegoedheid van degene die het geld verstrekt aan de derde en van de derde zelf (in casu de stichting en [C] ), de aan de geldverstrekking verbonden risico’s en de mate van zeggenschap over het financiële en ander beleid van deze derde.

4.10.

De stichting heeft, naar de rechtbank begrijpt, haar statutaire doel trachten te realiseren door het ‘indirect beleggen’ van gelden die zij daartoe van derden, zoals [eiser] , leende. In dit kader heeft de stichting, zoals hiervoor reeds onder rechtsoverweging 4.1. is overwogen, zonder enig voorbehoud rente- en aflossingsverplichtingen op zich genomen. [gedaagden] moet - ondanks het feit dat dhr. [B] destijds zorg droeg voor de informatie-voorziening richting potentiële geldverstrekkers, de doorlening en het beheer van de (gegenereerde) gelden - geacht worden zich dit te hebben gerealiseerd. Dit geldt te meer omdat de stichting van meerdere sponsoren een bedrag leende met navenante rente- en aflossingsverplichtingen, in totaal tot een zeer aanzienlijk bedrag.

In samenhang met het bepaalde in artikel 2:9 BW vloeit, zoals [eiser] ook heeft gesteld, hieruit voort dat de stichting zo diende te worden ingericht en uitgeoefend dat in ieder

geval de mogelijkheid bestond dat de stichting haar verplichtingen jegens [eiser] en andere geldverstrekkers zou kunnen blijven nakomen.

4.10.1.

[eiser] heeft gesteld dat [gedaagden] ingevolge het voorgaande was gehouden tot het bedingen van zekerheden alvorens tot de doorlening over te gaan. Nu [gedaagde 1] c.s dit heeft nagelaten, treft [gedaagden] ter zake van de niet-nakoming door de stichting een voldoende ernstig persoonlijk verwijt. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Allereerst geldt dat de gang van zaken omtrent de doorlening en de hierop te behalen rendementen, te allen tijde duidelijk was voor [eiser] . [eiser] had vanaf begin af aan wetenschap van de wijze waarop de door hem, en andere geldverstrekkers, aan de stichting geleende gelden aangewend zouden worden en wist aldus dat het geld doorgeleend zou worden aan een derde die het geld vervolgens aan zou wenden als onderpand ten behoeve van de handel in ‘Medium Term Notes’. Gelet op deze constructie en de hoogte van de tussen alle partijen overeengekomen rentepercentages, wist dan wel behoorde [eiser] aldus te weten dat de doorlening aan [C] , én daarmee ook zijn lening aan de stichting, niet geheel risicoloos zou zijn. Desalniettemin heeft [eiser] ervoor gekozen om zijn geld aan de stichting ter beschikking te stellen, zonder daartegenover zelf enige zekerheid te bedingen. [gedaagden] mocht er naar het oordeel van de rechtbank dan ook redelijkerwijs op vertrouwen dat [eiser] - ondanks het feit dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, slechts een overeenkomst van geldlening betreft - zich bewust was van de risico’s van de door partijen gekozen constructie. In dit verband valt zonder nadere toelichting, die niet gegeven is, ook niet in te zien waarom [eiser] - buiten de door hem voorgestane toezeggingen van [gedaagden] , die in dit geschil niet zijn komen vast te staan - van [gedaagden] verwachtte dat deze in de relatie met [C] wel zekerheden zou bedingen.

Daarnaast wordt van belang geacht dat het er - gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken - voor moet worden gehouden dat de verwachtingen van beide partijen rechtstreeks verband hielden met de rendementen die men door gebruikmaking van de indirecte beleggingsconstructie dacht te kunnen genereren. Duidelijk is geworden dat deze rende-menten ten opzichte van de verwachtingen van zowel [eiser] als [gedaagden] uiteindelijk zijn tegengevallen. [eiser] heeft echter onvoldoende gesteld om daaruit te kunnen concluderen dat [gedaagden] dit had kunnen en moeten voorzien en om die reden had moeten afzien van de doorlening van de gelden op de wijze waarop thans geschiedt. Hierbij weegt mee dat [gedaagden] onweersproken heeft gesteld dat het ‘beleggingssysteem’ zich in voorgaande jaren

- zowel ten aanzien van de renteverplichting als ten aanzien van de terugbetalingsverplich-ting - bewezen heeft, zodat er in die zin geen reden voor [gedaagden] bestond om aan de constructie en financiële gegoedheid van [C] te twijfelen. Daarnaast wordt meegewogen dat de constructie zich, zoals onbetwist is gesteld, ook in de eerste vier jaren dat [eiser] hierbij betrokken was heeft bewezen en [gedaagden] uiteindelijk ook zelf in privé financieel benadeeld is, doordat hij geld ter beschikking heeft gesteld.

Ten slotte acht de rechtbank van belang dat [gedaagden] de constructie waarbij andere geldverstrekkers betrokken waren, niet uit oogpunt van eigen gewin hebben gecreëerd, maar ten behoeve van de vereniging. De vereniging heeft hier in eerste instantie ook als zodanig van geprofiteerd. Immers is het gerealiseerde rendement (25% op jaarbasis) na aftrek van het aan [eiser] uit te keren rentepercentage (8% op jaarbasis) volledig ten goede gekomen aan de vereniging.

4.10.2.

Dat de stichting, achteraf gezien, mogelijk niet de meest adequate maatregelen heeft genomen bij het doorlenen van de gelden, kan [gedaagden] onder voormelde omstandigheden dan ook niet worden verweten. Ten overvloede wordt hierbij nog overwogen dat [eiser] naar het oordeel van de rechtbank ook niet, althans niet voldoende, duidelijk heeft gemaakt tot welke voor hem gunstigere resultaten ander optreden van [gedaagden] onder de gegeven omstandigheden zou hebben geleid; dat eventueel bedongen zekerheden doel zouden hebben getroffen, staat - mede gelet op het faillissement van [C] - immers niet zondermeer vast.

4.11.

Het voorgaande leidt, nu aan het gevorderde geen andere gronden ten grondslag zijn gelegd, tot het oordeel dat de gevorderde veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 60.112,19 dient te worden afgewezen, evenals de hierover gevorderde wettelijke rente.

4.12.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden tot op heden begroot op

€ 1.788,- (2 x € 894,-) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op een bedrag van € 1.788,-,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Geerits en in het openbaar uitgesproken op

1 juni 2016.1

1 type: NG