Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4527

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
5089845 BM VERZ 16-2135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank schorst bewindvoerder met onmiddellijke ingang; vermoeden van niet gescheiden houden van geldstromen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5089845 BM VERZ 16-2135

BM nummer: 381030

Uitspraakdatum: 25 mei 2016

Beschikking

In de zaak van:

[naam BV 1] ,

correspondentieadres: [adres 1] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder

van:

[rechthebbende] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres 2] ,

hierna te noemen rechthebbende.

1 Het proces-verloop

De bewindvoerder is werkzaam als professioneel bewindvoerder.

In het verleden hebben kantonrechters verschillende gesprekken gevoerd met de bewindvoerder over zijn functioneren.

Bij brief van 17 november 2015 heeft de beroepsvereniging BPBI te kennen gegeven dat de bewindvoerder met ingang van 1 januari 2016 wordt geschorst als lid.

Op 7 december 2015 heeft de kantonrechter met de bewindvoerder een onderhoud gehad.

Bij email van 30 april 2016 van de ABN AMRO is de kantonrechter in kennis gesteld van het besluit van de ABN AMRO van 29 april 2016 om haar relatie met de bewindvoerder te beëindigen.

2 De beoordeling

De persoon van [naam bewindvoerder] is sedert 2008 in verschillende rechtsvormen en onder verschillende handelsnamen in de bewindvoerderspraktijk werkzaam. Verreweg de meeste benoemingen zijn ten name gesteld van [naam BV 1] , waarvan de heer [naam bewindvoerder] bestuurder en enig aandeelhouder is. Ook zijn er benoemingen ten name van [naam BV 2] , maar dat berust op een kennelijke verschrijving – een vennootschap met die naam bestaat niet – en daarvoor dient gelezen te worden: [naam BV 1] Voorts is de heer [naam bewindvoerder] in een aantal zaken tot bewindvoerder benoemd als natuurlijk persoon onder verschillende handelsnamen. Ook staan er benoemingen op naam van [naam BV 3] , waarvan de heer [naam bewindvoerder] – niet als bestuurder ingeschreven – klaarblijkelijk als feitelijk leidinggevende moet worden aangemerkt, dan wel sprake is van vereenzelviging met de door hem bestuurde vennootschap nu de heer [naam bewindvoerder] en medewerkers van [naam BV 1] sedert jaar en dag de bewindvoerderstaken in die zaken hebben uitgeoefend. Zo staan er ook enkele benoemingen op naam van [naam BV 4] en [naam BV 5] , maar bij gebreke van inschrijving in het handelsregister moet hiervoor gelezen worden: [naam BV 3] dan wel [naam BV 1] dan wel de natuurlijk persoon [naam bewindvoerder] . Hierna zal uitsluitend nog gesproken worden over ‘de bewindvoerder’, daarmee doelend op een van de zojuist genoemde entiteiten.

In het verleden is gebleken dat de bewindvoerder niet steeds naar behoren functioneerde. Daaromtrent hebben diverse verbetergesprekken plaatsgevonden, waarbij is gesproken over incomplete dossiers, de ontvlechting van de bewindvoerder en andere entiteiten, en PGB-betalingen die niet via eigen beheerrekeningen van de rechthebbenden liepen. De bewindvoerder heeft op die punten beterschap beloofd en – voor zover zich dat niet aan het zicht van de kantonrechter onttrekt – leek er ook (enige) verbetering te zijn opgetreden.

Eind november 2015 heeft de kantonrechter echter een signaal ontvangen van de beroepsvereniging BPBI. Deze bleek met ingang van 1 januari 2016 over te gaan tot royement van de bewindvoerder als lid met als belangrijkste reden het ontbreken van een strikte scheiding tussen cliënt- en organisatiegelden (artikel 25 Kwaliteitsverordening). Aan dat royement lag een accountantsrapportage van [naam accountant] d.d. 3 september 2015 ten grondslag, waarin onder meer werd vastgesteld dat in 2014 PGB-gelden van rechthebbenden zijn ontvangen op de organisatierekeningen van de bewindvoerder en betalingen aan zorginstanties inzake PGB zijn betaald vanaf de organisatierekeningen.

Tijdens het onderhoud dat de kantonrechter op 7 december 2015 naar aanleiding van dat royement met de bewindvoerder heeft gehad, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat, nadat hij door de kantonrechter al eerder was gewaarschuwd in mei 2014, het amper is voorgekomen dat organisatierekeningen nog voor PGB-doeleinden zijn gebruikt. Het betrof hier een uitdovend fenomeen en van vermenging van PGB-gelden met het ondernemingsvermogen van de bewindvoerder was hoegenaamd geen sprake meer. Deze stellingname is voor de kantonrechter aanleiding geweest om nadere concrete vragen aan voormelde accountant te stellen – meer in het bijzonder omtrent de meer recente stand van zaken – welke deze echter niet heeft kunnen beantwoorden. De kantonrechter heeft aldus niet kunnen vaststellen dat de verklaring van de bewindvoerder, te weten dat hij zijn zaakjes inmiddels keurig op orde had, onjuist was.

Inmiddels is uit een schrijven van 29 april 2016 van de ABN AMRO aan de bewindvoerder – ter kennisneming aan de kantonrechter gezonden – genoegzaam aannemelijk geworden, dat het beeld dat de bewindvoerder ten overstaan van de kantonrechter heeft geschetst, onjuist is. Immers blijkt uit voormeld schrijven dat er sprake is van vermenging van cliëntengelden met het ondernemingsvermogen van de bewindvoerder door gelden van de rechthebbenden over te boeken naar een rekening van de bewindvoerder. Ook ten aanzien van PGB-gelden is dat het geval, nu de bewindvoerder PGB-gelden heeft laten vrijkomen ten gunste van de ondernemingsrekening.

Deze handelwijze is, als in strijd met de wet en de kwaliteitseisen, ontoelaatbaar. Het gaat hier, indien dit komt vast te staan, om een ernstige verzaking van de verplichtingen die op een redelijk bekwaam en redelijk handelend bewindvoerder rusten en een grove miskenning van de belangen van rechthebbenden. Gelden van onderbewindgestelden dienen te allen tijde van het ondernemingsvermogen van de bewindvoerder gescheiden te blijven. Een en ander noopt de kantonrechter, in het belang van rechthebbenden, tot een onmiddellijk ingrijpen.

De kantonrechter acht het noodzakelijk te onderzoeken of sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan de bewindvoerder in al zijn zaken dient te worden ontslagen. Een nieuw tijdelijk te benoemen bewindvoerder, aan wie de bewindvoerder alle bewindsdossiers met onderliggende bescheiden zal dienen af te geven, zal daartoe het beheer terstond overnemen en zal ten aanzien van de vraag of de bewindvoerder zich als een redelijk bekwaam en redelijk handelend bewindvoerder heeft gedragen te zijner tijd aan de kantonrechter dienen te rapporteren. Indien de bewindvoerder op grond van geconstateerd slecht bewind ontslagen zal worden, dan zal de kantonrechter de kosten van de tijdelijk te benoemen opvolgend bewindvoerder gemaakt in verband met dat onderzoek geheel of ten dele ten laste van de bewindvoerder brengen (vgl. artikel 1:360 BW). In verband daarmee zal de kantonrechter de tijdelijk te benoemen opvolgend bewindvoerder tevens als deskundige benoemen (artikel 194 Rv).

In het kader van het door de tijdelijk te benoemen opvolgend bewindvoerder te verrichten onderzoek zal de kantonrechter bepalen dat de bewindvoerder – op straffe van onmiddellijk ontslag – op de voet van artikel 1:436 lid 6 BW inzage geeft van zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en daarvan aan de met executie van deze beschikking belaste deurwaarder een afschrift ter beschikking zal stellen. Kortweg gaat het hier om de kantooradministratie.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:448 lid 2 BW zal de bewindvoerder met onmiddellijke ingang worden geschorst in alle zaken waarin de kantonrechter in de rechtbank Limburg de toezichthoudende kantonrechter is en de hierna te noemen voorlopige voorzieningen worden getroffen.

In het kader van deze schorsing zal de bewindvoerder worden gehoord ter zitting van 7 juni 2016 om 10:00 uur in het Gerechtsgebouw te Maastricht aan St. Annadal 1.

3 De beslissing

De kantonrechter:

-schorst de bewindvoerder met onmiddellijke ingang;

-benoemt GGN Bewindvoering B.V., correspondentieadres: Postbus 3044, 6401 DM Heerlen, tot tijdelijk opvolgend bewindvoerder over het vermogen van de onderbewindgestelde;

-beveelt de bewindvoerder de dossiers van de onderbewindgestelde die zij onder zich heeft alsmede alle onderliggende bescheiden en gegevensdragers onmiddellijk af te geven aan de met de executie van deze beschikking belaste gerechtsdeurwaarder met het oog op afgifte aan de tijdelijk opvolgend bewindvoerder;

-beveelt een onderzoek door de hierna te benoemen deskundige ter beantwoording van de vraag of door de bewindvoerder is gehandeld als redelijk bekwaam en redelijk handelend bewindvoerder;

-beveelt de bewindvoerder om inzage te geven van zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (kantooradministratie) en daarvan aan de met executie van deze beschikking belaste gerechtsdeurwaarder een afschrift ter beschikking stellen;

-bepaalt dat de deskundige bij zijn onderzoek de richtlijnen voor deskundigen, als genoemd in de leidraad deskundigen in civiele zaken, in acht dient te nemen;

-draagt de deskundige op om uiterlijk 6 maanden na de verzenddatum van de beschikking een schriftelijk en ondertekend rapport ter griffie van het team Toezicht van de rechtbank Limburg in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

-bepaalt dat de deskundige een beloning krijgt op basis van gedeclareerde uren en een uurloon ter hoogte van het basistarief van een bewindvoerder;

-bepaalt dat de kosten van de deskundige voorhands ten laste komen van de Staat der Nederlanden;

-benoemt de tijdelijk opvolgend bewindvoerder tevens tot deskundige;

-bepaalt dat de bewindvoerder in verband met de schorsing zal worden gehoord op 7 juni 2016 om 10:00 uur in het Gerechtsgebouw te Maastricht, St. Annadal 1;

-verleent, overeenkomstig het bepaalde in artikel 64 lid 3 Rv, verlof het exploot uit te brengen op alle dagen en uren;

-verklaart deze beschikking zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

-houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016 door

mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en wel binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak.

Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat.