Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:436

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-01-2016
Datum publicatie
21-01-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 131u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting van een woning op basis van artikel 174a van de Gemeentewet. Sluiting op grond van dit artikel kan alleen als er sprake is geweest van “gedragingen in de woning” die tot de verstoring van de openbare orde hebben geleid. Daarvan is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. Vast staat immers dat de verstoring van de openbare orde het gevolg was van explosieven die richting de woning werden gegooid. Dit zijn geen gedragingen in de woning, maar gedragingen buiten de woning. De burgemeester was niet bevoegd en het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 174a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/265 met annotatie van J.G. Brouwer
JG 2016/30 met annotatie van prof. mr. dr. M. Vols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.G.J.M. Boonen),

en

de Burgemeester van de gemeente Echt-Susteren, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F.H. Hirsch Ballin).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet de woning van eiser ( [adres] in [woonplaats] ) met ingang van 22 maart 2014 om 22.00 uur te sluiten voor de maximale duur van drie maanden of zoveel korter dan nodig is.

Bij besluit van 7 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen en heeft ten aanzien van vertrouwelijke politieadviezen van het [naam bureau] aan verweerder over de te nemen spoedmaatregelen in maart en april 2014, een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij beslissing van 4 september 2015 heeft de rechtbank de beperking van kennisneming gerechtvaardigd geacht. Ter zitting heeft eiser toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden, die op basis van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting voldoende zijn komen vast te staan.

2. Eiser woont al langere tijd in een huurwoning op het adres [adres] in [woonplaats] . Voorafgaande aan de sluiting woont eiser er met zijn dochter. Eiser is lid geweest van [naam motorclub] ( [afkorting] ) [naam motorclub] en [naam motorclub] . Op 15 maart 2014 wordt eiser geïnstalleerd als president van het nieuwe chapter van [naam motorclub] in [woonplaats] . In de nacht van 16 maart 2014 gooien onbekenden een explosief richting eisers woning. Daarbij wordt schade veroorzaakt aan de woning en aan naastgelegen woningen en in de straat geparkeerde auto’s. In de nacht van 22 maart 2014 wordt opnieuw een explosief richting eisers woning gegooid, met dezelfde schade tot gevolg. Eiser is tijdens beide incidenten niet thuis. Aannemelijk is dat de twee geweldsincidenten het gevolg zijn van het feit dat eiser kort ervoor als president van [naam motorclub] is geïnstalleerd. Naar aanleiding van de ontploffing op 22 maart 2014 heeft verweerder direct besloten tot sluiting van de woning. Naast de sluiting heeft verweerder (op advies van de politie) een noodverordening uitgevaardigd, camera’s geplaatst en verkeersafremmende maatregelen in de straat getroffen.

3. Eiser stelt zich kort samengevat op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was de woning te sluiten op basis van artikel 174a van de Gemeentewet, omdat geen sprake is van “gedragingen in de woning”. Eiser was immers het slachtoffer van de geweldsincidenten op 16 en 22 maart 2014. Het zijn gedragingen van buiten de woning die tot verstoring van de openbare orde hebben geleid.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk sprake was van “gedragingen in de woning” die de openbare orde ernstig hebben verstoord. Deze gedragingen bestaan eruit dat eiser de net geïnstalleerde president van het nieuwe chapter van [naam motorclub] was en daar ook openlijk voort uitkwam. Dit heeft geleid tot de incidenten op 16 en 22 maart 2014, waardoor de openbare orde ernstig werd verstoord. De veiligheid van eiser, maar ook die van buurtbewoners werd bedreigd, zodat er alle reden was de woning tijdelijk te sluiten, aldus verweerder. Verweerder heeft daarom, anders dan het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5. Het belangrijkste geschilpunt is of verweerder op grond van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet bevoegd was de woning van eiser te sluiten. Op grond van deze wettelijke bepaling kan de burgemeester – kort gezegd - besluiten een woning te sluiten, indien door gedragingen in de woning de openbare orde rond de woning wordt verstoord.

6. Het gooien van de explosieven richting de woning van eiser kan zonder meer als een ernstige verstoring van de openbare orde worden gezien. In die zin acht de rechtbank begrijpelijk dat verweerder het nodig vond in te grijpen en de veiligheid en rust in de straat te herstellen. Voor het sluiten van een woning zal echter wel een wettelijke basis moeten zijn. Als die er niet is, heeft de burgemeester geen bevoegdheid een woning te sluiten.

7. Sluiting van een woning op basis van artikel 174a van de Gemeentewet kan alleen als er sprake is geweest van “gedragingen in de woning” die tot de verstoring van de openbare orde hebben geleid. Daarvan is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. Vast staat immers dat de verstoring van de openbare orde het gevolg was van explosieven die richting de woning werden gegooid. Dit zijn geen gedragingen in de woning, maar gedragingen buiten de woning. De rechtbank volgt op zichzelf de stelling van verweerder dat aannemelijk is dat het gooien van de explosieven samenhing met de persoon van eiser (zijn installatie als president van [naam motorclub] ). De persoon of positie van eiser kan echter niet worden gezien als een “gedraging in de woning” en als dat al zo zou zijn, is dit niet de gedraging die tot de verstoring van de openbare orde heeft geleid. Daarbij zij overigens opgemerkt dat eiser tijdens beide incidenten niet in de woning aanwezig was.

8. Kortom, verweerder was in dit geval niet bevoegd de woning te sluiten op basis van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet, omdat geen sprake was van gedragingen in de woning die de openbare orde rond de woning hebben verstoord. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal tevens zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit herroepen.

9. De overige standpunten van partijen kunnen onbesproken blijven.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,00 en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.986,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2016.

w.g. D. Laeven,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 januari 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.