Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4149

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
AWB-15_2060u
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep van de Dorpsraad tegen een door het Waterschap Peel en Maasvallei aan Staatsbosbeheer verleende watervergunning voor diverse maatregelen in het kader van de vernatting van de het gebied Peelvenen-Mariapeel, gericht op herstel van het hoogveen. In beroep is aangevoerd dat de uitgevoerde effectberekeningen onnauwkeurig zijn en dat met de cumulatie van de in de Brabantse Peel getroffen maatregelen geen rekening is gehouden. De Dorpsraad vreest voor wateroverlast bij de bewoners en voor een verdere toename van muggenoverlast. De voorgeschreven monitoring en de schadevergoedingsregeling zijn onvoldoende volgens de Dorpsraad. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De gebruikte modellen zijn verantwoord en de beste beschikbare methode om de hydrologische effecten te voorspellen. Voor zover onvoorziene wateroverlast optreedt, voorziet het systeem van monitoring en de vergunningvoorschriften in bijsturing. Muggenoverlast is geen belang op grond waarvan de watervergunning kan worden geweigerd. Verder zijn er toereikende maatregelen getroffen en voorschriften aan de vergunning verbonden om toename van muggenoverlast tegen te gaan. Door de geldende schadevergoedingsregeling wordt een goede afwikkeling van claims voldoende verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/2060

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr.drs. P.A.M. van Hoef),

en

het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei, verweerder,

(gemachtigden: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Staatsbosbeheer Regio Zuid, te Tilburg,

(gemachtigden: mr. A.J. Durville en [naam 6] ).

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder aan Staatsbosbeheer Regio Zuid (hierna: vergunninghouder) een watervergunning verleend voor diverse maatregelen in het kader van de uitvoering van het Inrichtingsplan Peelvenen-Mariapeel 2012.

Bij besluit van 19 mei 2015 (het bestreden besluit II) heeft verweerder in verband met de gewijzigde situatie als gevolg van bestreden besluit I ambtshalve de legger gewijzigd.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van vergunninghouder heeft de rechtbank beslist de beroepen versneld te

behandelen.

Eiseres en verweerder hebben over en weer schriftelijk gereageerd op elkaars

standpunten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [mede-gemachtigde 1] en [mede-gemachtigde 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft het beroep met procedurenummer AWB 15/2091, gericht tegen bestreden besluit II (het leggerbesluit van 19 mei 2015, met nummer 2014.28394L) ter zitting ingetrokken.

2. Met betrekking tot het beroep tegen het bestreden besluit I, de watervergunning van 19 mei 2015, nummer: 2014.28394K, zoals gewijzigd bij besluit van 6 oktober 2015, nummer: Z2015-2395, (hierna: het bestreden besluit) overweegt de rechtbank als volgt.

3. In 2008 heeft het Waterschap Peel en Maasvallei het Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regiem (GGOR) opgesteld, Nieuw Limburgs Peil (NLP) geheten. Daarin is een pakket maatregelen voorgesteld waarmee het gewenste regiem kan worden bereikt, rekening houdend met de doelen en functies in het gebied. De voorgenomen maatregelen beogen te leiden tot verandering van de grond- en oppervlaktewaterstanden. De veranderingen zijn voorafgaand aan de uitvoering in beeld gebracht met behulp van rekenmodellen. Deze rekenmodellen zijn geschikt bevonden om de veranderingen in grondwaterstanden te kunnen voorspellen. Verder wordt meten en monitoren van de effecten van de maatregelen op de grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeilen nodig geacht om te kunnen controleren of de voorspelde effecten overeenkomen met de werkelijkheid. Daarbij is voorzien dat compenserende en mitigerend maatregelen dienen te worden getroffen als blijkt dat effecten optreden die niet vooraf zijn voorspeld. Het NLP is uitgewerkt in het Inrichtingsplan Peelvenen en Mariapeel van december 2012 (het Inrichtingsplan). De in het bestreden besluit opgenomen inrichtingsmaatregelen komen voort uit dit Inrichtingsplan, dat tot stand is gekomen door samenwerking tussen de Dienst Landelijk Gebied, verweerder, het Waterschap Peel en Maasvallei, de Provincie Limburg, de Gemeente Horst aan de Maas en diverse belangengroepen. De eerste vier genoemde partijen hebben voor de uitvoering van de maatregelen een uitvoeringsovereenkomst getekend, waarin afspraken zijn vastgelegd over de uitvoering, financiering en natschaderegeling. Samen zijn deze partijen verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregelen. In het Inrichtingsplan zijn als doelen geformuleerd, het herstel van verdrogingsgevoelig TOP- en Natura 2000-gebied, realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), realisatie van het NLP (het GGOR), verbetering van de landbouwstructuur in Evertsoord-America en het voorkomen van wateroverlast en droogteschade in de landbouw. Belangrijk onderdeel van het Inrichtingsplan is de waterhuishoudkundige herinrichting van de Mariapeel, inclusief een gewijzigd peilbeheer en het uitvoeren van compenserende en mitigerende maatregelen om (nat)schade buiten het natuurgebied te voorkomen.

4. Vergunninghouder heeft op 14 juli 2014 een watervergunning gevraagd voor alle benodigde hydrologische maatregelen in verband met herinrichting van het gebied. De maatregelen betreffen het ontgraven en vergroten van watergangen, dempen en verondiepen van watergangen, ontgraven, aanbrengen/vervangen en verwijderen van duikers en stuwen, aanleg van kades en het aanbrengen van een kwelscherm met als doel het vasthouden van water en stabilisering van het waterpeil om te komen tot herstel van het hoogveen. In overeenstemming met de aanvrager is deze aanvraag niet in behandeling genomen in verband met zorgen uit de omgeving over de voorgenomen maatregelen. Naar aanleiding daarvan is een tijdelijke adviescommissie (Life+ Mariapeel) ingesteld, waarvan eiseres deel uitmaakte. De adviescommissie heeft in december 2014 advies uitgebracht.

5. Op 4 december 2014 heeft vergunninghouder bij verweerder een nieuwe aanvraag ingediend voor het uitvoeren van handelingen in een watersysteem als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet. De aanvraag ziet op het herinrichten van het gebied Peelvenen-Mariapeel in de gemeente Horst aan de Maas conform het Inrichtingsplan van december 2012. De aanvraag heeft betrekking op:

  1. het aanpassen, aanleggen, hebben en verwijderen van tracés en peilregulerende kunstwerken met betrekking tot de volgende oppervlaktewaterlichamen: Grauwveen, Horster Driehoek, Spoor, Zijtak Horster Driehoek, Mariaveen, Defensiekanaal Noord en Defensiekanaal zuid;

  2. het vervangen, verwijderen, aanleggen en hebben van duikers in de primaire oppervlaktewaterlichamen: Grauwveen en Defensiekanaal;

  3. het nemen van gerichte (hydrologische) maatregelen in het watersysteem van het plangebied Peelvenen-Mariapeel met een aaneengesloten grootte van meer dan 10 ha.

6. Verweerder heeft het ontwerpbesluit tot verlening van de aangevraagde watervergunning, alsmede de daarbij behorende stukken met ingang van 7 maart 2015 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn heeft eiseres schriftelijke zienswijzen met betrekking tot het ontwerpbesluit tot verlening van de watervergunning ingediend.

7. Bij besluit van 19 mei 2015 heeft verweerder de gevraagde watervergunning onder de daaraan verbonden voorschriften verleend. Verweerder heeft daarbij het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van de watervergunning afgewogen tegen de algemene doelstellingen van het waterbeheer en de waterhuishoudkundige belangen die door de Waterwet, door de Keur Waterschap Peel en Maasvallei 2013 en de bij de Keur behorende beleidsregels worden beschermd. Na beschrijving van de gemaakte belangenweging stelt verweerder zich op basis daarvan op het standpunt dat bij honorering van de aanvraag, met inachtneming van de aan dit besluit verbonden voorschriften, de zorg voor de waterhuishouding en de oppervlaktewaterlichamen, alsmede de belangen van omwonenden en in de regio gevestigde ondernemers voldoende worden gewaarborgd.

8. Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft verweerder de vergunning gewijzigd door de aanleg van extra duikers te vergunnen en 9 duikers te verwijderen.

9. Eiseres voert - samengevat weergegeven - aan dat zij opkomt voor de (gezamenlijke) belangen van de inwoners van het dorp Griendtsveen dat naast compartiment XV is gelegen. Genoemd compartiment krijgt een bufferfunctie en eiseres vreest dat het compartiment als broedplaats voor muggen gaat fungeren. Zij wijst erop dat er sinds jaren regelmatig muggenoverlast in het gebied is. Verder wordt gevreesd voor wateroverlast waarbij van belang is dat in de Deurnse Peel in Brabant al in 2011 vergelijkbare maatregelen zijn getroffen. Volgens eiseres is met de cumulatie met deze maatregelen door verweerder geen, althans onvoldoende rekening gehouden. De door verweerder uitgevoerde effectberekening acht eiseres ondeugdelijk dan wel te onnauwkeurig om daar vergunningverlening op te baseren. Eiser betoogt dat de voorziene directe afvoer van het deelgebied de ‘Driehonderd Bunders’ op de watergang Griendtsveen ongewenst is en dat een betere oplossing om verdere vernatting te voorkomen zou zijn geweest om af te wateren op de Helenavaart. Volgens eiseres ligt het voor de hand dat door de maatregelen verdere vernatting van de woonkern en verdere toename van muggenoverlast zal optreden en nu dit voorzienbare schade betreft had verweerder de vergunning niet mogen verlenen zonder extra technische maatregelen en voorschriften om muggenoverlast te voorkomen of te verminderen, voor te schrijven, aldus eiseres. Ook de in de vergunning voorgeschreven monitoring en schadevergoedingsregeling is naar de mening van eiseres onvoldoende. Ter onderbouwing van haar betoog heeft eiseres onder meer een rapport ‘Beschouwing over de invloed van de hydrologische ingrepen rondom Griendtsveen op de grondwaterstanden in de woonkern Griendtsveen’ van 25 oktober 2015, opgesteld door [mede-gemachtigde 2] en een rapport ‘Verkenning van de steekmuggen- en knuttenproblematiek bij klimaatverandering en vernatting’ (Alterra, Wageningen, 2009), opgesteld door [naam 7] , overgelegd.

10. De rechtbank ziet zich allereerst, ambtshalve, geplaatst voor de vraag of eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of haar beroep ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

De onderhavige vereniging is opgericht bij notariële akten en beschikt over statuten. Ingevolge artikel 1 van de statuten wordt het werkgebied van de dorps/wijkraad bepaald door de dorpsgrenzen, zoals aangegeven op de Gemeente-plattegrond. Het werkgebied wordt aangeduid als “dorp” of “wijk”. Ingevolge artikel 2, eerste lid, behartigt de dorp / wijkraad de belangen van het dorp / de wijk. Ingevolge het tweede lid stelt de dorps / wijkraad zich ten doel:

  1. het instand houden en daar waar nodig bevorderen van het welzijn van de bevolking van het dorp / de wijk in de breedste zin van het woord;

  2. het stimuleren van activiteiten die het woon- en leefklimaat optimaliseren, voor zover dit niet door anderen wordt gedaan;

  3. als intermediair op te treden tussen de gemeente, het gemeentebestuur en de dorps / wijkbewoners.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het werkgebied van de Dorpsraad in de directe omgeving van het plangebied Peelvenen-Mariapeel is gelegen en dat de Dorpsraad als structurele gesprekspartners van de overheid voor plaatselijke aangelegenheden als de onderhavige optreedt. Gelet op de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden kan de Dorpsraad als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het beroep van eiseres is derhalve ontvankelijk.

11. Naar aanleiding van het betoog van eiseres dat het door verweerder op 29 maart 2016 ingediende nader verweerschrift wegens schending van artikel 8:58 van de Awb door de rechtbank niet in de beoordeling mag worden betrokken, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. De bepaling staat er niet aan in de weg dat de rechter stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting worden overgelegd toch in de procedure betrekt, als daardoor de goede procesorde niet wordt geschaad (Afdeling 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:202:BW4506). Van strijd met een goede procesorde is sprake, indien nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder een reactie gegeven op de door eiseres op 10 november 2015 en op 28 januari 2016 ingediende (aanvullende) gronden. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de reactie geen stuk met een omvangrijke of complexe inhoud en heeft eiseres daar adequaat op kunnen reageren. Dit is bij de behandeling ter zitting door de gemachtigde [mede-gemachtigde 2] desgevraagd ook erkend. Er bestaat dan ook geen grond om dit stuk wegens strijd met de goede procesorde niet in de beoordeling te betrekken.

12. Ten aanzien van de door eiseres tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden, overweegt de rechtbank als volgt.

13. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op:

  1. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

  2. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

  3. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

In het tweede lid is bepaald dat de toepassing van deze wet mede is gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald.

Ingevolge artikel 6.13 van de Waterwet is deze paragraaf mede van toepassing op de krachtens verordening van een waterschap vereiste vergunningen, voor zover deze betrekking hebben op handelingen in een watersysteem of beschermingszone. Met een vergunning wordt gelijkgesteld een krachtens zodanige verordening vereiste ontheffing.

Ingevolge artikel 6.20, eerste lid, van de Waterwet kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Ingevolge artikel 6.21 van de Waterwet wordt een vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen in artikel 6.11.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Keur Waterschap Peel en Maasvallei 2013 (hierna: de Keur) is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s), daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, [te vervoeren] of te liggen.

Ingevolge artikel 3.2, lid 1a, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen of aan te leggen.

Ingevolge artikel 3.3, tweede lid, van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in een aaneengesloten gebied van tenminste 10 ha, (mede) op het watersysteem van dat gebied gerichte maatregelen te treffen die negatieve effecten op het watersysteem buiten dat gebied kunnen hebben.

14. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder ingevolge artikel 6.21 van de Waterwet in verbinding met artikel 2.1 van die wet te verrichten belangenafweging slechts betrekking kan hebben op waterstaatkundige belangen. Aldus is eveneens geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:750. Daarbij is verder van belang dat uit de tekst van artikel 6.21 van de Waterwet, noch uit andere bepalingen van die wet of het Waterbesluit, voortvloeit dat uitsluitend een watervergunning kan worden verleend voor activiteiten die noodzakelijk zijn voor het bereiken van doelstellingen als bedoeld in artikel 2.1 van de Waterwet. Slechts voor zover verlening van de watervergunning niet met die doelstellingen verenigbaar is, noopt artikel 6.21 van de Waterwet tot weigering van die watervergunning (Afdeling 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:875). In de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Waterwet is vermeld dat “de bevoegdheid om voorschriften of beperkingen aan een vergunning te verbinden ook kan worden aangewend ter bescherming van belangen van derden; zij is niet beperkt tot de belangen van het waterbeheer of de bijzondere belangen, genoemd in de artikelen 6.7 en 6.18. Dit is in overeenstemming met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, dat een afweging van de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen voorschrijft. Een vergunning mag weliswaar niet worden geweigerd omwille van de belangen van derden (tenzij dat uitdrukkelijk als weigeringsgrond is opgenomen), maar met de belangen van derden dient wel rekening te worden gehouden waar het gaat om de wijze waarop de te vergunnen handeling zal worden uitgevoerd en de in verband daarmee aan de vergunning te verbinden voorschriften”.

15. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de gebruikte modellen ongeschikt zijn om de besluitvorming op te baseren omdat de effectberekeningen en het monitoringsplan onnauwkeurig zouden zijn en daarin het cumulatieve effect van de vernatting van de Deurnse Peel niet is meegenomen. Volgens eiseres is er geen goede nulmeting gedaan.

Voor zover eiseres betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en genomen, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor in de stukken geen steun wordt gevonden. Aan het bestreden besluit is veel onderzoek en overleg voorafgegaan. Verweerder heeft daarbij uitgebreid toegelicht dat de gebruikte modellen verantwoord zijn en de beste beschikbare methode vormen om de hydrologische effecten van de maatregelen te voorspellen. Weerseffecten of waterhuishoudkundige maatregelen kunnen in het model door middel van hydrologische analyse worden uitgefilterd. Door middel van de door verweerder in de Driehonderd Bunders (het gebied dat het dichtst bij de woonkern Griendtsveen is gelegen) met peilbuizen uitgevoerde metingen, is de nauwkeurigheid van het model gecontroleerd. Daarbij is van belang dat een bepaalde mate van onzekerheid inherent is aan het werken met modellen. De vernatting van de Brabantse Peel is in 2011 gestart en is in het model opgenomen. Verweerder heeft toegelicht hoe de eventuele effecten (direct of cumulatief) als gevolg van de inrichting van de Deurnse Peel in de met het IBRAHYM model uitgevoerde effectberekeningen, Resultaten modelberekening Mariapeel-Grauwveen van 16 april 2014 en de Aanvulling modelberekening Griendtsveen, zijn meegenomen. Dat de maatregelen die in de Deurnse Peel zijn genomen, niet apart zijn doorgerekend, kan aan het vorenstaande niet afdoen nu verweerder afdoende heeft toegelicht dat dit geen toegevoegde waarde heeft. Verweerder heeft als nul-situatie de situatie direct voorafgaand aan de uitvoering van het onderhavige project gehanteerd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit onjuist zou zijn of dat de nul-situatie, onvoldoende in beeld is gebracht. In verband met de inherente onzekerheid, verbonden aan het werken met modellen, heeft verweerder een uitgebreid monitoringssysteem als voorschrift aan de vergunning verbonden. In voorschrift 27 is de effectmeting van de uitgevoerde maatregelen en de monitoring geregeld. Monitoring moet op de voorgeschreven wijze ten minste voor een periode van tien jaar worden uitgevoerd. De meetgegevens worden in een database bijgehouden en het waterschap toetst de jaarlijkse rapportage aan het doel als gesteld in het eerste lid en beoordeelt de effecten. De vergunninghouder moet dat ook jaarlijks communiceren met de belanghebbenden en andere geïnteresseerden. De monitoring bestaat uit onder meer een nulmeting van minimaal 1 jaar vóór aanvang van de peilopzet. In voorschrift 26 is namelijk bepaald dat niet met actieve vernatting (opzet van peilen) mag worden gestart voordat een volledig jaar is gemeten conform het voorgeschreven monitoringsplan. Het instellen van de waterpeilen gebeurt geleidelijk en zal na 6 jaar maximaal zijn. In genoemd voorschrift is verder vastgelegd dat nieuwe inzichten kunnen leiden tot aanpassing van het inrichtingsplan en/of de maatregelen. In voorschrift 28 is bepaald dat indien natschade als gevolg van de vergunde activiteiten ontstaat, verweerder dient te beslissen over de continuering van deze activiteiten en dat de vergunninghouder op eerste aanschrijving van verweerder de actieve vernatting van de Mariapeel dient stop te zetten en indien noodzakelijk de peilen dient te verlagen. Door dit samenstel van voorschriften is naar het oordeel van de rechtbank voldoende verzekerd dat bijgestuurd wordt voor het geval de feitelijk gemeten (cumulatieve) effecten van de maatregelen afwijken van de geprognosticeerde effecten. Er bestaat verder geen reden om te twijfelen aan de intentie van vergunninghouder en verweerder om de gestelde voorschriften na te leven, respectievelijk te handhaven door bij onvoorziene omstandigheden in te grijpen en het waterpeil te beheersen.

Deze beroepsgronden slagen niet.

16. Eiseres betoogt dat de watervergunning geweigerd had moeten worden omdat met de belangen van de inwoners van Griendtsveen onvoldoende rekening is gehouden omdat volgens eiseres evident is dat door de cumulatie met de vernattingsmaatregelen in de Deurnse Peel ook zonder effectberekeningen voorzienbaar is dat wateroverlast zal optreden in Griendtsveen.

Uit hetgeen in r.o. 14 is overwogen volgt dat verweerder de watervergunning moet weigeren als verlening - ook na het verbinden van voorschriften aan de vergunning - niet verenigbaar is met de waterstaatkundige belangen die de Waterwet beoogd te beschermen, waaronder het voorkomen van wateroverlast. In hetgeen de rechtbank, hiervoor in r.o. 15 heeft overwogen, ligt tevens besloten dat geen grond bestaat voor het oordeel dat verlening van de watervergunning niet verenigbaar is met de in artikel 2.1 van de waterwet omschreven doelstellingen. Verder heeft verweerder in verband met het creëren van een nieuw noordelijk compartiment in de 300-bunders - het initieel ontworpen compartiment XIV is gesplitst in de nieuwe compartimenten XIV en XV - ter voorkoming van natschade in Griendtsveen het overlooppeil van het nieuwe, meest noordelijk gelegen, compartiment XV op 3.65 m+NAP gesteld, zijnde het waterpeil voor de inrichting net onder het maaiveld (was: 31.6 m+NAP). Verder is voorzien in sturing van lozing van compartiment XIV en XV teneinde te voorkomen dat het waterpeil van XIV te hoog komt en de watergang Griendtsveen overbelast wordt. De lozing van de Driehonderd Bunders stopt zodra het gemaal Lavendel, die het water van de watergang Griendtsveen verpompt, op maximale capaciteit draait of als beide aanwezige pompen draaien. Hiermee wordt bereikt dat het waterpeil in de watergang Griendtsveen niet wijzigt. In voorschrift 19 (Plaatsing 1 stuw in oppervlaktewaterlichaam Overlaat Driehonderd Bunders) is bepaald dat de drempel van de stuw van compartiment XIV lager is voorgeschreven. Voornoemde maatregelen zijn gericht op beheersing en verlaging van het peil in de meest noordelijk gelegen compartimenten. Gelet daarop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder geen dan wel ontoereikende maatregelen heeft genomen om wateroverlast te voorkomen dan wel dat hij daartoe verdergaande voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. De rechtbank acht hiermee tevens de conclusies van het door eiseres overgelegde rapport van [mede-gemachtigde 2] afdoende weerlegd.

De beroepsgrond slaagt niet.

17. Naar aanleiding van de beroepsgrond dat verweerder geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de muggenoverlast als gevolg van de vernatting van het gebied, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat muggenoverlast een reeds jaren bestaand probleem is voor de inwoners van Griendtsveen. Voor zover eiseres betoogt dat verweerder de vergunning in verband met muggenoverlast had moeten weigeren, stelt de rechtbank met verweerder vast dat het voorkomen of beperken van muggenoverlast geen belang is dat onder de doelstellingen van de Waterwet valt. De watervergunning kan daarom niet op die grond worden geweigerd. Zoals ook in de hiervoor in r.o. 14 weergegeven passage uit de MvT is aangegeven, moet verweerder wel bevoegd worden geacht bij het verlenen van de vergunning met dat belang in die zin rekening te houden dat voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden om in het belang van eiseres uitbreiding van overlast te voorkomen of beperken. Verweerder heeft in april 2015 aan Alterra opdracht gegeven onderzoek te doen naar de oorzaak van de muggenproblematiek. De uitkomst van dat onderzoek is dat de moerassteekmug vooral in de maanden juni en juli voor overlast zorgt. De moerassteekmug heeft een broedplaats nodig in de vorm van een drassige zone vanaf mei. Een oplossing is het voorkomen van tijdelijk water in de periode mei/juni en/of een barrière creëren door ondergroei te verwijderen. Verder heeft verweerder gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voorschriften aan de vergunning te verbinden. Op grond van voorschrift 26, tweede lid, dient tussen de nieuw te realiseren compartimenten XIV en XV een extra vlotterstuw te worden geplaatst. Deze vlotterstuw dient om het peil in Compartiment XV beter te kunnen handhaven (stabilisering waterpeil) teneinde het risico op muggenoverlast terug te dringen. In lijn met het advies van Alterra wordt compartiment XV daardoor op het bestaande, droge niveau gehouden. Daardoor wordt bevorderd dat het compartiment droog is in april en minder geschikt wordt als voortplantingsmilieu voor de moerasmug. Daarnaast is de drempelhoogte van de stuw van compartiment XV verlaagd. Daartoe is voorschrift 19 aan de watervergunning verbonden. Door verlaging van de drempelhoogte wordt het mogelijk gemaakt het peil in compartiment XV verder te verlagen indien de muggenproblematiek daar aanleiding toe zou geven.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan de bestaande muggenproblematiek onvoldoende aandacht heeft besteed of kennelijk onredelijk heeft beslist door geen verdergaande voorschriften in verband met muggenoverlast aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Met betrekking tot de beroepsgrond dat in verband met de cumulatie met de vernatting van de Deurnse Peel in de vergunning een gezamenlijke natschaderegeling had moeten worden vastgesteld om te voorkomen dat bewoners van Griendtsveen in de positie komen dat zijn moeten bewijzen wat de oorzaak van de eventuele natschade is, overweegt de rechtbank als volgt.

In het verweerschrift en bij de behandeling van het beroep ter zitting heeft verweerders gemachtigde erop gewezen dat met provincie en vergunninghouder is afgesproken dat verweerder het loket is voor afhandeling van natschadeclaims. Verweerder zal de claims van gronden of gebouwen in Limburg afhandelen, waarbij voor de afhandeling niet relevant is of de natschade wordt veroorzaakt door de maatregelen in de Brabantse of de Limburgse Peel. Dit is ook zo vastgelegd in voorschrift 28. Ingevolge voorschrift 28, eerste lid, is het waterschap (Peel en Maasvallei) als waterbeheerder het eerste aanspreekpunt voor natschadeclaims en is belast met de afhandeling daarvan. (Nat)schade, voorzien of onvoorzien, wordt afgehandeld conform de Verordening Bestuurscompensatie van het waterschap. Verweerder heeft zich daarbij naar het oordeel van de rechtbank op juiste gronden op het standpunt gesteld dat dit een met voldoende rechtswaarborgen omklede procedure is. De financiële dekking van de eventuele claims is afdoende geregeld in de door de gemeente Horst aan de Maas, de provincie Limburg, de Dienst Landelijk Gebied en het Waterschap Peel en Maasvallei “Ondertekende uitvoeringsovereenkomst” van december 2013.

Naar het oordeel van de rechtbank is door verwijzing en van toepassing verklaring van de Verordening Bestuurscompensatie een goede afwikkeling van eventuele schadeclaims voldoende verzekerd. Gelet op de toelichting in het verweerschrift en de expliciete verklaring van de gemachtigde van verweerder ter zitting hoeft niet gevreesd te worden dat de indiener van een claim kan worden tegengeworpen dat de oorzaak van natschade is gelegen in maatregelen die in de Brabantse Peel zijn getroffen. Nu geen sprake is van een (rechtstreeks) aan vergunninghouder opgelegde verplichting is een aan deze gericht voorschrift niet aan de orde.

De beroepsgrond slaagt niet.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzitter, mr. Th.M. Schelfhout en

mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 mei 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.