Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4123

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
AWB-16_1156uvv
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening gericht tegen een besluit tot het opheffen van een bouwstop.

Verhouding tussen nog niet van kracht zijnde omgevingsvergunning en artikel 8.4 Wro enerzijds en (opleggen en opheffen) bouwstop op basis van artikel 5.17 Wabo anderzijds.

De voorzieningenrechter acht onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat de opgelegde bouwstop vanwege bijzondere omstandigheden opgeheven had dienen te worden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7282

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1156

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] , [verzoeker 6] , [verzoeker 7] , [verzoeker 8] en [verzoeker 9], te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J.H.P. Hardy),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [plaats 1] en [belanghebbende].

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft de raad van verweerders gemeente het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ vastgesteld.

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een [naam 1] supermarkt op het Retailpark A2 [plaats 2] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [letter] nummer [nummer].

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Nadat verzoekers hadden geconstateerd dat sprake was van bouwwerkzaamheden, heeft verweerder, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van verzoekers, op 24 maart 2016 de werkzaamheden op grond van artikel 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in combinatie met de artikelen 2.1 en 2.3 van de Wabo, stilgelegd en een bouwstop opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van € 205,- per overtreding met een maximum van € 10.000,- indien de bouwwerkzaamheden toch worden voortgezet.

Bij besluit van 12 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bouwstop opgeheven. Hiervan heeft aannemersbedrijf Jongen B.V. bij brief van 13 april 2016 een afschrift ontvangen.

Tegen het besluit van 12 april 2016 hebben verzoekers bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen de besluiten van 15 maart 2016 hebben verzoekers bij brief van 3 mei 2016 beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij (de voorzieningenrechter van) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zaaknummer 201603241/2/R1).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016. [naam 2] en [naam 3] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [derde belanghebbende] is verschenen bij [naam 4] en [naam 5] en [belanghebbende] is verschenen bij [naam 6].

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 12 april 2016 totdat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan in de zaak met het nummer 201603241/2/R1;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,- te betalen aan verzoekers.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig geacht.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat -nu de nadere gegevens inzake de voortgang van de bouwactiviteiten op het perceel [perceel] te [plaats 2] zijn overgelegd en akkoord bevonden- de bouwstop wordt opgeheven.

4. Verzoekers voeren -kort weergegeven- aan dat met de bouw van een definitieve supermarkt op het retailpark Gronsveld is begonnen zonder dat sprake is van een van kracht zijnde omgevingsvergunning.

5. De voorzieningenrechter overweegt bij wijze van voorlopig oordeel als volgt.

Ten tijde van het besluit van 12 april 2016, waarin de bouwstop is opgeheven, was de werking van de besluiten van 15 maart 2016 op grond van artikel 8.4 van de Wro opgeschort. Nadien zijn de werking van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning vanwege het ingediende beroep en verzoek om voorlopige voorziening bij de (voorzieningenrechter van) de Afdeling van rechtswege nog steeds opgeschort.

Het mogen doorbouwen als gevolg van het opheffen van de bouwstop door verweerder heeft tot gevolg dat dit wettelijk systeem van opschorting van de werking van bepaalde besluiten wordt doorbroken. Hierin is (onder meer) het belang van verzoekers gelegen. De derde-partijen hebben met name een financieel belang bij het blijvend opheffen van de bouwstop.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in wat van de zijde van verweerder ter zitting is aangevoerd, te weten dat niet alleen sprake is van legalisering maar ook dat bij vertraging van de nieuwbouw van de [naam 1] de parkeersituatie voor het totale retailpark ontoereikend zal worden en zal leiden tot verkeersonveilige situaties, onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat bijzondere omstandigheden, als genoemd in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0988), bestaan op grond waarvan de bouwstop opgeheven had dienen te worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het niet doorbreken van het van rechtswege bestaande systeem van opschorting van de werking van de besluiten van 15 maart 2016, mede in het licht van het gegeven dat de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening op korte termijn, te weten op 31 mei 2016, bij de Afdeling zal plaatsvinden, zwaarder dient te wegen dan de belangen van de derde-partijen. Om die reden heeft de voorzieningenrechter geconcludeerd dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van

mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier en bij afwezigheid van de griffier mede ondertekend door M.B.G. Cox-Vorage, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 mei 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.