Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4074

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
C/03/219346 / HA RK 16-79
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Culminerende twijfels als samenhangend geheel beschouwen – verzoek ontvankelijk - kenbare stukken – procesreglement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: C/03/219346 / HA RK 16-79

Datum uitspraak: 12 mei 2016

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

dat strekt tot wraking van mr. P. Hoekstra, rechter in deze rechtbank, (hierna: de rechter).

1 De procedure

Op 30 september 2015 is in de zaak met nummer 3965040 CV EXPL 15-2676 tussen

[verzoekster] als eisende partij en de besloten vennootschap ‘ [naam] Gerechtsdeurwaarders en Incassospecialisten BV’ (hierna: [gedaagde] ) als gedaagde partij, een tussenvonnis gewezen over de rechtsvraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster] . Deze vraag is bevestigend beantwoord door de kantonrechter. In verband met de vraag hoeveel schade [verzoekster] heeft geleden, heeft de kantonrechter nadere, bij akte te verstrekken, informatie gevraagd.

Op 3 februari 2016 is in de zaak met nummer 3965040 CV EXPL 15-2676 tussen voornoemde partijen een tweede tussenvonnis gewezen. Hierin is naar aanleiding van het verzoek van [gedaagde] om terug te komen van de eerdere beslissing ten aanzien van haar onrechtmatig handelen onder meer de vraag aan de orde gekomen of niet [gedaagde] maar deurwaarder [naam gerechtsdeurwaarder] persoonlijk had moeten worden gedagvaard door [verzoekster] .

Op de rolzitting van 2 maart 2016 is door [gedaagde] naar aanleiding van het tussenvonnis van 3 februari 2016 een akte van uitlating ingediend.

Op de rolzitting van 30 maart 2016 is door [verzoekster] , als eisende partij een antwoordakte genomen.

De rechtbank heeft op 6 april 2016 [verzoekster] bericht dat het eindvonnis op 15 juni 2016 is bepaald.

Daarop is door [verzoekster] op 12 april 2016 een verzoek tot wraking ingediend dat op

13 april 2016 ter griffie is ontvangen.

Verzoekster heeft op 20 april 2016 per e-mail meegedeeld niet te zullen verschijnen maar wel te volharden in het verzoek.

De rechter heeft de wrakingskamer op 18 april 2016 bericht dat hij niet in het verzoek tot wraking berust en hij heeft op 21 april 2016 een schriftelijke reactie ingediend.

Op 21 april 2016 heeft verzoekster per e-mail een aanvullende reactie op het verzoek tot wraking ingediend.

Op 22 april 2016 heeft verzoekster, naar aanleiding van de schriftelijke reactie van de rechter, per e-mail een aanvullende reactie ingediend.

Op 28 april 2016 heeft de behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Ter zitting is verzoekster verschenen. De rechter heeft in verband met zittingsaangelegenheden een bericht van verhindering gestuurd.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op 12 mei 2016.

2 De beoordeling

Allereerst merkt de wrakingskamer op dat van belang is dat alleen verzoekster en de rechter belanghebbende zijn in de wrakingsprocedure, en niet (ook) de wederpartij van verzoekster in de bodemprocedure. De wrakingskamer geeft dus alleen een oordeel over het voorliggende wrakingsverzoek.

Alvorens de wrakingskamer kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd kan worden geacht, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of het verzoek tijdig is ingediend.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in relatie met artikel 37 lid 1 Rv dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan verzoeker bekend zijn geworden.

Ter zitting van de wrakingskamer is gebleken, dat bij verzoekster sedert het vonnis van

30 september 2015 gaandeweg twijfels ten aanzien van de rechter zijn gerezen. Deze twijfels culmineerden en leidden, na de brief van de rechtbank van 6 april 2016, waarin verzoekster werd meegedeeld dat er geen nadere aktewisseling meer zou zijn en de zaak voor vonnis was bepaald, bij verzoekster tot het besluit om een verzoek tot wraking in te dienen. De wrakingskamer is van oordeel dat het voorgaande als een samenhangend geheel moet worden beschouwd waarin de opeenstapelende twijfels gedurende de procedure vanaf

30 september 2016, verzoekster tot haar uiteindelijke besluit om te wraken hebben gebracht. Haar verzoek tot wraking van 13 april 2016 is daarmee tijdig gedaan. Verzoekster is ontvankelijk in haar verzoek.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun - onder meer ingevolge artikel 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoeker relevant, maar is doorslaggevend of de zijdens verzoeker gestelde twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

Verzoekster heeft ter zitting haar verzoek tot wraking toegelicht en gesteld dat de rechter informatie achterhoudt, nu hij in zijn vonnis stukken meeneemt die niet zijn overgelegd en omdat hij in de procedure geen hoor en wederhoor heeft toegepast. De rechter wekt daardoor de schijn van partijdigheid.

De wrakingskamer stelt allereerst vast dat uit het procesdossier blijkt dat [gedaagde] een executoriale titel heeft verkregen op grond waarvan beslag is gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) op de WAO-uitkering die verzoekster van het UWV ontvangt. Tevens is uit het procesdossier kenbaar wat er maandelijks is ingehouden op deze uitkering.

Verzoekster voert aan dat er door de rechter twee stukken worden aangehaald die niet in de procedure zijn overgelegd, namelijk de ‘overbetekening’ en de ‘derdenverklaring’.

De wrakingskamer merkt op dat het eerste stuk, de ‘overbetekening’, wel is overgelegd en onderdeel uitmaakt van productie 2 van de Conclusie van Antwoord van 25 maart 2015 van [gedaagde] .

Van het andere stuk, de ‘derdenverklaring’ van het UWV blijkt niet uit het vonnis of het is overgelegd. Echter uit het procesdossier is wel kenbaar dat de WAO-uitkering van verzoekster is gekort en over welke periode en tot welk bedrag deze uitkering is gekort.

Nu noch in het tussenvonnis van 30 september 2015 noch in het tussenvonnis van 3 februari 2016 is te lezen dat de rechter gebruik maakt van stukken die niet zijn overgelegd terwijl het executoriale beslag vast staat en de beslagstukken, maar ook de bedragen die zijn ingehouden op de uitkering van verzoekster, kenbaar zijn uit het procesdossier, overweegt de wrakingskamer dat aan hetgeen door verzoekster in zoverre aan het verzoek tot wraking ten grondslag is gelegd een feitelijke grondslag ontbeert.

Voor zover verzoekster verder aanvoert dat het recht op hoor en wederhoor is geschonden overweegt de wrakingskamer dat partijen conform het procesreglement eenmaal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten en dat daarvoor geen tweede ronde mogelijk is. Nu het procesreglement is gehanteerd en dus de regels niet zijn geschonden is de wrakingskamer van oordeel dat ook hierin geen grond voor wraking kan worden aangenomen.

Nu deze en voorgaande handelwijze geen gedragingen opleveren waaruit vooringenomenheid van deze rechter blijkt wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. J.W.F. Huinen en mr. F.L.G. Geisel, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.W.D. Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2016.1

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

1 type: coll: