Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:4061

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
03/700024-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging doodslag en poging om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, voor het dragen van een wapen van categorie IV, te weten een honkbalknuppel en voor artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700024-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W.E.M. Guzik, advocaat kantoorhoudende te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 april 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd aan hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

feit 2: een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een honkbalknuppel,

feit 3: met zijn personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard. Voor het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde dient volgens de officier van justitie vrijspraak te volgen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ook voor het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde dient vrijspraak te volgen, nu bij aangever niet redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, omdat verdachte enkel met hoge snelheid achter de auto van aangever is aangereden. Er is daarom geen sprake van een bedreiging zoals deze is tenlastegelegd.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman betoogd dat de honkbalknuppel al twee weken in de auto van verdachte lag en niet bestemd was om aan een ander letsel toe te brengen, dan wel personen daar mee te bedreigen. Bovendien lag de honkbalknuppel niet binnen het direct handbereik van verdachte. Derhalve dient verdachte ook voor dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Vrijspraakoverweging met betrekking tot feit 1 primair en subsidiair:

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte zal om deze reden hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3:

Aangever [slachtoffer] heeft bij zijn aangifte verklaard2 dat hij op zaterdag 16 januari 2016, om 03:20 uur een whatsapp berichtje van [naam] kreeg. Aangever heeft [naam] ontmoet via een soort van datingapplicatie. Nadat aangever het whatsapp berichtje had gekregen van [naam] is hij richting haar woning gereden. Hij stond daar rond 04:30 uur. Hij zag dat een grijskleurige auto achter hem reed. De grijskleurige auto kwam zijn kant op rijden en hield hem tegen. Aangever zag dat er twee personen uit de auto stapten. Ze liepen richting de auto van aangever. Aangever raakte in paniek en zette snel zijn auto naar achteren en is weggereden. Toen aangever wegreed zag hij dat de grijskleurige auto achter hem aan kwam. De personen probeerden hem in te halen om zo voor of naast hem te komen. Aangever reed constant in de derde of vierde versnelling, hij reed erg hard. Aangever zag dat zij constant erg dicht op hem reden. Aangever reed met hoge snelheden tot ongeveer 120 kilometer per uur. Hij zag op een gegeven moment borden richting Eindhoven en Amsterdam. Op enig moment kwam hij op de snelweg terecht. Aangever reed ongeveer 160 kilometer per uur en was erg in paniek. Ook hier probeerden ze aangever weer in te halen. Aangever stuurde naar links en naar rechts om de weg te blokkeren. Aangever was bang dat ze hem tegen de vangrail zouden duwen als ze naast hem zouden rijden. Op enig moment heeft aangever de politie gebeld. Na ongeveer 20 minuten zag hij de politie, dit was bij de afrit Maarhezen/Budel.

Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd3 dat zij omstreeks 05:02 uur een melding kregen om te gaan naar de Rijksweg A2. Verbalisant [verbalisant 1] reed alleen en reed als eerste bij de oprit Weert-Noord. In de verte zag hij de achterlichten van twee voertuigen kort achter elkaar rijden in de richting van Eindhoven. Om dichter bij de voertuigen te komen moest hij de maximumsnelheid zelf grof overschrijden. Uiteindelijk reed hij met een snelheid van 180 kilometer per uur en haalde hij de voertuigen langzaam in. Hij zag dat de achterste personenauto zeer kort achter zijn voorganger reed. Deze afstand betrof vermoedelijk 1 à 2 meter. Verbalisant [verbalisant 1] heeft een stopteken gegeven en uiteindelijk zijn allebei de auto’s gestopt op de vluchtstrook ter hoogte van hectometerpaal 179,5 te Leende, binnen de gemeente Heeze-Leende4. [slachtoffer] viel huilend tegen verbalisant [verbalisant 3] aan omdat hij zo bang was geweest. Er bevonden zich twee personen in de Opel, te weten [verdachte] en [naam bijrijder] . Nadat verbalisanten de mannen aanspraken zagen zij dat [naam bijrijder] half op een grote zwarte honkbalknuppel zat.

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben een onderzoek ingesteld naar de aangetroffen honkbalknuppel.5 Zij concluderen dat, gelet op de aard en omstandigheden waaronder deze honkbalknuppel werd aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of hiermee te dreigen. Derhalve is deze honkbalknuppel een wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1 van categorie IV sub 7 van de Wet Wapens en Munitie. Verdachte had dit wapen op de openbare weg bij zich terwijl het voor onmiddellijk gebruik gereed was.

Verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard6 dat hij er eergister achter was gekomen dat de vriend van zijn zusje ( [naam] ) haar allemaal dingen liet doen. Verdachte was gechoqueerd en heeft hem laten komen. Verdachte wilde hem pakken, hem vuisten en in coma slaan. Verdachte was de bestuurder van de auto en [naam bijrijder] was de bijrijder. Zij reden achter hem aan. De afstand tussen de voertuigen was een meter ofzo. Verdachte heeft verder verklaard dat ze zeker een gevaar waren.

Overweging

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het handelen van verdachte zoals dit uit de bewijsmiddelen volgt kan worden gekwalificeerd als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft aangever gedurende bijna een uur en met snelheden van soms 160/170 kilometer per uur aangever achtervolgd. Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat hij vreesde voor zijn leven. Voorts volgt ook uit het relaas van verbalisant [verbalisant 1] dat verdachte met zeer hoge snelheid ongeveer 1 à 2 meter achter de auto van [slachtoffer] reed. De bedreiging is derhalve van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte een verkeersongeluk zou veroorzaken, dan wel dat, als de verdachte aangever tot stoppen had kunnen dwingen, de ontstane situatie de verdachte tot handelingen zou hebben kunnen brengen die de dood ten gevolge hadden kunnen hebben.

Ook het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. De medepassagier van verdachte, [naam bijrijder] , zat half op de honkbalknuppel en verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij aangever in coma wilde slaan. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de honkbalknuppel was bestemd om letsel aan aangever toe te brengen dan wel om hiermee te dreigen. In tegenstelling tot de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de honkbalknuppel zich onder direct bereik van verdachte bevond, nu hij maar naar achteren hoefde te rijken om hem te pakken.

Voorts volgt uit de bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

op 16 januari 2016 in de gemeente Heeze-Leende, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een door hem bestuurde personenauto, rijdende over de autosnelweg de A2, over een grote afstand met zeer hoge snelheid (tot ca. 170 km/u) en op zeer korte afstand (ca. 1 à 2 meter) achter de door [slachtoffer] voornoemd bestuurde personenauto gereden.

ten aanzien van feit 2:

op 16 januari 2016 te Leende, in de gemeente Heeze-Leende, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een honkbalknuppel, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

ten aanzien van feit 3:

op 16 januari 2016, in de gemeente Heeze-Leende, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A2, over een grote afstand zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, rijdende met zeer hoge snelheid (tot ca. 170 km/u) op een afstand van ongeveer 1 à 2 meter, in elk geval met een gelet op die snelheid veel te korte afstand, achter een ander voertuig personenauto gaan en blijven rijden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte voor feit 1 subsidiair op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

Voor feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gevorderd een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 3 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft gevraagd om rekening te houden met het gegeven dat verdachte heeft gehandeld uit bezorgdheid om zijn zusje. Verdachte vreesde dat aangever zijn zusje uitbuitte. De raadsman heeft verzocht indien de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf wil opleggen, deze in ieder geval niet langer te stellen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de raadsman gevraagd om rekening te houden met het gegeven dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn toekomstplannen. Een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid zou wel voorwaardelijk aan verdachte opgelegd kunnen worden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van aangever [slachtoffer] , verboden wapenbezit en hij heeft gevaar op de weg veroorzaakt. Verdachte heeft gedurende bijna een uur en met snelheden van soms 160/170 kilometer per uur aangever achtervolgd. Hiermee heeft verdachte niet alleen voor zichzelf en aangever een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd, maar ook voor andere verkeersdeelnemers. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze ervaring voor aangever zeer beangstigend is geweest.

Bij de strafmaat heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het gegeven dat hij blijkens zijn strafblad al eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Klaarblijkelijk heeft verdachte niets geleerd van zijn eerdere veroordeling.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte voor feit 1 opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, zoals gevorderd door de officier van justitie. Op deze manier heeft verdachte een stok achter de deur om geen nieuwe strafbare feiten te plegen. Voor feit 2 zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. De rechtbank is van oordeel dat wegens het rijgedrag van verdachte ook het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid aan de orde is. Zij vindt het rijgedrag van verdachte dusdanig gevaarzettend dat zij aan verdachte voor feit 3 een ontzegging van de rijbevoegdheid zal opleggen voor de duur van 9 maanden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 62 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 meer subsidiair tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf;

- verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel voor feit 2:

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 9 maanden met betrekking tot feit 3.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2016.

Buiten staat

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 januari 2016 in de gemeente(n) Weert en/of Cranendonck

en/of Heeze-Leende, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te

beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto, rijdende over

de autosnelweg de A2, over een grote afstand met zeer hoge snelheid (tot ca.

170 km/u) en op zeer korte afstand (ca. 1 à 2 meter) achter de door [slachtoffer]

voornoemd bestuurde personenauto heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2016 in de gemeente(n) Weert en/of

Heeze-Leende, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto, rijdende

over de autosnelweg de A2, over een grote afstand met zeer hoge snelheid (tot

ca. 170 km/u) en op zeer korte afstand (ca. 1 à 2 meter) achter de door [slachtoffer]

voornoemd bestuurde personenauto heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2016 in de gemeente(n) Weert en/of

Heeze-Leende, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een door hem bestuurde

personenauto, rijdende over de autosnelweg de A2, over een grote afstand met

zeer hoge snelheid (tot ca. 170 km/u) en op zeer korte afstand (ca. 1 à 2

meter) achter de door [slachtoffer] voornoemd bestuurde personenauto gereden;

2.

hij op of omstreeks 16 januari 2016 te Leende, in elk geval in de gemeente

Heeze-Leende, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een

honkbalknuppel, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de

omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon

worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan

personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere

categorieën viel;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daarin in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 16 januari 2016,in de gemeente(n) Weert en/of Cranendonck

en/of Heeze-Leende, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A2,

over een grote afstand zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in

staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, rijdende met

zeer hoge snelheid (tot ca. 170 km/u) op een afstand van ongeveer 1 à 2 meter,

in elk geval met een gelet op die snelheid veel te korte afstand, achter een

ander voertuig (personenauto) gaan en/of blijven rijden,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, Noord-& Midden-Limburg, Weert, proces-verbaalnummer 2016009482, gesloten d.d. 30 januari 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 82.

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 16 januari 2016, pagina 9-12.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 januari 2016, pagina 6-8.

4 Proces-verbaal aanhouding d.d. 16 januari 2016, pagina 56-57.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2016, pagina 77-82.

6 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 16 januari 2016, pagina 66-73.