Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3746

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
03/721556-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:1782, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag op drie mannen. De verdachte heeft ’s avonds aan de openbare weg vijfmaal met een vuurwapen op een personenauto geschoten, waarin zich op dat moment drie mannen bevonden. Vrijspraak voor poging moord, omdat er geen bewijs is dat de verdachte volgens een vooropgezet plan handelde met als doel om de inzittenden van de auto te doden. Gelet echter op het forensisch onderzoek naar de schietbanen van de verschillende kogels en de plaatsen waar deze zijn ingeslagen, bestond er een grote kans dat een van de inzittenden dodelijk geraakt zou worden. Deze kans moet de verdachte hebben aanvaard, gelet op zijn handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721556-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de [adresgegevens PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.G.E. Koumans, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 april 2016. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De verdachte is bijgestaan door de heer [naam] , tolk in de Roemeense taal.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte, al dan niet met voorbedachten rade, heeft geprobeerd om drie mensen te doden door met een vuurwapen op hen te schieten. In de meer subsidiaire en meest subsidiaire variant worden hem poging tot zware mishandeling respectievelijk bedreiging verweten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot moord wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van de verdachte dat hij de schutter was, de camerabeelden en de resultaten van het forensisch onderzoek. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat het zeer wel mogelijk was dat de inzittenden van de auto waarop verdachte heeft geschoten door een of meer kogels geraakt zouden worden in hun romp of in hun hoofd, waardoor zij gedood hadden kunnen worden. Er was dus sprake van een aanmerkelijke kans op de dood. De officier van justitie concludeert voorts uit de feiten en omstandigheden dat er sprake was van een gerichte aanslag en dat de verdachte aldus met voorbedachten rade heeft gehandeld. De verdachte had een vuurwapen en heeft daarmee de drie personen opgewacht, toen hij had vernomen dat ze hem zouden bezoeken. De verdachte had voldoende tijd tussen de verschillende handelingen om zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelingen. De verdachte heeft blijkens de camerabeelden vijfmaal gericht geschoten op de auto, waarin de drie personen zaten.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging moord, de poging doodslag en de poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft verklaard de schutter te zijn, maar stelt dat hij de drie personen slechts wilde afschrikken omdat hij door hen bedreigd werd. De verdachte is een geoefend schutter en heeft met het wapen zo gericht dat hij de personen niet zou raken. De omstandigheden waren daarbij dusdanig dat als de verdachte de personen had willen raken, hij deze beslist geraakt had. Gelet aldus op de specifieke feiten en omstandigheden waaronder is geschoten, kan niet bewezen worden dat de verdachte, ook niet in voorwaardelijke vorm, opzet had op de dood van de drie personen. Zijn opzet was puur gericht op het bedreigen van deze mensen. De raadsvrouw heeft zich daarom gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank waar het een bewezenverklaring van de onder meest subsidiair tenlastegelegde bedreiging betreft.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank 1

Feitenrelaas

Op 18 oktober 2015 doet [slachtoffer] aangifte van het feit dat op 17 oktober 2015 door ene [verdachte] op hem is geschoten met een vuurwapen. Hij bevond zich op dat moment op de [locatie] , in een personenauto met twee anderen. [verdachte] heeft vijf of zes keer geschoten. Daarna is [slachtoffer] gevlucht, net als de andere twee inzittenden. Hij is niet geraakt. Als hem een foto van de verdachte wordt getoond, herkent hij hierop de man die hij als [verdachte] aanduidt.2

De verdachte heeft terechtzitting verklaard dat hij inderdaad de schutter is.3 Hij heeft verklaard dat hij door [slachtoffer] beroofd is van € 4.000,00. Hij heeft meerdere pogingen ondernomen om het geld terug te krijgen, maar hij werd ernstig bedreigd door [slachtoffer] . Hij heeft uiteindelijk een vuurwapen in Aken gekocht. Op 17 oktober 2015 heeft [slachtoffer] contact met hem opgenomen en gezegd dat hij eraan zou komen. Verdachte was bang om mishandeld te worden. Hij besloot daarop om [slachtoffer] bang te maken met zijn vuurwapen.

Dit heeft geresulteerd in het schietincident. De verdachte stelt dat hij gericht heeft geschoten om de inzittenden van de auto niet daadwerkelijk te raken.

Van dit schietincident zijn camerabeelden voorhanden, gemaakt door een beveiligingscamera van een woning aan de [locatie] . De rechtbank heeft tijdens de terechtzitting op die beelden waargenomen dat er door de verdachte vijf keer wordt geschoten. Tijdens de terechtzitting heeft de rechtbank bovendien aan de hand van de camerabeelden vastgesteld dat zich drie personen in het passagierscompartiment van de auto bevonden en dat deze tijdens en na de schoten de auto ontvluchtten.4

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden.

Opzet op de dood

De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is voor de stelling dat verdachte van meet af aan uit was op de dood van [slachtoffer] en anderen. Desondanks kunnen sommige handelingen toch dusdanig gevaarzettend zijn dat reeds in de aard van die handelingen het opzet op een bepaald gevolg schuilt. Het gevolg wordt dan zogezegd op de koop toe genomen. In juridische zin spreekt men dan van voorwaardelijk opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt. Het schieten met een vuurwapen, bij uitstek geschikt om iemand mee te doden, kan onder omstandigheden zeker een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengen.

De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of er sprake was van voorwaardelijk opzet bij verdachte op de dood van de inzittenden van de personenauto door op hen te schieten met een vuurwapen. Om deze vraag te beantwoorden moet de rechtbank enerzijds vaststellen of er een aanmerkelijke kans was dat de drie inzittenden dodelijk getroffen of, in ieder geval, levensgevaarlijk gewond zouden raken door de concrete handelingen van de verdachte en anderzijds de vraag of verdachte deze kans op de koop toe heeft genomen.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het bestaan van een aanmerkelijke kans empirisch moet worden benaderd. Het moet gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval de dood van een of meer inzittenden van de auto waarop werd geschoten. Daarbij mag de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen, aldus de Hoge Raad.

In de onderhavige zaak heeft de verdachte vanaf een relatief geringe afstand (ongeveer 2,6 meter), op het passagierscompartiment van een personenauto geschoten waarin zich op dat moment drie personen bevonden. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de verdachte vijfmaal heeft geschoten op dat passagierscompartiment. Eenzelfde aantal kruitdampen is zichtbaar op de camerabeelden. Gelet op deze feitelijke vaststelling, hecht de rechtbank overigens geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij slechts twee keer heeft geschoten.

Tijdens het forensisch onderzoek is ook aandacht besteed aan de schotbanen van die vijf kogels. Drie kogels zijn de auto binnengedrongen door het glas van de ramen van het rechter voor- en achterportier. Er zijn drie schotbeschadigingen aangetroffen aan de binnenzijde van de voorruit, één schotbeschadiging in de stijl van het linker voorportier, één schotbeschadiging in de hoofdsteun van de bestuurderstoel en één in de deurstijl van het linker achterportier. Uiteindelijk concluderen de onderzoekers dat het zeer wel mogelijk was dat een of meerdere inzittenden van de personenauto door een of meerdere kogels waren geraakt in de romp of het hoofd en ten gevolge hiervan waren gedood of ernstig waren verwond.5

Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij de inzittenden van de auto.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring dat de verdachte gericht heeft geschoten op plaatsen binnen het passagierscompartiment, waar hij geen van de inzittenden zou raken. De aangetroffen schotbeschadigingen laten het tegendeel eigenlijk al zien en de verdachte heeft voorts geen invloed op de bewegingen van de drie inzittenden binnen de kleine ruimte die het passagierscompartiment vormt. Ook had de verdachte geen invloed op een eventueel ricocheren van de kogels binnen die kleine ruimte.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of verdachte die aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ook bewust heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het schieten op het passagierscompartiment van een personenauto, waarin zich op dat moment drie personen bevinden, naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van die personen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van die persoon heeft aanvaard. Door vanaf een kleine afstand met een vuurwapen op het passagierscompartiment van de personenauto te schieten, heeft verdachte aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de inzittenden van de personenauto dodelijk zou verwonden.

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] en de twee andere inzittenden van de auto.

Voorbedachten rade

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt niet dat de verdachte een plan had beraamd om [slachtoffer] en/of de twee andere inzittenden van de auto van het leven te beroven.

De rechtbank acht daarom niet bewezen dat er sprake was van voorbedachten rade, reden waarom zij de verdachte van de onder primair tenlastegelegde poging moord vrijspreekt.

Weliswaar had verdachte een wapen aangeschaft en had hij met dat wapen [slachtoffer] (en de anderen) opgewacht, maar daaruit volgt nog niet onomstotelijk dat hij had beraamd om [slachtoffer] en/of die anderen te doden.

In aanmerking genomen al hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

subsidiair:

op 17 oktober 2015 in de gemeente Kerkrade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en anderen opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] en anderen meermalen met een vuurwapen heeft beschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

subsidiair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat enkel bedreiging kan worden bewezen. Primair heeft zij zich daarom op het standpunt gesteld dat de maximaal op te leggen straf voor bedreiging gelijk dient te zijn aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie gematigd moet worden, zelfs als de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging moord komt. In dit verband heeft de raadsvrouw gewezen op de specifieke omstandigheden waaronder de verdachte heeft gehandeld, namelijk dat de verdachte door de latere slachtoffers ernstig werd bedreigd. Bovendien is niemand daadwerkelijk gewond geraakt. Voorts heeft zij aandacht gevraagd voor het feit dat de verdachte niet eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld en de reclassering geen problemen rapporteert binnen de verschillende leefgebieden.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft met een vuurwapen gericht op een auto geschoten, waarin op dat moment drie inzittenden zaten. Louter toeval en geluk hebben ervoor gezorgd dat geen van de inzittenden levensgevaarlijk gewond is geraakt.

Door dit geweld heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Zij zagen zich opeens geconfronteerd met de verdachte die plots het vuur op hen opende. Voorts veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid en onrust bij de slachtoffers en in de maatschappij. De schietpartij heeft immers op de openbare weg plaatsgevonden, in een woonwijk. De rechtbank acht dan ook geen andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf passend.

Voor doodslag wordt in de regel een gevangenisstaf van zes jaren opgelegd. Nu het een poging betreft, dient dit uitgangspunt met een derde te worden verminderd.

De verdachte heeft geprobeerd om maar liefst drie personen te doden, door het vuur op hun auto te openen. Ook het feit dat de schietpartij op de openbare weg heeft plaatsgevonden, werkt naar het oordeel van de rechtbank strafverzwarend mee. Bovendien is de stellige indruk van de rechtbank dat zowel door de verdachte als ook door de slachtoffers geen openheid van zaken is gegeven over de achtergrond van hun conflict. De vraag is of dit conflict in de toekomst niet opnieuw zal oplaaien en of dit dan wederom in de openbaarheid zal worden uitgevochten. Dit is uiteraard zeer onwenselijk, aangezien de verdachte er kennelijk niet voor terug deinst om langs een drukke weg vuurwapengeweld te gebruiken.

Ten slotte weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft genomen. Ter terechtzitting uitte hij zelfs de ongefundeerde beschuldiging aan het adres van de politie dat zij de camerabeelden gemanipuleerd hebben.

In het voordeel van de verdachte pleit dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Bij dergelijke zware misdrijven legt dit echter nauwelijks gewicht in de schaal.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden. De duur van het reeds ondergane voorarrest dient hierop in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt daarmee de eis van de officier van justitie, ondanks het feit dat de rechtbank het handelen van de verdachte als een lichter misdrijf kwalificeert.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van negen jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter,

mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. R.E.J. Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 mei 2016.

Buiten staat

Mr. W.F.J. Aalderink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 oktober 2015, in de gemeente Kerkrade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of (een) ander(en) opzettelijk en

met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade voornoemde [slachtoffer] en/of (een) ander(en) meermalen, althans eenmaal met een

vuurwapen heeft beschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2015, in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] en/of (een) ander(en) meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen heeft beschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2015, in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] en/of (een) ander(en) opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [slachtoffer] en/of (een) ander(en) meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen heeft beschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2015, in de gemeente Kerkrade M.R. [slachtoffer] en/of (een) ander(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen meermalen,

althans eenmaal op voornoemde [slachtoffer] en/of (een) ander(en) geschoten.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015193596, gesloten d.d. 10 maart 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 294.

2 Proces-verbaal van verhoor van aangever M.R. [slachtoffer] d.d. 18 oktober 2015, pagina’s 63, 64 en 65.

3 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016.

4 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 19 april 2016.

5 Proces-verbaal van samenvatting en conclusie van het Team Forensische Opsporing d.d. 10 februari 2016, pagina’s 245, 246 en 247.