Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3665

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-04-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
03/700220-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:3106, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke opzet. Voorbedachte raad. Moord

Het verweer, inhoudende dat er bij verdachte geen opzet tot doden van het slachtoffer was, wordt door de rechtbank verworpen. Door het slachtoffer vier keer te steken met een mes, waarvan één keer in de borst, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. Nu verdachte dit gevolg willens en wetens op de koop toe heeft genomen heeft hij gehandeld met voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer.

Uit de feiten en omstandigheden, dat verdachte een mes kocht met het oog op een confrontatie met het slachtoffer; het slachtoffer belde teneinde deze bang te maken en te laten zien dat hijzelf niet bang was; het slachtoffer op straat opwachtte; na aankomst van het slachtoffer direct op deze afliep en als eerste een slaande beweging maakte in de richting van het slachtoffer leidt de rechtbank af dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld toen hij met het mes naar het slachtoffer heeft gestoken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700220-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 april 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.J.J. Visser, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem met een mes in de borst te steken.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 6 mei 2015 omstreeks 19.05 uur werd politieassistentie gevraagd op het adres [adres] te Reijmerstok, omdat daar een persoon zou zijn neergestoken. De politiemensen die ter plaatse kwamen troffen deze persoon, het slachtoffer, op de oprit van genoemd perceel aan en enkele mensen die daar omheen stonden. Ter plaatse meldde zich een man, die aangaf dat hij de dader was. In de Engelse taal vertelde deze dat hij ruzie met het slachtoffer had gehad en hem met een mes gestoken had. Deze man zat onder het bloed. Ook de omstanders wezen naar de man die zich gemeld had als de persoon "die het gedaan had." Deze bleek de verdachte te zijn.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte van de primair tenlastegelegde voorbedachte raad zal worden vrijgesproken. Hij vordert bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde doodslag.

Daartoe voert de officier van justitie het volgende aan. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Vast staat dat eerder die dag op de werkplek een geschil is geweest tussen het latere slachtoffer, [slachtoffer] en de verdachte. Korte tijd later heeft de verdachte een mes aangeschaft bij de vestiging van Albert Heijn te Elsloo. De verdachte reed daarna met zijn collega’s [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] naar huis. Aangekomen bij zijn woning heeft de verdachte het latere slachtoffer gebeld en hem gesommeerd om naar zijn huis te komen. Dit blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 4] . Toen het slachtoffer bij de woning van verdachte arriveerde, kwam het opnieuw tot een confrontatie tussen beiden. Tijdens deze confrontatie is het slachtoffer meerdere keren met een mes gestoken in zijn benen en bovenlichaam. De messteek in het bovenlichaam heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.

Er is, aldus de officier van justitie, sprake geweest van een lange reeks gebeurtenissen binnen een tijdsbestek van enkele uren. Met name opvallend is dat verdachte een mes koopt (17.31 uur) en dat hij vervolgens dat mes voor anderen verborgen houdt. Bijzonder is ook dat het latere slachtoffer door verdachte wordt gebeld en dat hem wordt gezegd dat hij naar de woning van de verdachte dient te komen (18.31 uur). De confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer vangt blijkens de camerabeelden om 19.02.30 uur aan. Verdachte heeft zich derhalve enige tijd kunnen beraden. Hij handelde niet in een gemoedsopwelling. De vraag is echter of sprake is geweest van een voorgenomen daad. Verdachte heeft verklaard dat hij het mes heeft gekocht uit angst voor het slachtoffer en ter bescherming van zijn vrouw. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer heeft gebeld en hem op dreigende toon heeft uitgenodigd om hem af te schrikken zodat hij niet zou komen. Uit de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer die avond blijkt niet dat de verdachte vanaf het begin uit was op de dood van het slachtoffer. Pas nadat er al een handgemeen was ontstaan gebruikte de verdachte het mes en werd het slachtoffer gestoken. Ondanks het tijdsverloop is er daarom volgens de officier van justitie geen sprake van voorbedachte raad. Verdachte dient van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

3.3

Het standpunt van de raadsman

De raadsman stelt zich evenals de officier van justitie op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Volgens de raadsman heeft de verdachte niet de tijd gehad om zich te beraden maar heeft hij gehandeld uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De raadsman wijst daarbij op het volgende. Vast staat dat op 6 mei 2015 een flinke ruzie tussen de verdachte en het latere slachtoffer heeft plaatsgevonden op het werk. Ook staat vast dat verdachte een mes heeft gekocht bij de Albert Heijn. De verdachte heeft al in zijn eerste verklaring aangegeven dat het slachtoffer hem als eerste met iets heeft geslagen. Om van voorbedachte raad te kunnen spreken moet de verdachte voldoende tijd hebben gehad om zich te beraden. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De verdachte reageerde op een klap – met een voorwerp – die hij zelf kreeg. Uit de beelden blijkt dat er weinig tijd heeft gezeten tussen die klap en de reactie van de verdachte. Daarbij komt dat de verdachte noch voorafgaand aan het feit noch daarna enige handeling heeft verricht om zijn daderschap te verhullen. Het feit is op klaarlichte dag gepleegd in de nabijheid van getuigen ten tijde van een afspraak die meerdere mensen bekend was. Ook heeft de verdachte het feit meteen aan de politie bekend. Hij zei daarbij “I got a black out”. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verdachte bang was voor het slachtoffer. Het slachtoffer was regelmatig agressief, aldus [getuige 1] bij de rechter-commissaris. Het slachtoffer zou bijna iemand van een steiger hebben geduwd, aldus [getuige 1] en [getuige 4] . Het slachtoffer was twee meter groot en breed aldus [getuige 4] bij de rechter commissaris. Verdachte heeft bovendien “Ga weg, ga weg” geroepen toen hij tegenover het slachtoffer op het erf stond. Hieruit blijkt volgens de raadsman dat de verdachte een confrontatie wilde voorkomen. De aankoop van het mes zou kunnen worden gezien als een indicatie voor voorbedachte raad. Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor echter aangegeven dat hij het mes heeft aangeschaft omdat hij bang was voor het slachtoffer.

Uit jurisprudentie blijkt dat de aanschaf van een wapen kort voor het feit niet zonder meer betekent dat sprake is van voorbedachte raad. Uit de bewijsvoering dient te blijken op welk moment de verdachte het besluit heeft genomen en hoeveel tijd tussen het nemen van het besluit en de uitvoering daarvan is verlopen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte het besluit om het slachtoffer te doden zou hebben genomen door de aankoop van het mes. Als al sprake is van een besluit dan is dat besluit genomen op het moment dat verdachte werd geslagen door het slachtoffer.

3.4

Het oordeel van de rechtbank 1

3.4.1

De bewijsmiddelen en de bewijsoverweging voor het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer]

3.4.1.1 Het aantreffen van het slachtoffer [slachtoffer]

Op 6 mei 2015 omstreeks 19.05 uur begaven de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich naar de [adres] te Reijmerstok alwaar een steekincident had plaats gevonden. Ter plaatse zagen zij op de oprit van huisnummer [XX] een man op de grond liggen. De verbalisanten zagen vijf personen op de oprit. [verbalisant 1] werd aangesproken door een man die onder het bloed zat. Hij hoorde dat de man zei ”I did it. We had a fight and i stab him with a knife. He told me that he fucked my mother. My mother died 25 years ago. The knife is inside the house.”2 Verbalisant [verbalisant 1] hield als verdachte aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . Verbalisant [verbalisant 1] hoorde van het ambulancepersoneel dat het slachtoffer omstreeks 19.27 overleden was.3 Het slachtoffer bleek te zijn [slachtoffer]4.

3.4.1.2 De doodsoorzaak

Dr. M. Buiskool, arts en patholoog, heeft een pathologie-onderzoek ingesteld naar aanleiding van de dood van [slachtoffer] . Haar conclusie is dat het intreden van de dood wordt verklaard door hartfunctiestoornissen (harttamponnade) ten gevolge van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld (steekverwonding aan de borstkas links).5

3.4.1.2 De rol van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 15 april 2016 verklaard dat hij [slachtoffer] voornoemd met een keukenmes heeft gestoken.

3.4.1.3 Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat verdachte niet uit was op de dood van [slachtoffer] , maar hem ter verantwoording wilde roepen. Zo verklaart verdachte dat hij op het werk een paar keer ruzie met [slachtoffer] had gehad, dat [slachtoffer] verdachte enkele malen had getreiterd op het werk door bijvoorbeeld een beschermingsmasker te saboteren en dat [slachtoffer] hem had beledigd en bedreigd door te zeggen dat hij verdachtes hele huis zou neuken. Met die intentie en dat opzet heeft verdachte het mes gekocht en verdachte gesommeerd om naar hem toe te komen. Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens opgewacht. In het licht hiervan heeft verdachte, zo is de overtuiging van de rechtbank, geen bloot opzet op de dood van [slachtoffer] gehad. Wel heeft hij door [slachtoffer] vier keer te steken, waarvan één keer in de borst, – en dus in de buurt van een vitaal orgaan als het hart – de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft dit gevolg willens en wetens op de koop toe genomen. Derhalve heeft verdachte gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] , welk gevolg zich heeft verwezenlijkt. Hieruit volgt dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

3.4.2

De bewijsmiddelen en de bewijsoverweging voor de voorbedachte raad

3.4.2.1. De aankoop van het mes

De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 15 april 2016 verklaard dat [slachtoffer] hem op 6 mei 2015 twee keer heeft bedreigd en wel op het werk en in de supermarkt (de Albert Heijn te Elsloo). [slachtoffer] had tegen hem gezegd dat hij zijn huis zou gaan neuken en dat hij die avond naar hem toe zou komen. Op dat moment heeft verdachte besloten om het mes te kopen. Hij heeft verklaard dat hij dit deed omdat hij het gevoel had dat zijn vrouw en hij in gevaar waren. De getuigen [getuige 1]6, [getuige 2]7, [getuige 3]8 hebben niet gezien dat verdachte een mes bij zich had of had gekocht toen hij met bier uit de supermarkt (Albert Heijn) kwam. Ook [getuige 4]9 heeft verklaard dat verdachte alleen bier had gekocht. De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 15 april 2016 verklaard dat hij de verpakking van het mes thuis heeft weggegooid en dat hij het mes niet aan zijn vrouw heeft laten zien. De bedrijfsleider van die Albert Heijn aan de Stationsstraat 110 te Elsloo heeft op verzoek van de politie het computersysteem nagekeken. Op 6 mei 2015 te 17:31:53 uur werden in de winkel aan kassa 4 aan een klant een groentenmes en twee keer 6 blikken bier verkocht10.

3.4.2.2. Telefonisch contact tussen verdachte en [slachtoffer] en tussen verdachte en [manager uitzendbureau]

De verdachte heeft ter terechtzitting op 15 april 2016 verklaard dat hij, nadat hij het mes had gekocht, in de auto is gestapt en met zijn collega’s naar huis is gereden. Hij heeft ook verklaard dat hij bang was dat [slachtoffer] eerder dan hij zelf bij zijn huis aan zou komen. Hij maakte zich zorgen om zijn vrouw. Hij heeft een van zijn collega’s om het telefoonnummer van [slachtoffer] gevraagd en hem gebeld. Hij heeft [slachtoffer] gevraagd hoe laat hij zou komen. Verdachte wilde [slachtoffer] bang maken en hem laten zien dat hij niet bang was. Hij hoorde [slachtoffer] zeggen dat hij er nu aan zou komen. De verdachte heeft verklaard dat hij dit deed met de bedoeling om hem ervan te doen afzien om te komen. Uit gesprekgegevens blijkt dat met het telefoonnummer van verdachte ( [telefoonnummer 1] ) op 6 mei 2015 om 18:31:09 is gebeld naar het telefoonnummer van [slachtoffer] ( [telefoonnummer 2] )11. Op 6 mei 2015 te 19.12 uur kreeg de manager van het uitzendbureau waarvoor verdachte werkte, [manager uitzendbureau] , een telefoontje van verdachte. Verdachte vertelde deze [manager uitzendbureau] dat [slachtoffer] daar was gekomen om zijn moeder en vrouw te neuken, maar dat hij, verdachte, hem had gepakt of iets had aangedaan; [slachtoffer] lag buiten op de grond in het bloed, zo zei verdachte tegen [manager uitzendbureau] , en politie en de ambulance waren gekomen om hem, verdachte, mee te nemen. 12

3.4.2.3. Camerabeelden [adres] Reijmerstok en eigen waarneming rechtbank

Uit de camerabeelden13 blijkt dat omstreeks 18:33 uur een donkerkleurige personenauto de oprit van het perceel [XX] oprijdt en dat daaruit personen stappen,

- omstreeks 18:40:30 uur een persoon, verder te noemen persoon 114= verdachte, hierna verdachte], de oprit verlaat en gezien zijn looprichting naar links de [adres] inloopt,

- tussen 18:41:14 uur en 18:57:01 uur verdachte diverse keren de oprit oploopt en weer uit beeld verdwijnt,

- te 19:01:04 uur verdachte de oprit oploopt, komende uit de richting van het portaal, de [adres] inloopt tot voorbij de poort van perceel 30.

- te 19:02:01 uur verdachte zich omdraait en terugloopt richting oprit,

- te 19:02:05 uur een grijskleurige personenauto de oprit oprijdt, en vervolgens aan de rechterzijde schuin voor de donkerkleurige personenauto wordt geparkeerd - te 19:02:21 uur verdachte weer de oprit oploopt,

- te 19:02:22 uur een persoon, verder te noemen persoon 2 [ = slachtoffer [slachtoffer] , hierna [slachtoffer] ], aan de bestuurderszijde uit de zilverkleurige auto stapt,

[slachtoffer] heeft lichtkleurige bovenkleding aan, en draagt een donkerkleurig op een tas gelijkend voorwerp in zijn rechterhand,

- te 19:02:29 uur beide personen tegenover elkaar staan,

- te 19:02:30 uur er een schermutseling plaatsvindt tussen beide personen, waarbij verdachte een slaande beweging met zijn linkerhand in de richting van [slachtoffer] maakt,

- te 19:02:31 uur [slachtoffer] een achterwaartse beweging maakt, een beweging gelijkende op het incasseren of het ontvangen van een klap,

- - te 19:02:32 uur [slachtoffer] met zijn bovenlichaam een beweging naar links maakt, lijkend op het in elkaar krimpen van het lichaam,

- na de vernoemde beweging verdachte en [slachtoffer] zich opgaand de oprit op bewegen en uit beeld verdwijnen,

- te 19:02:43 een persoon 315 (blijkens het dossier de getuige [getuige 1] , hierna [getuige 1] ) uit de richting van het portaal komt en in de richting van verdachte en [slachtoffer] loopt,

- te 19:02:49 uur alle eerder aangeduide personen weer in beeld komen, er op duwen en trekken gelijkende bewegingen worden gemaakt,

- te 19:02:51 uur [slachtoffer] naar de grond gaat en op de knieën terecht komt,

- te 19:02:55 uur alle drie de personen weer op hun voeten staan en bewegingen gelijkend op trekken en duwen maken,

- te 19:03:06 uur de bewegingen, zoals eerder omschreven, stoppen,

- te 19:03:22 uur [slachtoffer] richting het zilverkleurig voertuig loopt, verdachte en [getuige 1] nagenoeg op dezelfde plaats blijven staan zoals eerder omschreven, ter hoogte van het portaal.

- te 19:03:25 [slachtoffer] een bukkende beweging maakt aan de bestuurderszijde van het zilverkleurig voertuig en een donkerkleurig, op een tas gelijkend voorwerp, opraapt.

- de verdachte en [getuige 1] nog steeds op eerder aangeduide plaats staan.

- te19:03:30 uur [slachtoffer] de tas in zijn linkerhand heeft en met de rugzijde richting bestuurderszijde auto en het gelaat richting portaal staat.

- te 19:03:44 uur [slachtoffer] met zijn bovenlichaam een beweging naar rechts maakt, lijkend op het in elkaar krimpen van het lichaam,

- verdachte en [getuige 1] nog steeds op nagenoeg dezelfde plaats staan,

- te 19:03:48 uur [slachtoffer] nog steeds met zijn bovenlichaam rechts naar beneden stilstaat, zoals eerder omschreven en verdachte en [getuige 1] zich richting portaal bewegen,

- te 19:03:51 uur verdachte uit beeld verdwijnt en [getuige 1] ter hoogte van het portaal blijft staan,

- te 19:03:53 uur [slachtoffer] weer rechtop staat en [getuige 1] nog steeds ter hoogte van het portaal staat,

- te 19:03:55 uur [slachtoffer] vier voorwaartse stappen richting het portaal maakt en vervolgens recht vooruitvallende met volle kracht naar de grond gaat ter hoogte van [getuige 1] ,

- te 19:04:03 uur [getuige 1] uit beeld verdwijnt en verdachte ter hoogte van het portaal op de grond ligt,

- te 19:04:57 uur personen zichtbaar zijn ter hoogte van het portaal,

- het lichaam van [slachtoffer] gedraaid wordt,

- te 19:18 uur politie en ambulance ter plaatse zijn.

3.4.2.4 Bewijsoverweging voorbedachte raad

De rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Daartoe het volgende.

Hiervoor onder 3.4.2.1 is al beschreven waar en waarom verdachte het mes heeft gekocht. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is dit aankoopmoment het moment waarop de verdachte het besluit heeft genomen om het mes eventueel en op enigerlei wijze te gebruiken in een confrontatie met [slachtoffer] . Vanuit de Albert Heijn te Elsloo zijn verdachte en zijn collega’s via Cadier en Keer, waar een andere supermarkt, de Jumbo, werd bezocht, naar huis gereden. Al die tijd in de auto samen met zijn collega’s heeft verdachte vervolgens niet van het mes gerept. Eenmaal thuis om 18.33 uur (zie hiervoor onder r.o. 3.4.2.3), dus ruim een uur later, zei verdachte ook tegen zijn vrouw niet dat hij een mes had gekocht. Hij haalde het mes daar wel uit de verpakking en stak het bij zich in zijn achterzak. Vervolgens vroeg hij zijn collega’s om het telefoonnummer van [slachtoffer] en belde hem om 18:31:09 uur, naar eigen zeggen om hem bang maken en hem laten zien dat hij zelf niet bang was. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte vanaf de oprit de [adres] in loopt. Vervolgens komt hij weer in beeld en loopt hij te ijsberen. Kennelijk wacht hij op [slachtoffer] , zo heeft verdachte ook ter terechtzitting bevestigd. Om 19.02.05 rijdt [slachtoffer] de oprit op. Om 19.02.29 staan verdachte en [slachtoffer] tegenover elkaar. Om 19.02.30 vindt een schermutseling tussen de verdachte en [slachtoffer] plaats. Daarbij maakt de verdachte als eerste een slaande beweging met zijn linkerhand in de richting van [slachtoffer] die vervolgens in elkaar krimpt. Ten slotte belt verdachte nadat hij [slachtoffer] heeft neergestoken zijn baas [manager uitzendbureau] met de mededeling als hierboven onder 3.4.2.2 weergegeven.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld toen hij met het mes naar [slachtoffer] heeft gestoken. De rechtbank neemt op grond van genoemde feiten en omstandigheden als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de mogelijke betekenis en eventuele gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is in het licht van die feiten en omstandigheden derhalve geen sprake.

De raadsman heeft gesteld dat sprake is van contra-indicaties die aan voorbedachte raad in de weg staan. Zo heeft de verdachte volgens de raadsman noch voorafgaand aan het feit noch daarna enige handeling verricht om zijn daderschap te verhullen. De rechtbank stelt daarentegen vast dat er niets te verhullen viel. De verdachte werd immers op heterdaad betrapt. Bovendien had de verdachte zich op het moment dat hij zei dat hij het had gedaan nog niet gerealiseerd dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen was overleden. De raadsman stelt voorts dat verdachte bang was voor [slachtoffer] . De rechtbank ziet dit niet als contra-indicatie voor voorbedachte raad; die angst kan hem ook juist tot zijn daad hebben gebracht. Ten slotte heeft de raadsman gesteld dat de verdachte “Ga weg ga weg” tegen het slachtoffer zou hebben geroepen volgens de getuige [getuige 3] . De rechtbank is van oordeel dat niet blijkt op welk moment [slachtoffer] dat geroepen heeft. De camerabeelden geven geen aanleiding om te concluderen dat verdachte dit vóór zijn daad tegen [slachtoffer] heeft geroepen, nu hij vrijwel meteen toen hij tegenover [slachtoffer] stond de slaande beweging heeft gemaakt als gevolg waarvan [slachtoffer] achteruit deinsde en in elkaar kromp. Gezien het vervolg van het incident, moet dit het moment zijn geweest waarop het dodelijke letsel is toegebracht. De verdachte heeft [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank opgewacht en heeft meteen de confrontatie gezocht, met het mes in de aanslag.

Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat:

Primair:

de verdachte op 6 mei 2015 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer] met een mes in de borst te steken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in het kader van de strafoplegging gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is getrouwd. De zoon van verdachte lijdt aan aneurysma. De inkomsten van verdachte worden daarom zeer gemist. Voorts verzoekt de verdediging de rechtbank om rekening te houden met het feit dat verdachte meteen openheid van zaken heeft gegeven, dat hij geen relevant strafblad heeft en dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Ten slotte wijst de verdediging erop dat de reclassering het recidiverisico ondanks de ernst van het feit laag acht. Derhalve dient ten voordele van verdachte te worden afgeweken van de uitgangspunten voor doodslag volgens de gerechtshoven Amsterdam (6 tot 8 jaar), ’s-Hertogenbosch (6 tot 10 jaar)en Leeuwarden (8 jaar).

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op een van zijn collega’s door hem met een daartoe aangeschaft mes in de borst en in het hart te steken. Als gevolg hiervan is [slachtoffer] na binnen zeer korte tijd ter plaatse overleden. Toen het snel ter plaatse gekomen ambulancepersoneel wilde gaan reanimeren, had dat eigenlijk al geen zin meer. Van deze gebeurtenis zijn meerdere mensen, onder wie collega’s van verdachte, getuige geweest.

Moord is een van de ernstigste misdrijven en wordt bestraft met een gevangenisstraf die maximaal levenslang duurt. Ook als niet een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd, zijn de straffen hoog.

Verdachte heeft met dit misdrijf [slachtoffer] zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Het spreekt voor zich dat dit misdrijf met name ook veel leed en verdriet teweeg moet hebben gebracht bij de zus en zoons van [slachtoffer] en andere nabestaanden. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan. Dat verdachte zich diep gekrenkt en bedreigd voelde toen [slachtoffer] tegen hem zei dat hij verdachtes huis zou neuken, is geen omstandigheid die ten gunste van verdachte meeweegt.

De rechtbank weegt wel ten gunste van verdachte mee dat hij in Nederland blijkens zijn strafblad niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Daarbij komt dat uit het reclasseringsadvies d.d. 28 oktober 2015 blijkt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat.

Verder overweegt de rechtbank dat verdachte reeds bij zijn eerste verhoor spijt heeft betuigd over wat hij heeft gedaan. De verdachte heeft daar onder meer het volgende verklaard “Dit had ik niet verwacht, in mijn 50 jaar, moordenaar te worden. Ik werk voor mijn gezin, wil alleen werken. Mijn leven is slecht, ik heb een wond in mijn ziel. Laat me met rust. Ik kan dit op dit moment niet, ik kan alleen denken aan de dood van die persoon” en “Ik heb een grote tragische fout begaan voor het slachtoffer en mij.” Ook ter terechtzitting heeft de verdachte zijn spijt betuigd.

Ten slotte houdt de rechtbank bij de strafoplegging die onvermijdelijk volgt, rekening met het feit dat verdachte geen Nederlands spreekt, waardoor de op te leggen gevangenisstraf extra zwaar zal zijn, omdat contact met medegedetineerden dan moeilijk zal zijn. Zijn vrouw en zoon wonen in Roemenië, zodat ook het contact met zijn familie beperkt zal zijn.

Omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie en de raadsman de primair ten laste gelegde moord bewezen acht zal de rechtbank een hogere gevangenisstraf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. In de aanleiding van het delict – verdachte was hoewel hij met voorbedachte raad handelde niet uit op de dood van [slachtoffer] – en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf desondanks te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het feit alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar noodzakelijk is.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 10.200,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het primair en subsidiair tenlastegelegde. Dit bedrag bestaat uit € 3.700,00 begrafeniskosten, € 1.500,00 smartengeld en € 5.000,00 affectieschade.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen voor zover dit de materiële kosten betreft. Voor zover de vordering betrekking heeft op smartengeld en affectieschade acht de officier van justitie deze onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient in dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren voor zover dit de materiële schade en het smartengeld betreft. De vordering is in beide gevallen onvoldoende onderbouwd. De verdediging betwist de rekening van de begrafenisonderneming. De vordering van de benadeelde partij ter vergoeding van affectieschade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel te worden afgewezen omdat daarvoor geen wettelijke basis is.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder primair ten laste gelegde feit (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, voor zover dit de materiële schade in de vorm van de begrafeniskosten van het slachtoffer betreft, voor toewijzing vatbaar. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de begrafeniskosten voldoende zijn onderbouwd. Daaraan doet de datum van de factuur die kennelijk opnieuw of later is geprint niet af. Bovendien acht de rechtbank deze kosten niet bovenmatig voor overbrenging van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] naar Griekenland, diens geboorteland, en de begrafenis aldaar.

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij voor zover dit smartengeld betreft onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De wet biedt geen mogelijkheid tot vergoeding van affectieschade, zodat de rechtbank dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.

De rechtbank stelt de schade vast op een bedrag van € 3.700,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal daarbij de verdachte tevens veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.700,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 47 dagen, te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.700,00 ten behoeve van de benadeelde partij daarmee de verplichting van verdachte om dit bedrag aan haar als benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen.

8 Wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen Wetboek van Strafrecht art. 24c, 36f, 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.5 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij
    [benadeelde partij] , [adresgegevens benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 3.700,00;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.700,00, subsidiair 47 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.700,00 ten behoeve van de benadeelde partij daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan haar als benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover dit smartengeld ten bedrage van € 1.500,00 betreft;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij voornoemd af voor zover het de gevorderde affectieschade ten bedrage van € 5.000,00 betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. Th.A.J.M. Provaas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.B. Lenssen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2016.

Buiten staat

Mr. P.H.M. Kuster en mr. Th.A.J.M. Provaas zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Primair

hij, op of omstreeks 06 mei 2015 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem,

[slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft

beroofd, door deze [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp in de borst, in elk geval in het lichaam te

steken;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, op of omstreeks 06 mei 2015 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem,

[slachtoffer] , opzettelijk van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp in de borst, in elk geval in het lichaam te steken;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Recherche Zuid-West, proces-verbaalnummer LB3RO15056-8, gesloten d.d. 16 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 623.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2015, pagina’s 83 en 84.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2015, pagina’s 85.

4 Het proces-verbaal d.d. 16 juli 2015, pagina 5.

5 Het deskundigenrapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een een mogelijk niet natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut, opgesteld door dr. M. Buiskool, arts en patholoog, d.d. 3 juli 2015 met zaaknummer 2015.05.07.049, doorgenummerde pagina’s 608 tot en met 614.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 mei 2015, doorgenummerde pagina 154.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 mei 2015, doorgenummerde pagina 167.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 mei 2015, doorgenummerde pagina 177.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 mei 2015, doorgenummerde pagina 183.

10 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek winkel herkomst mes en camerabeelden d.d. 9 mei 2015, doorgenummerde pagina’s 101 en 102.

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2015, pagina 89.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 mei 2015, pagina 205.

13 Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden plaats delict d.d. 12 mei 2016, pagina’s 107-110.

14 De rechtbank heeft ter terechtzitting d.d. 15 april 2016 deze camerabeelden bekeken. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij persoon 1 is en dat persoon 2 die uit de auto stapt [slachtoffer] is.

15 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 mei 2015, pagina 154.