Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3601

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
03/700266-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank zal, ter voorkoming van recidive, aan het voorwaardelijke deel van de straf tevens de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700266-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat kantoorhoudende

te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 april 2016. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: op 4 juni 2015 haar kind, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld.

Feit 2: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 juni 2015 (meermalen) haar kind, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten. De officier van justitie baseert haar standpunt op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte haar dochter heeft mishandeld door haar te slaan en/of te trappen. De getuige [getuige 2] heeft weliswaar verklaard dat de verdachte haar dochter een trap heeft gegeven, maar die verklaring vindt geen steun in de verklaringen van de andere getuigen. Bovendien ontkent de verdachte dat zij haar dochter heeft geschopt.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte haar dochter bij de arm heeft vastgepakt en aan de arm heeft getrokken. Deze gedragingen leveren echter geen mishandeling op, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat [slachtoffer] daardoor letsel heeft opgelopen en/of pijn heeft gehad. Evenmin kan worden gezegd dat het een feit van algemene bekendheid is dat het vastpakken bij de arm en het trekken aan de arm letsel en/of pijn veroorzaakt.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte haar dochter in de tenlastegelegde periode heeft mishandeld.

De - beweerdelijke - mishandelingen waarover de getuige [getuige 5] heeft verklaard zouden immers hebben plaatsgevonden in 2012 en dus voorafgaand aan de tenlastegelegde periode.

De getuige [getuige 3] heeft weliswaar verklaard dat verdachte in september 2014 haar dochter aan de haren heeft getrokken, maar nergens blijkt uit dat [slachtoffer] dientengevolge

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat zij haar dochter, genaamd [slachtoffer] , op

of omstreeks 4 juni 2015 heeft mishandeld door die [slachtoffer] aan de arm te trekken en/of te slaan en/of te trappen.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte haar dochter in genoemd tijdvak heeft getrapt. De getuige [getuige 2] heeft weliswaar verklaard dat de verdachte haar dochter de woning in heeft geschopt (door haar een trap in de rug te geven), maar die verklaring vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Sterker nog, de getuige [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte haar dochter de woning in heeft getrokken, hetgeen haaks staat op de verklaring van de getuige [getuige 2] . In het licht hiervan is de verklaring van de getuige [getuige 2] , voor zover deze inhoudt dat de verdachte haar dochter een trap heeft gegeven, niet bruikbaar voor het bewijs. Nu in het dossier geen ander bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte haar dochter op of omstreeks 4 juni 2015 heeft getrapt, acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen.

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan wel worden vastgesteld dat verdachte op

4 juni 2015 haar dochter aan de arm heeft vastgepakt en haar aan de arm heeft meegetrokken naar haar woning. Voorts blijkt uit de verklaring van de verdachte dat zij haar dochter - in de woning - een ‘tik op de vingers’ heeft gegeven. Het dossier bevat echter geen bewijs waaruit blijkt dat [slachtoffer] door deze handelingen van de verdachte pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de hiervoor genoemde handelingen van verdachte - zonder dat duidelijk is met welke kracht die handelingen zijn verricht - naar algemene ervaringsregels niet zonder meer pijn en/of letsel veroorzaken. De hiervoor genoemde handelingen van de verdachte leveren daarom geen mishandeling op in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en zal haar daarvan vrijspreken.

Feit 2

De getuige [getuige 5] heeft op 22 januari 2015 ten overstaan van een ambtenaar van de politie verklaard dat zij vanaf 2012 woonachtig is op het adres [adres 1] in Hoensbroek. Naast haar woonde [verdachte] (hierna: de verdachte), samen met haar dochter [slachtoffer] en haar zoon.2

[getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer] sinds 2012 wordt mishandeld door de verdachte. In de loop der tijd had [getuige 5] vaker gezien dat de verdachte haar dochter [slachtoffer] aan de haren door de tuin sleepte. Ook had zij meermalen gezien dat verdachte met de vlakke hand tegen het hoofd, het gezicht, de rug en de borst van [slachtoffer] sloeg. Volgens [getuige 5] gaat dit “tot op heden” zo door (de rechtbank begrijpt dat de getuige [getuige 5] hiermee bedoelt dat deze gebeurtenissen zich hebben voorgedaan in de periode vanaf 2012 tot 22 januari 2015).3

De getuige [getuige 3] heeft op 26 februari 2015 verklaard dat hij in september 2014 had gezien dat een vrouw en twee kinderen vanuit de achtertuin van de woning, gelegen aan het [adres 2] te Hoensbroek (de woning van de verdachte), het aangrenzende pad opliepen. De vrouw hield het meisje aan de haren vast en trok haar op die manier achter zich aan. De getuige [getuige 3] hoorde dat de vrouw vervolgens met krijsende stem riep: “Je zou de hondendrollen opgeruimd hebben en de fiets in de stal hebben gezet.” Het meisje strompelde achter haar moeder aan, die haar aan de haren voorttrok. Na ongeveer 10 meter

liet de vrouw het meisje los.4

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij haar dochter [slachtoffer] wel eens een klap gaf als zij lastig was. Dit gebeurde niet wekelijks, maar het was wel vaker voorgekomen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kind, genaamd [slachtoffer] , in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 juni 2015, te Hoensbroek, meermalen heeft geslagen en/of aan de haren heeft getrokken. Hoewel geen (direct) bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van de door de verdachte gepleegde geweldshandelingen pijn heeft ondervonden, kan dit naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard van de door de getuigen beschreven handelingen, in dit geval wél worden aangenomen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, op de wijze zoals hierna onder punt 3.4 is vermeld.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

2.

meermalen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 juni 2015 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, haar kind, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar aan de haren te trekken en/of te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Feit 2:

mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

GZ-psycholoog I.J.C. Weijnen heeft op 16 november 2015 een rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. De rechtbank leest in dit rapport onder andere het volgende.

Er is bij de verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. Daarvan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Vanwege haar zwakbegaafde verstandelijke capaciteiten, haar persoonlijkheidsproblematiek en het dagelijks gebruik van cannabis (welke verslaving vooralsnog in remissie is), is de verdachte sterk beperkt in haar gedragskeuzes en gedragingen. De verdachte beschikt over onvoldoende vaardigheden om haar gezinssituatie te kunnen hanteren.

De psycholoog concludeert dat de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank begrijpt - gelet op de daarvoor in voornoemd rapport gegeven gronden - de conclusie van de psycholoog dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en neemt deze conclusie over. De verdachte is overigens wel strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan

de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren en met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien de rechtbank tot een veroordeling mocht komen, om aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich - gedurende een periode van anderhalf jaar - meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling van haar dochter [slachtoffer] door haar te slaan en/of aan de haren te trekken. [slachtoffer] was toen nog erg jong, namelijk acht of negen jaar.

Kindermishandeling is een zeer ernstige vorm van mishandeling. Dit soort feiten heeft een flinke impact op het leven van de slachtoffers. In dit geval zal die impact extra groot zijn, aangezien de mishandelingen het slachtoffer zijn aangedaan door haar moeder; de persoon waarbij het slachtoffer zich juist veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

Alhoewel aannemelijk is dat verdachte haar best heeft gedaan om haar dochter een goed thuis te bieden, werd zij (mede vanwege haar persoonlijkheidsproblematiek en beperkte opvoedkundige vaardigheden) overvraagd in haar pogingen om haar dochter - die kennelijk af en toe erg recalcitrant kon zijn - op te voeden. De verdachte heeft, ondanks de bemoeienis van diverse hulpverleners, verschillende keren de grens overschreden tussen een strakke en duidelijke opvoeding en het met geweld corrigeren van het gedrag van haar dochter. De rechtbank zal met dit alles rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 maart 2016, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de rapportage van de psycholoog, waaruit blijkt dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, alsmede met de voorlichtingsrapport van de reclassering.

Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Bij verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. De verdachte heeft geen werk of andere zinvolle dagbesteding en zij kampt met forse schulden. De reclassering acht het, gelet op deze criminogene factoren en ter voorkoming van recidive, van belang dat het hulpverleningstraject, dat is opgestart tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis, wordt voortgezet. De reclassering adviseert, het vorenstaande in aanmerking genomen, om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    reclasseringstoezicht en meldplicht;

  • -

    deelname aan een ambulante behandeling bij Radix Forensische Poli of soortgelijke ambulante forensische zorg;

  • -

    een verbod om softdrugs en/of harddrugs te gebruiken, waarbij de verdachte wordt verplicht om, ter controle op de naleving van dit verbod, medewerking te verlenen

aan urinecontroles.

De rechtbank zal. al het vorenstaande in aanmerking genomen, aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank zal, ter voorkoming van recidive, aan het voorwaardelijke deel van de straf tevens de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

De rechtbank komt tot een zwaardere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij van oordeel is dat oplegging van uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde feit onvoldoende tot uitdrukking brengt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder

4is omschreven;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak moet melden bij Reclassering Leger de Heils, op het adres 6411 GT Heerlen Putgraaf 3 (088-0901140). Hierna moet veroordeelde zich (gedurende de proeftijd) blijven melden, zo lang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen voor haar psychische problematiek bij Radix Forensische Poli of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven.

- geen softdrugs en harddrugs mag gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- ter controle op de naleving van het drugsverbod, medewerking dient te verlenen aan urinecontroles.

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. T.A.J.M. Provaas en

mr. R.M.M. Kleijkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 april 2016.

Buiten staat

Mr. R.M.M. Kleijkers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij, meermalen, althans eenmaal, op of omstreeks 4 juni 2015 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, haar kind, [slachtoffer] , heeft mishandeld door (telkens) haar aan de arm te trekken en/of te trappen en/of te slaan;

2.

zij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met

3 juni 2015 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, haar kind, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar (telkens) aan de armen en/of de haren te trekken en/of te slaan en/of te trappen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, voorzien van dossiernummer PL2300/2015104165, gesloten d.d. 25 juni 2015 en doorgenummerd van pagina’s 1 tot en met 58.

2 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 5] , pagina 47.

3 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 5] , pagina’s 47 en 48.

4 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , pagina 52.