Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3538

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2649u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de eisen aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden waaraan een invorderingsbesluit moet voldoen, voor zover die feitenvaststelling berust op onderzoek onder verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag, in essentie evenzeer behoren te gelden voor de vaststelling van feiten en omstandigheden die aan een last onder dwangsom ten grondslag worden gelegd. Dat laat onverlet dat, anders dan geldt voor de controle op naleving van een opgelegde last, onder omstandigheden de constatering van een overtreding ook kan worden ontleend aan ander bewijs dan rapportage van medewerkers van het bevoegde gezag, zij het dat ook in dat geval het bewijs aan zware eisen zal moeten voldoen.

In dit geval voldoet de vaststelling van de feiten niet aan de geldende maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/2649

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Ubags).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 18 mei 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder besloten tot invordering van de in het primaire besluit 1 vermelde dwangsom.

Bij besluit van 21 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond te verklaren.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2016, waar eiser is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder eiser de last opgelegd om de situatie dat zich op de voorste schuur op het perceel [adres 1] losse nokpannen bevinden, welke situatie volgens verweerder in strijd is met de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit, binnen drie weken na verzending van het besluit te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van een dwangsom van € 2.000,- ineens. Eiser heeft daartegen op 23 maart 2015 bezwaar gemaakt.

2. Op 18 mei 2015 heeft verweerder het primaire besluit 2 genomen. Volgens verweerder is bij een controle op 11 maart 2015 gebleken dat de nokpannen niet op een deugdelijke wijze zijn vastgezet, waardoor eiser een dwangsom van € 2.000,- heeft verbeurd.

Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit 1 mede aangemerkt als te zijn gericht tegen het primaire besluit 2.

3. De kamer Algemene Zaken belast met de behandeling van bezwaarschriften van de gemeente Sittard-Geleen heeft verweerder geadviseerd de bezwaren tegen beide primaire besluiten ongegrond te verklaren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten voor zover het is gebaseerd op artikel 7.22 van het Bouwbesluit. De bezwaren tegen het primaire besluit 2 zijn eveneens, onder instandlating van dit besluit, ongegrond verklaard.

4. Verweerder neemt in het bestreden besluit het standpunt in dat uit het procesdossier blijkt dat de heer [M.], constructeur, tijdens een inspectie op 9 januari 2015 heeft geconstateerd dat de toestand van de nokpannen op het zadeldak van de schuur een gevaarlijke situatie kunnen opleveren. Een aantal nokpannen is reeds afgevallen en de kans is aanzienlijk dat in de nabije toekomst meer nokpannen zullen afvallen. Daar deze nokpannen vanaf een vrij grote hoogte en van een vrij fors hellend dak zullen vallen, zou dit een gevaarlijke situatie opleveren voor de bewoners van het aangrenzende perceel [adres 2]. Verder overweegt verweerder in het bestreden besluit dat op 13 januari 2015 de gemeentelijk toezichthouder, de heer [S.], heeft geconstateerd dat deze nokpannen op een twijfelachtige manier vastzitten. Om te voorkomen dat deze nokpannen bij een storm of een beving naar beneden schuiven, en dus een gevaar zijn voor de omgeving, is geadviseerd deze deugdelijk te verankeren met de rest van het dak. Verder overweegt verweerder in het bestreden besluit dat eiser weliswaar heeft aangevoerd dat de nog aanwezige nokpannen degelijk vastzaten en vastzitten, maar hij leidt uit een controlerapport van 11 maart 2015 af dat het vastzetten van de nokpannen met specie niet is gelukt en de situatie dus ongewijzigd is.

5. In het verweerschrift betoogt verweerder dat de stelling van eiser dat er de laatste jaren geen dakpannen zijn afgevallen onjuist is, gelet op de constateringen op 9 januari 2015. Verweerder stelt in verband met de controle op 11 maart 2015 dat eiser wel werkzaamheden heeft verricht om de nokpannen, met klemmen, spijkers en specie te bevestigen, maar de nokpannen hiermee niet deugdelijk zijn vastgezet, zodat de overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit niet ongedaan was gemaakt. Volgens verweerder wist eiser zelf ook dat de nokpannen niet deugdelijk vastzaten, aangezien hij zelf aangaf dat het cement niet hield.

6. Eiser voert in beroep aan dat het primaire besluit 1 en het primaire besluit 2 ten onrechte zijn genomen. Hij stelt daartoe dat er geen nokpannen loszaten. De gemeentelijk controleur heeft dit zijns inziens ook niet echt geconstateerd. Hij heeft de situatie slechts op afstand bekeken. Eiser heeft daarentegen door, met meer kracht dan de voorgeschreven norm, van de onderkant tegen de pannen te drukken, zelf geconstateerd dat de nog aanwezige nokpannen vastzaten. De pannen zaten vast met een kalkmortel, wat volgens hem een betere bevestiging geeft dan cementspecie. Zijdens verweerder is cementspecie geadviseerd, eiser heeft deze ook aangebracht maar deze bleek niet goed te hechten.

7. De rechtbank heeft aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde dat het primaire besluit 1 is genomen respectievelijk ten tijde dat het primaire besluit 2 is genomen, sprake was van een overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit respectievelijk van het voldoen aan de opgelegde last. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

8. Artikel 7.22 van het Bouwbesluit luidt:

Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

9. Verweerder heeft zijn standpunt dat sprake was van een overtreding van voormeld wettelijke bepaling gebaseerd op een rapport van 13 januari 2015 van [S.], inspecteur, en een rapport van voornoemde inspecteur van 10 februari 2015. Uit het rapport van eerstgenoemde datum blijkt dat op 13 januari 2015 het dak van de onderhavige schuur visueel is gecontroleerd. Volgens het rapport zitten de aanwezige nokvorsten op een twijfelachtige manier vast en is het, om te voorkomen dat de nokvorsten deels of allemaal naar beneden schuiven en dus een gevaar zijn voor de omgeving zeer raadzaam deze deugdelijk te verankeren met de rest van het dak. Bij dit rapport zijn foto’s gevoegd. Het rapport van 10 februari 2015 betreft een “telefonische inspectie” waarbij voornoemde inspecteur kennelijk geen waarnemingen ter plaatse heeft gedaan, maar afspraken met eiser heeft gemaakt over door eiser te nemen maatregelen, zoals het aanbrengen van specie op de plaatsen waar zich geen nokvorsten bevinden om een vast geheel met de rest van de pannen te creëren. Aan het primaire besluit 2 betreffende invordering ligt een “Rapport bouwcontrole” betreffende een inspectie op 11 maart 2015 ten grondslag. Daarin is vermeld dat de situatie ongewijzigd is. Ook bij laatstgenoemd rapport is een foto gevoegd.

10. In (onder meer) de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1911, is geoordeeld dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag behoort te liggen. Dit brengt met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. Dit geschrift dient voorts te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. In het geval dat het geschrift in een digitaal systeem is opgemaakt en ondertekening ontbreekt, dient het bevoegd gezag anderszins aan te tonen op welke datum de deskundige medewerker het geschrift heeft vastgesteld.

11. De rechtbank is van oordeel dat de eisen aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden waaraan een invorderingsbesluit moet voldoen, voor zover die feitenvaststelling berust op onderzoek onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, in essentie evenzeer behoren te gelden voor de vaststelling van feiten en omstandigheden die aan een last onder dwangsom ten grondslag worden gelegd. Dat laat onverlet dat, anders dan geldt voor de controle op naleving van een opgelegde last, onder omstandigheden de constatering van een overtreding ook kan worden ontleend aan ander bewijs dan rapportage van medewerkers van het bevoegde gezag, zij het dat ook in dat geval het bewijs aan zware eisen zal moeten voldoen. Nu verweerders standpunt dat sprake is van een overtreding uitsluitend is ontleend aan rapportage door medewerkers van verweerder, betekent het voorgaande dat de opgelegde last onder dwangsom, onder meer, moet berusten op een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen door een deskundig medewerker van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de rapporten van inspecteur [S.] waar verweerder het primaire besluit 1 op heeft gebaseerd niet aan die eisen. Eiser heeft aangevoerd dat de waarnemingen door de inspecteur slechts op afstand zijn gedaan. De foto’s bij de rapporten bevestigen die stelling nu deze een dak met nokpannen op relatief grote afstand tonen. De foto’s zijn van dermate slechte kwaliteit dat deze geen enkele duidelijkheid geven over de toestand van de bedoelde nokvorsten. Door de overgelegde rapporten wordt naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk hoe is geconstateerd dat de nokpannen los zouden zitten. Verweerders redenering dat eiser wist dat de nokpannen niet vastzaten aangezien hij aangaf dat de cementspecie niet had gehouden, kan de rechtbank niet volgen. Uit het rapport van 10 februari 2015 blijkt namelijk dat eiser, mogelijk op advies van de inspecteur, heeft toegezegd op plaatsen waar zich geen nokpannen bevinden cementspecie te zullen aanbrengen. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat de aanwezige nokpannen niet vast zaten.

12. Gelet op het voorgaande ligt naar het oordeel van de rechtbank aan het standpunt van verweerder dat ten tijde van het primaire besluit 1 sprake was van een overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit geen deugdelijke feitenvaststelling ten grondslag en is dit niet toereikend gemotiveerd. Daargelaten of de rapportage die aan het primaire besluit 2 ten grondslag ligt voldoet aan de daaraan te stellen eisen, kleeft reeds daarom aan het primaire besluit 2 hetzelfde gebrek. Het bestreden besluit tot handhaving van de primaire besluiten ontbeert daarom eveneens een deugdelijke grondslag en kan daarom, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet in stand blijven.

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal, nu redelijkerwijs moet worden aangenomen dat voornoemde aan de primaire besluiten klevende gebreken niet meer hersteld kunnen worden, zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten te herroepen.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Niet is gebleken van door eiser in verband met het beroep gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 april 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.