Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3408

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3669u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 58, eerste lid, van het ARAR. Verweerder heeft in redelijkheid van de bevoegdheid om eiser tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen gebruik mogen maken. Verweerder heeft in voldoende mate aangetoond dat het functioneren van eiser als Leanmanager tekortschoot en dat het belang van verweerder bij een juiste implementatie van Lean en de invoering van Leanmanagement groter is dan het belang van eiser bij behoud van zijn functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/3669

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.H.G.M. van den Boomen-Meeuwissen),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J.M. Oenema).

Procesverloop

Bij emailbericht van 2 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser uit zijn functie ontheven en eiser (tijdelijk) tewerkgesteld bij het bedrijfsbureau Limburg.

Bij besluit van 23 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. J. Westenberg.

Overwegingen

1. Eiser was werkzaam in de functie van teammanager van het team individuele verwerking inkomensheffing 2 (hierna: IH2) bij de Belastingdienst Centrale Administratie (hierna: B/CA) unit Aanslagbelastingen.

2. Eind 2011 heeft het management B/CA het besluit genomen om leiderschap bij alle managers te versterken en lean te implementeren. Een en ander passend binnen de Belastingdienst brede aanpak om de kwaliteit van de sturing structureel te verbeteren en te komen tot een continue procesverbetering. In 2012 is binnen B/CA gestart met de fasegewijze invoering van lean.

Voor eiser is de lean implementatie in het laatste kwartaal van 2012 gestart. Eiser is bij de implemantatie van lean bijgestaan door een leancoach [leancoach] (hierna: leancoach). Door de leancoach is in week 6 van de implementatie van lean een voortgangsrapportage opgesteld, resultaten lean fase 4. In deze voortgangsrapportage is door de leancoach onder meer opgenomen dat:

- eiser weerstand vertoont bij het gebruik van de tooling en meent dat lean hem belemmert in zijn dagelijks werk en dat de score op lean infra sterk achter blijft;

- eiser ervaart dat er te weinig tijd is voor het “gewone” werk. Hij vindt het ritme van de dagstart prettig om te horen wat er speelt maar hecht er weinig waarde aan of het geeltje correct is ingevuld;

- eiser zich niet ontwikkelt als leanmanager en moeilijk coachbaar is;

- ten aanzien van gevraagde besluiten interventie J. Westenberg noodzakelijk wordt geacht.

Naar aanleiding hiervan heeft op 25 maart 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de heer Westenberg. Dit gesprek zag op de handelswijze van eiser en dat de ontwikkeling van eiser naar operationeel manager niet goed gaat.

In april 2013 is een “buikgevoelsheet fase 4 unit Limburg” opgesteld en tevens is in april 2013 een eindrapportage, resultaten lean fase 4, opgesteld voor de unit Limburg team IH2. Uit deze rapportage blijkt onder meer dat:

- een verandertraject wat moeizaam verloopt als eiser geen voorbeeld voor de medewerkers is om hen te begeleiden met de veranderende organisatie om te gaan;

- operationeel sturen voor eiser niet vanzelfsprekend is en een ontwikkelpunt betreft;

- eiser moeite heeft met het voeren van de prestatiedialoog. De ondersteunende Lean middelen vind eiser te instrumenteel en roept weerstand op;

- eiser meer op een Lean manier met de inzet van capaciteit dient om te gaan;

- ziekteverzuim erg hoog is en er een lage drempel is bij het ziekmelden en verzuimgesprekken niet worden gevoerd;

- eiser aangeeft aan dat de Lean ritmiek en de nieuwe cadans van de organisatie te gestructureerd en planmatig is waar hij erg aan moet wennen.

Op 9 april 2013 en 22 april 2013 hebben eiser en de heer Westenberg het leantraject en de eindrapportage besproken.

Op 6 mei 2013 heeft eiser zich ziek gemeld. De bedrijfsarts acht eiser tijdelijk niet geschikt om zijn eigen werk te verrichten. Op 11 juli 2013 is aan eiser een memo gestuurd met betrekking tot zijn re-integratie en het loopbaanvervolg van eiser. Eiser is hiertoe uitgenodigd voor een gesprek.

Op 22 augustus 2013 en 26 augustus 2013 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen eiser en de heer Westenberg. Hierin heeft de heer Westenberg eiser laten weten dat hij eiser niet langer verantwoordelijk kan laten zijn voor het team en dat eiser (tijdelijk) tewerk is gesteld binnen het bedrijfsbureau van de unit Limburg.

3. Bij emailbericht van 2 september 2013, het primaire besluit, heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij eiser niet verantwoordelijk kan laten zijn voor een team en heeft verweerder eiser van zijn team gehaald en eiser (tijdelijk) tewerkgesteld binnen het bedrijfsbureau van de unit Limburg. Hiertegen heeft eiser op 19 september 2013 bezwaar gemaakt.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser (primair) niet-ontvankelijk verklaard en (subsidiair) ongegrond. Verweerder stelt zich (primair) op het standpunt dat voor eiser eerder op meerdere momenten duidelijk had kunnen zijn dat hij tijdelijk van het team is gehaald, waaronder een memo van 11 juli 2013 en een advies van de bedrijfsarts van 3 juni 2013. Verweerder stelt zich (subsidiair), inhoudelijk, op het standpunt dat eiser met het emailbericht van 2 september 2013 duidelijk is geworden dat eiser tijdelijk van het team is gehaald en dat aan eiser tijdelijk andere werkzaamheden zijn opgedragen binnen het bedrijfsbureau zoals bedoeld in artikel 58 ARAR. De beslissing is gebaseerd op het onvoldoende functioneren van eiser. Verweerder is van mening dat eiser niet heeft kunnen voldoen aan de veranderende eisen die door het management van de B/CA (en de Belastingdienst) worden gesteld aan managers. Verweerder concludeert dat het functioneren van eiser tekort is geschoten. Het belang van B/CA bij een juiste implementatie van lean en de invoering van het leanmanagement is groter dan het belang van eiser bij behoud van zijn functie. Door eiser is niet naar voren gebracht dat de werkzaamheden bij het Bedrijfsbureau niet passend zouden zijn.

5. Eiser voert in beroep aan dat het bezwaar ontvankelijk verklaard had moeten worden. Uit de mail van 2 september 2013 blijkt dat verweerder eiser definitief van de functie wil halen. Een tijdelijk niet uitoefenen van de functie vanwege arbeidsongeschiktheid is niet gelijk te stellen met een definitief van de functie en/of team halen, zodat het bezwaar van eiser ontvankelijk verklaard had moeten worden. Verweerder heeft op geen enkel moment eiser duidelijkheid willen verschaffen en/of een formeel besluit willen nemen, waardoor eiser in zijn belangen is geschaad. Eiser was tot eind 2013 arbeidsongeschikt en heeft passende werkzaamheden verricht binnen het bedrijfsbureau. Deze re-integratieplek is niet opgedragen in het kader van artikel 58 ARAR zodat verweerder op onjuiste gronden concludeert dat de beslissing is gebaseerd op het (vermeende) onvoldoende functioneren van eiser. Eiser wordt zonder een deugdelijke grond ontheven. Er zijn geen negatieve functionerings- of beoordelingsverslagen voorhanden. Verweerder baseert zich enkel op de eindrapportage van de leancoach. Er was sprake van een gebrekkig leantraject en er bestond ontevredenheid over de leancoach door eiser en zijn medewerkers. Eiser betwist dat hij zou disfunctioneren. Voor zover hier sprake van is, is aan eiser geen uitdrukkelijk verbetertraject aangeboden. De belangen van eiser zijn onvoldoende afgewogen ten opzichte van de belangen van de dienst. Eiser verwijst naar het benoemingsbesluit van 16 oktober 2015. Hieruit blijkt volgens eiser dat hij in 2013 definitief is ontheven uit zijn functie als teamleider. De ontheffing in 2013 is daarmee niet tijdelijk geweest.

6. De rechtbank overweegt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting als volgt.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in het bestreden besluit, ondanks de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, toch tot een volledige inhoudelijke heroverweging is overgegaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad en zal thans beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

8. Op grond van artikel 58, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) kan de ambtenaar worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2847, bestaat een overplaatsing uit twee componenten, namelijk het ontheffen uit de eigen functie en het opdragen van een andere functie. Het dienstbelang om over te plaatsen kan gelegen zijn in de wens om de ambtenaar uit een functie te ontheffen of om de ambtenaar een andere functie te laten vervullen. In beide gevallen moet de nieuwe functie passend zijn.

Verder heeft de CRvB in zijn uitspraak van 31 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK9663, geoordeeld dat als de reden voor een overplaatsing is gelegen in de ongeschiktheid van de ambtenaar, die overplaatsing wat betreft de feitelijke grondslag niet behoeft te voldoen aan de eisen waaraan een ontslag om die zelfde reden moet voldoen. Weliswaar moet het bestuursorgaan aantonen dat het functioneren van de ambtenaar tekortschiet, maar verder is voldoende dat het bestuursorgaan aannemelijk maakt dat zijn belang om de ambtenaar te ontheffen groter is dan het belang van de ambtenaar bij behoud van zijn functie. In gevallen waarin geen acuut belang tot ontheffing aanwezig is, kan een juiste afweging van belangen meebrengen dat aan eiser eerst nog een verbeterkans wordt geboden.

9. De rechtbank overweegt dat de toetsing van een besluit waarbij een ambtenaar verplicht wordt tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten ingevolge vaste jurisprudentie, gegeven de ruime bevoegdheid tot het tijdelijk opdragen van andere werkzaamheden, een terughoudend karakter draagt. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2846, heeft de minister bij de toepassing van artikel 58, eerste lid, van het ARAR een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de werkzaamheden en kan bij dergelijke tijdelijke werkzaamheden niet spoedig gezegd worden dat deze niet redelijkerwijs opgedragen kunnen worden.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om eiser tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen. Uit de gedingstukken en de door Westenberg ter zitting gegeven toelichting blijkt dat met eiser is gesproken over zijn functioneren in het leantraject en de wijze om hier verbetering in aan te brengen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat het belang van de B/CA bij een juiste implementatie van lean en de invoering van leanmanagement, groter is dan het belang van eiser bij behoud van zijn functie. Eisers hiertegen gerichte beroepsgronden treffen naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Evenmin is de rechtbank gebleken dat de werkzaamheden bij het bedrijfsbureau voor eiser niet passend zijn.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. T.G. Klein en mr. T.E.A. Willemsen, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.

w.g. B. van Dael,

griffier

w.g. P.J.M. Bruijnzeels,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 april 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.