Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3330

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
03/217234 / HA RK 16-31
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer een inhoudelijke beslissing heeft gegeven op het verzoek een toevoeging af te geven. Die beslissing is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Uit die beslissing kan niet worden afgeleid dat de meervoudige kamer vooringenomen zou zijn of dat de schijn daarvan daardoor kan ontstaan. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Wrakingskamer

Zittingslocatie Roermond

Datum beslissing: 22 februari 2016

Zaaknummer: 03/217234 / HA RK 16-31

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats verzoeker] ( [geboorteland verzoeker] ) op [geboortedag verzoeker] 1981,

wonende te [woonplaats verzoeker] , Van [adres verzoeker] ,

bijgestaan door mr. G.L.A.M. van Doveren, advocaat te Tilburg, raadsman van verdachte,

en indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank, bestaande uit:

  • -

    mr. V.P. van Deventer, voorzitter,

  • -

    mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en

  • -

    mr. P.M.S. Dijks, leden.

1 Procesverloop

1.1.

Op 22 februari 2016 is ter zitting door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in opgemelde samenstelling een hernieuwd verzoek tot het verstrekken van een last tot toevoeging aan verdachte afgewezen. Verzoeker heeft daarop de meervoudige kamer gewraakt. Terzake is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechters hebben niet in het verzoek berust. Zij hebben gezamenlijk schriftelijk gereageerd.

1.3.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van 22 februari 2016, waar verzoeker, de verdachte in de strafzaak [verzoeker] , mrs. Van Deventer, Schaap-Meulemeester en Dijks als ook mr. E.J.A. Melssen, officier van justitie, zijn verschenen. Verzoeker heeft ter zitting het verzoek nader toegelicht. Mr. van Deventer, mr. Dijks en officier van justitie

mr. Melssen hebben daarop gereageerd.

1.4.

De wrakingskamer heeft op 22 februari 2016 mondeling uitspraak gedaan.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

2.1.

Als grond voor het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd de weigering van de meervoudige kamer een last tot toevoeging te verstrekken. De meervoudige kamer heeft deze afwijzing niet passend gemotiveerd. Verzoeker stelt dat er sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM, waarmee de rechtbank de schijn van vooringenomenheid wekt.

3 Het standpunt van de rechters

3.1.

De rechters hebben in hun schriftelijke reactie aangegeven dat het verzoek tot wraking is gericht tegen een procedurele beslissing van de meervoudige kamer. Uit de enkele afwijzing van het verzoek tot verstrekken van een last tot toevoeging kan niet worden afgeleid dat de rechters vooringenomen zijn, noch dat zij de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt.

Voorts hebben de rechters ter zitting aangegeven dat tegen de weigering van de Raad voor de Rechtsbijstand een last tot toevoeging te verstrekken een aparte beroepsgang is voorzien.

3.1. 4.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1.

De wrakingskamer beoordeelt louter of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

4.2.

Ten aanzien van het subjectieve criterium oordeelt de wrakingskamer dat er in het onderhavige verzoek tot wraking door verzoeker geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest kan zijn van objectieve partijdigheid.

4.3.

Ten aanzien van het objectieve criterium wordt het navolgende overwogen.

4.4.

Het wrakingsverzoek is gebaseerd op de grond dat de meervoudige kamer in de onderliggende strafzaak door het verzoek om een toevoeging af te wijzen de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. De wrakingskamer is van oordeel dat de meervoudige kamer een inhoudelijke beslissing heeft gegeven op het verzoek een toevoeging af te geven. Die beslissing is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Uit die beslissing kan niet worden afgeleid dat de meervoudige kamer vooringenomen zou zijn of dat de schijn daarvan daardoor kan ontstaan. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van mrs V.P. van Deventer, C.A.M. Schaap-Meulemeester en P.M.S. Dijks af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J.W. Rijksen en

mr. R.A.J. van Leeuwen, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en uitgesproken op

22 februari 2016.

typ: ph