Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3327

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
03/214378 / HA RK 15-267
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

In de beslissing van de rechter om het onderzoek ter zitting te sluiten en geen van partijen - dus niet alleen verzoeker - verder aan het woord te laten, ziet de wrakingskamer geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Wrakingskamer

Zittingslocatie Roermond

Datum beslissing: 19 februari 2016

Zaaknummer: 03/214378 / HA RK 15-267

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] (hierna: verzoeker),

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. R.M.M. Kleijkers, rechter in deze rechtbank (hierna ook: de rechter).

1 Procesverloop

1.1.

Op 4 december 2015 is ter zitting van de bestuursrechter van deze rechtbank, locatie Roermond, de zaak van verzoeker versus het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren (procedurenummer ROE AWB [nummer] ), behandeld. Ter zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechter heeft de wrakingskamer bij e-mailbericht van 7 december 2015 bericht niet in het verzoek tot wraking te berusten.

1.3.

De behandeling van het verzoek heeft ter zitting van de wrakingskamer plaatsgevonden op 5 februari 2016, waar verzoeker is verschenen. De rechter is niet ter zitting verschenen.

1.4.

Verzoeker heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.5.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2. De gronden van het wrakingsverzoek

2.1.

Als gronden voor het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter hem ter zitting van 4 december 2015 niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn pleitnota integraal voor te dragen. De rechter heeft verzoeker na vier pagina’s het woord ontnomen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechter zich daarmee partijdig heeft opgesteld.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter stelt in een schriftelijke reactie d.d. 7 december 2015 niet te berusten in het wrakingsverzoek. De rechter geeft aan dat verzoeker kennelijk de regie over de zitting wenst te voeren, hetgeen echter niet zijn taak is, maar die van de rechter. De rechter achtte zich ter zitting van 4 december 2015 voldoende voorgelicht met hetgeen verzoeker naar voren had gebracht en de reacties van de overige partijen daarop, heeft het toen onderzoek gesloten en daarna geen van partijen verder het woord gegeven. Verzoeker kon zich hierin niet vinden.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

De wrakingskamer beoordeelt louter of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

4.2.

Ten aanzien van het subjectieve criterium oordeelt de wrakingskamer dat er in het onderhavige verzoek tot wraking door verzoeker geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest kan zijn van objectieve partijdigheid.

4.3.

Ten aanzien van het objectieve criterium wordt het navolgende overwogen.

4.4.

De door verzoeker aangevoerde grond die tot het wrakingsverzoek heeft geleid ziet op een procesbeslissing, die in beginsel geen feiten of omstandigheden oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat kan anders zijn indien een aangevochten procesbeslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

In de beslissing van de rechter om het onderzoek ter zitting te sluiten en geen van partijen

- dus niet alleen verzoeker - verder aan het woord te laten, ziet de wrakingskamer geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.

4.5.

De wrakingskamer overweegt voorts dat het de rechter is die de procedurele regie voert over de zaken die aan hem worden voorgelegd en dat hij vrij is in de beslissingsbevoegdheid die aan hem in dat verband wordt toegekend. Het is niet aan verzoeker om te bepalen wie op welk moment ter zitting het woord voert.

4.6.

Nu door verzoeker geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die zouden moeten leiden tot de conclusie dat er gronden zijn voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de rechter, is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

4.7.

Nu in dezelfde procedure al twee keer sprake is van een ongegronde wraking door verzoeker van de rechter, mr. R.M.M. Kleijkers, ziet de wrakingskamer aanleiding de misbruikbepaling van artikel 8:18 lid 4 Awb van toepassing te verklaren.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van mr. R.M.M. Kleijkers af.

- verklaart de misbruikbepaling als bedoeld in artikel 8:18 lid 4 Awb van toepassing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, J.J.M. Wassenberg en F.L.G. Geisel, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en door mr. F.L.G. Geisel uitgesproken op 19 februari 2016.

typ: ph