Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3315

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
29-09-2016
Zaaknummer
AWB-16_870
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2016 is de woning van verzoeker gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid hennep was verweerder in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. De vraag of verweerder ook in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel ontkennend te worden beantwoord. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder in zijn besluitvorming onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerder anderzijds tegen elkaar zijn afgezet en gewogen. Verder heeft verweerder in zijn besluitvorming noch ter zitting gemotiveerd waarom de omstandigheid dat eiser hennep gebruikt op medicinale gronden niet aan de sluiting van de woning in de weg staat. De voorzieningenrechter gaat daarom over tot schorsing van het bestreden besluit en wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/870

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Ikiz),

en

de burgemeester van de gemeente Vaals, verweerder

(gemachtigden: mr. I.J.H. Lemmens en [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van de woning gelegen aan [adres], voor de duur van drie maanden met ingang van 1 april 2016.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voorts heeft verweerder nadere informatie ingezonden en verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft tevens een verweerschrift ingezonden.

Bij beslissing van 8 april 2016 is beperkte kennisname als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, door deze rechtbank gerechtvaardigd geacht.

Ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is partijen verzocht of zij ermee kunnen instemmen dat de voorzieningenrechter mede op grond van de stukken, waarvan beperkte kennisname gerechtvaardigd wordt geacht, uitspraak doet. Verzoeker heeft deze toestemming op 11 april 2016 verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter concludeert dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu verzoekers een bezwaarschrift hebben ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Tevens is de vereiste spoed aangetoond.

4. Uit het naar waarheid opgemaakt rapport van de Politie, Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Basisteam Heuvelland, van 31 januari 2016 volgt – samengevat weergegeven – dat tijdens een doorzoeking in de woning van verzoeker op 28 januari 2016 het navolgende is aangetroffen:

- 25,9 gram hennep;

- 3 gram hasj;

- 1 fijn weegschaal; en

- diverse gripzakjes.

5. Verzoeker is huurder van de woning. Op 3 februari 2016 heeft verweerder verzoeker bericht voornemens te zijn de hiervoor vermelde woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De door verzoeker naar voren gebrachte zienswijze heeft geen verandering gebracht in dit voornemen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

6. Verzoeker heeft – samengevat weergegeven – betwist dat er sprake is van (soft)drugshandel vanuit zijn woning. Ten onrechte heeft verweerder zijn standpunt hierbij mede gebaseerd op de verklaring van een derde. Verzoeker wijst in dat kader tevens op de geringe hoeveelheid aangetroffen softdrugs. Volgens verzoeker zijn er geen klachten van buurtbewoners inzake overlast. Verzoeker was in de veronderstelling dat het toegestaan was om 30 gram hennep in de woning te hebben. De aangetroffen gripzakjes zijn afkomstig van de coffeeshop, waar verzoeker de hennep koopt. Niet helder is hoeveel softdrugs er precies is aangetroffen, nu in het politierapport zowel bruto als netto hoeveelheden zijn vermeld. Verzoeker rookt heel veel wiet en hasj op medisch voorschrift, hetgeen ook blijkt uit zijn medisch dossier. Verwezen wordt naar de in dit kader door verzoeker overgelegde stukken. Hij krijgt maximaal 5 gram medicinale hennep per week, maar dit is niet voldoende om de klachten te verminderen. Verzoeker is daarom genoodzaakt zich te wenden tot de coffeeshop voor meer hennep. Verzoeker rookt gemiddeld 0,5 gram tot 1,5 gram hennep per dag, waardoor er slechts sprake is van een geringe overschrijding van de maximale toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Naar de mening van verzoeker heeft verweerder in het licht van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij zijn belangenafweging ten onrechte nagelaten het belang van verzoeker bij behoud van zijn woning af te wegen tegen het algemeen belang. De sluiting van de woning zal een grote impact hebben op de gezondheid van verzoeker. Hij zal daarnaast door buurtbewoners bestempeld worden als “drugshandelaar”. Verzoeker woont al 30 jaar op hetzelfde adres en er zijn nooit klachten geweest van buurtbewoners. In de visie van verzoeker had verweerder moeten volstaan met een lichter middel, zoals een waarschuwing of een periodieke controle. Op basis van het Beleid (pagina 15) kan verweerder afzien van een schriftelijke waarschuwing wanneer er sprake is van een ernstige situatie. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dient bij een eerste overtreding van artikel 13b van de Opiumwet te worden volstaan met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel. Dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan slechts in ernstige gevallen mag worden afgeweken. In zijn besluitvorming heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom er in het geval van verzoeker sprake is van een ernstige situatie.

7. De voorzieningenrechter acht bij de beoordeling van het verzoek de navolgende bepalingen van belang.

7.1.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

7.2.

Onder herstelsanctie wordt op grond van artikel 5:2 van de Awb verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.

7.3.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, voor zover hier van belang, is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woning of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

7.4.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling brengt de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van

11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362).

7.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor de beoordeling van de vraag of verweerder bevoegd is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen, niet is vereist dat onomstotelijk is bewezen dat een middel als bedoeld in die bepaling is verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Voldoende is dat verweerder dit aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3702).

7.6.

Ter uitvoering van zijn in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid heeft verweerder beleidsregels opgesteld die zijn neergelegd in het Handhavingsbeleid drugs en overige (woon)overlast (Beleid). Dit beleid is op 12 maart 2015 vastgesteld en op

21 maart 2015 in werking getreden.

7.7.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester terughoudend moet toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingsduur beschikt verweerder over beslissingsruimte. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY5066).

7.8.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb kan verweerder afwijken van het beleid indien handelen overeenkomstig dat beleid gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

8. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder bevoegd was handhavend op te treden.

8.1.

Ten aanzien van de hoeveelheid aangetroffen softdrugs, hebben de gemachtigden van verweerder ter zitting toegelicht dat de in het politierapport opgenomen “bruto” hoeveelheid hennep een verschrijving is. Het betreft een netto hoeveelheid. In het politierapport zijn namelijk, op één keer na, alleen maar netto hoeveelheden vermeld. De voorzieningenrechter ziet, nu ook van de zijde van verzoeker hiertegen niets is ingebracht, geen aanleiding om dit betoog van de gemachtigden niet aannemelijk te achten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat, gelet op de aangetroffen hoeveelheid softdrugs van in totaal 28,9 gram, die toegestane hoeveelheid van 5 gram overschrijdt, verweerder bevoegd was handhavend op te treden. De voorzieningenrechter is tevens echter van oordeel dat verweerder niet voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat hij zijn bevoegdheid eveneens heeft ontleend aan het feit dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in zijn woning aangetroffen drugs niet bestemd zijn voor verkoop.

9. De voorzieningenrechter stelt zich vervolgens de vraag of verweerder, ervan uitgaande dat hij voldoende zou hebben gemotiveerd dat hij bevoegd is, in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

9.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar heeft geconcludeerd dat het algemeen belang, dat gemoeid is met de sluiting van de woning, dient te prevaleren boven het persoonlijke belang van verzoeker, dat gemoeid is met het verblijven in de woning, maar met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de belangen van verweerder enerzijds en de belangen van verzoeker anderzijds, tegen elkaar zijn afgezet en gewogen. Evenmin is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de door verzoeker aangevoerde bijzondere omstandigheden. De voorzieningenrechter stelt in dat kader vast dat van de zijde van verweerder onweersproken is dat verzoeker hennep gebruikt op medische gronden. Ter zitting is van de zijde van verweerder weliswaar naar voren gebracht dat in het bestreden besluit is overwogen dat het medicinaal gebruik van hennep niet kan afdoen aan verweerders bevoegdheid om tot sluiting over te gaan, maar in het bestreden besluit noch ter zitting heeft verweerder gemotiveerd waarom deze omstandigheid niet aan de sluiting van de woning in de weg staat. Evenmin is van de zijde van verweerder gemotiveerd waarom er onder de gegeven omstandigheden niet volstaan had kunnen worden met een lichter middel, zoals een waarschuwing.

9.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behelst het bestreden besluit aldus een motiveringsgebrek. De voorzieningenrechter overweegt verder dat in de bezwaarfase een volledige heroverweging zal plaatsvinden van het bestreden besluit waarbij het hiervoor vastgestelde gebrek – mogelijk – onder aanpassing van de motivering van het bestreden besluit – kan worden hersteld. De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding om thans over te gaan tot schorsing van het bestreden besluit, omdat met inachtneming van het voorlopige rechtmatigheidsoordeel het belang van verzoeker, voor wie sluiting zeer ingrijpend is, in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij directe sluiting van de woning. Daarbij kent de voorzieningenrechter aanzienlijk gewicht toe aan de relatief korte duur van de onderhavige sluiting.

9.3.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9.4.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 april 2016.

w.g. I.M.T. Wijnands,

griffier

w.g. A.W.P. Letschert,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 april 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.