Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3259

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
C/03/207382 / FA RK 15-1994
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:RBLIM:2015:11368, ouderschapsplan met behulp van deskundigen, vader niet geslaagd in omzetten knop jegens moeder, geen gezamenlijk gezag, geen wijziging hoofdverblijf voor oudste dochter ondanks haar sterke wens om bij haar vader te mogen wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 8 april2016

Zaaknummer: C/03/207382 / FA RK 15-1994

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat mr. K.M.C. Jansen, kantoorhoudende te Heerlen,

tegen:

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. T.H. Dijkstra, kantoorhoudende te Zwolle.

Gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank tussen partijen gegeven en op

1 september 2015 uitgesproken beschikking.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de brief van de deskundigen van 9 oktober 2015, ingekomen ter griffie op

12 oktober 2015;

  • -

    de deelrapportage van de deskundigen van 16 november 2015, ingekomen ter griffie op 18 november 2015;

  • -

    het plan van aanpak en verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, ingediend door de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI) en ingekomen ter griffie op 19 februari 2016;

  • -

    de eindrapportage van de deskundigen met bijlagen van 29 februari 2016, ingekomen ter griffie op 3 maart 2016;

  • -

    de reactie van de minderjarige [minderjarige], ingekomen ter griffie op 4 maart 2016;

  • -

    de aanvullende stukken van de moeder, ingekomen ter griffie op 7 maart 2016.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 11 maart 2016, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de moeder en haar advocaat;

  • -

    de vader en zijn advocaat;

  • -

    de minderjarige [minderjarige] en [minderjarige];

  • -

    een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht (hierna te noemen: de raad);

  • -

    de gezinsvoogdijmedewerkster van de GI;

  • -

    de deskundigen drs. C.E. Bronkhorst, psycholoog en forensisch mediator, en

drs. R.M. Kavelaars-Niekoop, forensische mediator.

2 De rapportage van de deskundigen

2.1.

De deskundigen hebben geadviseerd de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige]. Hoewel de ouderrelatie moeizaam is en de ouders niet in staat zijn tot goede communicatie, is het in het belang van de kinderen dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De ouders zijn in het kader van het deskundigenonderzoek een ouderschapsplan overeengekomen en er is sprake van een prille verbetering. Hoewel het veel tijd en moeite kost, doen beide ouders hard hun best samen te werken in het belang van de kinderen. Indien zij gezamenlijk worden belast met het gezag, worden de ouders verplicht met elkaar te overleggen en kan de vader daarnaast zelf informatie bij de betrokken instanties opvragen. Hierdoor zullen conflicten tussen de ouders worden voorkomen en zal meer rust ontstaan voor zowel de ouders als de kinderen. De ouders dienen hierbij te worden begeleid door de professionele hulpverlening (onder andere middels Multi Systeem Therapie) en de kinderen dienen externe coachhulp te krijgen.

2.2.

Voorts hebben de deskundigen geadviseerd de beslissing ten aanzien van het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] aan te houden tot de zomervakantie 2016. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij tot het einde van het schooljaar in ieder geval bij de moeder blijft wonen, waar zij rust krijgt. Daarna kan worden bezien of een wijziging van het hoofdverblijf in het belang is van [minderjarige]. Dat is haar diepste wens. [minderjarige] idealiseert de situatie bij de vader en heeft geen reëel beeld van de situatie wanneer zij voltijds bij de vader woont. [minderjarige] ontwikkelt zich niet goed in Limburg en er zijn veel zorgen vanuit school. Aangezien [minderjarige] zich in het verleden ook goed heeft ontwikkeld bij de vader, is een verhuizing naar Kampen wellicht in haar belang.

2.3.

Ten slotte hebben de deskundigen geadviseerd de tussen de ouders in het ouderschapsplan overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.

3 De standpunten van de belanghebbenden

3.1.

Het standpunt van de moeder

3.1.1.

Ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag heeft de moeder gepersisteerd bij haar verweer. Zij stemt niet in met het advies van de deskundigen en stelt dat de vader nog steeds niet in staat is tot goede en respectvolle communicatie. Hoewel de ouders een informatieregeling zijn overeengekomen en de moeder de vader steeds informeert, gelooft de vader de moeder niet en begrijpt hij veel zaken niet, waardoor er onduidelijkheid en problemen ontstaan. Ouders zijn niet in staat samen beslissingen te nemen, waardoor een gezamenlijke gezagsuitoefening niet in het belang van de kinderen is.

3.1.2.

Voorts heeft de moeder gepersisteerd bij haar verweer ten aanzien van het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige]. Zij heeft aangevoerd dat het enkele feit dat [minderjarige] bij de vader wenst te wonen, niet met zich meebrengt dat een wijziging van het hoofdverblijf ook in het belang van [minderjarige] is. Er is geen enkele reden het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen aangezien de moeder goed voor [minderjarige] zorgt. De vader heeft andere ideeën over de opvoeding en verzorging van de kinderen en staat onvoldoende open voor de stem en de opvattingen van moeder en voor hulpverlening.

3.1.3.

De moeder heeft ter zitting haar verzoek tot ontzegging van de omgangsregeling ingetrokken. Zij heeft verzocht de tussen de ouders in het ouderschapsplan overeengekomen omgangsregeling op te nemen in de beschikking.

3.2.

Het standpunt van de vader

3.2.1.

De vader heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag. Hij stemt in met het advies van de deskundigen en stelt zich op het standpunt dat de communicatie tussen de ouders gedurende het deskundigenonderzoek lichtelijk is verbeterd. Ouders zijn een contact- en informatieregeling overeengekomen. Hoewel ouders hier nog in dienen te groeien en zij wederzijds respect en vertrouwen moeten krijgen, is evenwel sprake van een positieve ontwikkeling. De ouders hebben het beste voor met de kinderen en willen met elkaar overleggen. Indien de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag, krijgt de vader meer duidelijkheid en kunnen discussies en daarnaast ook onrust tussen de ouders worden voorkomen.

3.2.2.

Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] heeft de vader eveneens gepersisteerd. Hij heeft aangevoerd dat [minderjarige] al jarenlang een sterke wens heeft om bij de vader te wonen. Gelet op deze wens is het onbegrijpelijk dat de GI de thuissituatie van de vader niet heeft onderzocht. Niet gebleken is dat de opvoedsituatie van de vader onvoldoende veilig is voor de kinderen. Hoewel de moeder vreest dat de vader de contacten tussen haar en [minderjarige] niet zal stimuleren, houdt de vader het belang van [minderjarige] voor ogen en zal hij zorg dragen voor deze contacten.

3.2.3.

Ten slotte heeft de vader verzocht het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan, waarin de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is opgenomen, deel uit te laten maken van deze beschikking.

3.3.

De standpunten van de minderjarige [minderjarige] en [minderjarige]

3.3.1.

De rechter heeft de minderjarige [minderjarige] en [minderjarige] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn ter zitting afzonderlijk en buiten aanwezigheid van de partijen gehoord.

3.3.2.

[minderjarige] heeft verklaard dat de contacten tussen haar en de beide ouders zijn verbeterd, maar dat er ook nog verbeterpunten zijn. Zo moet de band tussen de moeder en [minderjarige] nog worden versterkt en moet de vader beter leren luisteren. Het gaat niet goed op de school van [minderjarige]. [minderjarige] begrijpt niet dat ze bij de moeder moet wonen, want zij wil bij de vader wonen.

3.3.3.

[minderjarige] heeft verklaard dat zij wenst dat zij en [minderjarige] door de ouders gelijk worden behandeld. Zij vindt het fijn om bij de moeder te wonen en om in de weekenden contact te hebben met de vader.

3.3.4.

Na afloop van de verhoren heeft de rechter de inhoud van de verhoren kort en zakelijk samengevat, waarna de partijen in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren.

3.4.

Het standpunt van de GI

3.4.1.

De GI heeft geadviseerd het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] af te wijzen. De GI acht het noodzakelijk dat de situatie wordt genormaliseerd en dat [minderjarige], zoals voorheen, weer bij de moeder woont en in de weekenden contact heeft met de vader. Nu enkel de moeder is belast met het gezag over de kinderen, heeft de GI de thuissituatie van de vader niet onderzocht. Bovendien bestaan geen zorgen omtrent de opvoedingssituatie van de moeder. De communicatie tussen de ouders is niet verbeterd. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de ouders zo weinig mogelijk onderling contact hebben.

3.4.2.

De GI acht een aanhouding van de beslissing op het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf niet in het belang van [minderjarige], aangezien rust en duidelijkheid voor [minderjarige] noodzakelijk zijn. [minderjarige] is de afgelopen periode door toedoen van de hulpverlening gegroeid. Zij voegt zich, is in beweging gekomen richting de vader en probeert er het beste van te maken. Dit proces dient niet te worden doorkruist door de beslissing wederom aan te houden en zodoende weer onduidelijkheid te veroorzaken.

3.5.

Het standpunt van de raad

3.5.1.

De raad heeft ter zitting verklaard zich aan te sluiten bij de visie van de GI. Hoewel rekening dient te worden gehouden met de wens van [minderjarige], zijn er geen zorgpunten ten aanzien van de opvoedsituatie van de moeder. Gelet hierop is het wantrouwen van de vader jegens de moeder geheel onterecht. Daarnaast bestaat weinig zicht op de persoon van de vader en zijn opvoed- en thuissituatie. Hoewel sprake is van een prille positieve ontwikkeling, is er onvoldoende basis voor het vaststellen van het gezamenlijk gezag. Een gezamenlijke gezagsuitoefening zal geen rust brengen en juist een averechts effect hebben. Het verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag dient daarom te worden afgewezen.

4 De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

4.1.

Verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag

4.1.1.

Op grond van op grond van artikel 1: 253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

4.1.2.

Artikel 1: 253c, tweede lid BW bepaalt dat het verzoek slechts kan worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.1.3.

De rechtbank stelt voorop dat een gezamenlijke gezagsuitoefening het uitgangspunt is van de wetgever. Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. Zoals reeds in voormelde beschikking van 1 september 2015 is overwogen, is tussen de ouders al jarenlang sprake van een zeer ernstige ex-partnerstrijd, waardoor [minderjarige] en [minderjarige] klem zitten en zij ernstige loyaliteitsproblemen vertonen. Hierdoor kiezen beide kinderen met name voor één van de ouders en staan ook zij feitelijk min of meer tegenover elkaar. Deze problematiek is zo ernstig dat [minderjarige] reeds geruime tijd aangeeft bij de vader te willen wonen. Zij heeft de moeder gedurende het eerdere verloop van deze procedure ‘afgestoten’, als gevolg waarvan zij zelfs uit huis is geplaatst. Daarin is [minderjarige] in feite blindelings gesteund door de vader die, louter afgaande op het verhaal van [minderjarige], de situatie bij de moeder thuis als niet veilig voor [minderjarige] heeft betiteld. [minderjarige] en [minderjarige] staan door de aanhoudende ex-partnerproblematiek sinds vorig jaar onder toezicht van de GI. Gebleken is ook dat in de afgelopen jaren verschillende procedures tussen de ouders zijn gevoerd, waar de kinderen keer op keer de dupe van zijn geworden.

4.1.4.

Gelet op deze zeer ernstige ex-partnerproblematiek heeft de rechtbank bij voormelde beschikking van 1 september 2015 een kostbaar en vergaand middel ingezet teneinde te trachten de oudercommunicatie en –relatie te normaliseren, zodat de kinderen hier zo weinig mogelijk last meer van hebben. De rechtbank heeft twee deskundigen benoemd en hen verzocht te onderzoeken, te rapporteren en te adviseren over - kort gezegd - de ouderrelatie, de oudercommunicatie, de ouder-kindrelatie en de contactregeling tussen de ouders en de kinderen. Hoewel de rechtbank realiseert dat niet kan worden verwacht dat de verstoorde ouderrelatie gedurende het deskundigenonderzoek volledig kan worden hersteld, is het thans de vraag of de huidige ouderrelatie en –communicatie zodanig verbeterd is dat [minderjarige] en [minderjarige] bij de vaststelling van het gezamenlijk gezag niet (nog meer) klem of verloren zullen raken tussen de ouders.

4.1.5.

De rechtbank verwijst allereerst naar de beschikking van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch van 11 december 2014. Het gerechtshof heeft in deze beschikking onder meer overwogen dat tussen de ouders sprake is van ernstige communicatieproblematiek. Tussen de ouders is sprake van een aanhoudende strijd, waarmee de kinderen worden geconfronteerd. Het gerechtshof verweegt dat met name bij vader sprake is van een gebrek aan inzicht in de loyaliteitsgevoelens van de beide kinderen jegens de ouders. Het gerechtshof concludeerde uiteindelijk dat op grond van de ernstige communicatieproblematiek tussen de ouders en de houding van de ouders ten opzichte van elkaar, een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] en [minderjarige] (nog meer) klem of verloren zullen raken tussen de ouders indien zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.1.6.

De rechtbank concludeert thans dat uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat feitelijk weinig is veranderd sinds de beschikking van het gerechtshof van 11 december 2014. In het kader van het deskundigenonderzoek hebben diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de ouders en hebben de ouders met behulp van de professionele hulpverlening een ouderschapsplan opgesteld. Ook hebben zij gewerkt aan het uitvoeren van het ouderschapsplan, waaronder aan het met elkaar communiceren over de kinderen. Ter zitting is gebleken dat sprake is van een prille en kwetsbare ontwikkeling waarbij de ouders slechts in staat zijn tot minimale communicatie. Hoewel door de deskundigen en de advocaat van de vader is betoogd dat de ouders de afgelopen periode een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt, hebben beide ouders ter zitting erkend dat zij feitelijk weinig tot geen verandering zien in de ouderrelatie en –communicatie. De vader heeft verklaard dat geen sprake is van een goede communicatie, omdat de moeder geen duidelijke antwoorden geeft en zij niet de waarheid spreekt. De moeder heeft op haar beurt verklaard dat de samenwerking tussen de ouders niet is verbeterd en dat de ouders elkaar enkel informeren via de e-mail. Deze overeengekomen informatieregeling verloopt evenmin goed. Ook dit is ter zitting door beide ouders erkend.

4.1.7.

Ouders zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat zij elkaar wekelijks via de e-mail of WhatsApp informeren over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen alsmede over praktische en organisatorische zaken. Ter zitting is gebleken dat de moeder de vader regelmatig e-mailt omtrent de ontwikkeling van de kinderen. Gebleken is echter ook dat de reacties van de vader van geen enkel vertrouwen jegens de moeder getuigen. De vader stelt de door moeder verstrekte informatie praktisch steeds ter discussie, gelooft de moeder niet en wil vervolgens persé zelf deze informatie opvragen bij de betrokken instanties zoals de school of de huisarts. Zo is ter zitting gebleken dat de vader het niet gelooft wanneer de moeder stelt dat de huisarts heeft geconcludeerd dat [minderjarige] 1 kilo is afgevallen en dat hij ook niet gelooft dat de fiets van [minderjarige] is gestolen omdat [minderjarige] deze niet had afgesloten. Pas wanneer de vader allerlei derden heeft benaderd én navraag heeft gedaan bij [minderjarige] zelf, gelooft hij het verhaal omtrent de gestolen fiets. Gebleken is dat de vader niet alleen informatie van de moeder ter discussie stelt, maar ook de informatie die hij krijgt van de GI. Hiermee zorgt de vader voor veel onrust en onduidelijkheid, hetgeen de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] en [minderjarige] acht. Het gebrek van de vader aan ook maar enig vertrouwen in de gezaghebbende moeder maakt dat een gezamenlijke gezagsuitoefening vrijwel onmogelijk is.

4.1.8.

Voorts is gebleken dat de vader de moeder (nog steeds) fors diskwalificeert als ouder. Gedurende het deskundigenonderzoek is aandacht geweest voor het opbouwen van wederzijds respect en vertrouwen en ook in het ouderschapsplan zijn de ouders ‘respectvol ouderschap’ overeengekomen. Hoewel de advocaat van de vader ter zitting heeft aangevoerd dat de vader erkenning van de moeder wil hebben, is de rechtbank ter zitting duidelijk gebleken dat juíst de vader de moeder niet vertrouwt en dat hij haar niet in staat acht op adequate en veilige wijze voor de kinderen te zorgen. De rechtbank benadrukt dat uit diverse onderzoeken van onpartijdige hulpverlening is gebleken dat de moeder goed in staat is [minderjarige] en [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingssituatie te bieden. Dit is niet alleen gebleken uit onderzoeken van zowel de raad als de GI, maar ook uit het onderhavige deskundigenonderzoek. Bovendien heeft ook het gerechtshof in zijn beschikking van

11 december 2014 geconcludeerd dat de zorgen van de vader omtrent de opvoedingssituatie van de moeder door geen van de betrokken hulpverleners worden bevestigd. Hoewel de deskundigen een opmerking plaatsen bij het strenge straffen van de kinderen door de moeder, is tevens gebleken dat de moeder open staat voor adviezen en hulpverlening. Desondanks blijft de vader vasthouden aan zijn opvattingen en blijft hij de moeder beschuldigen van mishandeling van de kinderen. Zo heeft de vader ook tijdens de laatste zitting wederom verklaard dat de moeder de kinderen heeft mishandeld en dat de kinderen daarom bij hem dienen te wonen. De vader toont met deze houding geen enkel zelfinzicht of –kritiek en legt iedere keer weer de schuld bij de moeder. De rechtbank acht dit zeer zorgwekkend en zeker niet in het belang van de kinderen. De rechtbank gunt de kinderen dat ook de vader zijn houding ten opzichte van hun moeder diametraal wijzigt en daar vervolgens ook naar handelt. Echter ondanks het door de vader ondertekende ouderschapsplan en de intensieve interventie door de deskundigen, is de vader niet tot het inzicht gekomen dat hij niet alleen de moeder, maar ook zijn kinderen met zijn opstelling in ernstige mate tekort doet.

4.1.9.

Door de deskundigen en de vader is aangevoerd dat een gezamenlijke gezagsuitoefening zal zorgen voor verplicht overleg tussen de ouders, waardoor de onderlinge communicatie zal worden verbeterd. Daarnaast kunnen op die wijze discussies tussen de ouders worden voorkomen, aangezien de beide ouders zélf informatie kunnen opvragen bij de bij de kinderen betrokken instanties. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Hoewel ter zitting is gesteld dat de ouders hard hun best doen om de onderlinge communicatie te verbeteren, heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat binnen afzienbare tijd verandering zal optreden in de oudercommunicatie. Gelet op het gebrek aan wederzijds vertrouwen en respect van met name de vader jegens de moeder én de onwrikbare houding van de vader jegens de moeder en de GI, heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat de ouders gezamenlijk in staat zijn beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. De rechtbank vreest dat ook bij een vaststelling van het gezamenlijk gezag zeer regelmatig discussies tussen de ouders zullen ontstaan, waardoor diskwalificaties van de een richting de ander in de hand worden gewerkt en waardoor zij niet meer naar elkaar zullen kunnen luisteren. Een en ander zal al snel tot een impasse tussen de ouders leiden of tot gedrag waarbij één van de ouders het heft in eigen handen neemt. Het behoeft weinig voorstellingsvermogen dat de kinderen hiervan de dupe zullen worden en dat hun loyaliteit voor de ouders zwaar zal worden beproefd. Dit acht de rechtbank volstrekt niet in het belang van de kinderen. In die situatie zijn de kinderen (ten opzichte van de huidige situatie waarin alleen de moeder het gezag heeft) slechter af.

4.1.10.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] en [minderjarige] bij een vaststelling van het gezamenlijk gezag nog meer klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Niet ter discussie staat dat de kinderen ook op dit moment al behoorlijk klem zitten tussen de ouders. Dit is ter zitting ook door de betrokken hulpverlening, deskundigen én ouders erkend. Net zoals ten tijde van de beschikking van het gerechtshof van 11 december 2014 hebben [minderjarige] en [minderjarige] ook nu nog last van forse loyaliteitsgevoelens. En ook nu nog houdt de vader geen rekening met deze loyaliteitsgevoelens. Zo wordt [minderjarige] nog steeds belast met volwassenproblematiek. De vader betrekt [minderjarige] in de strijd met de ouders, waardoor zij nóg meer klem komt te zitten. De rechtbank is van oordeel dat de vader de kinderen, en dan met name [minderjarige], door zijn houding tekort doet.

4.1.11.

Met de raad is de rechtbank van oordeel dat op dit moment, gelet op het feit dat ondanks alle interventies er nog geen begin van vertrouwen van de vader in de moeder te bespeuren is, het gebrek aan communicatie tussen de ouders en de nog steeds aanwezige ex-partnerproblematiek, onvoldoende basis bestaat voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag. [minderjarige] en [minderjarige] zullen, zoals hierboven overwogen, bij de vaststelling van het gezamenlijk gezag, nog meer klem of verloren raken tussen de ouders. De rechtbank verwacht niet dat met een verdere interventie, zoals die door de deskundigen als mediators met de ouders voor de komende maanden is afgesproken, zodanige resultaten zullen worden geboekt dat alsdan de situatie tussen de ouders zodanig is verbeterd dat tot een andere beslissing kan worden gekomen. Een aanhouding van de beslissing voor de duur van enige maanden acht de rechtbank dan ook niet aangewezen. De rechtbank zal dit verzoek van de vader daarom afwijzen.

4.2.

Verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige]

4.2.1.

Nu de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van het gezamenlijk gezag zal afwijzen en de moeder aldus eenhoofdig belast blijft met het gezag over de kinderen, komt de rechtbank niet toe tot de beoordeling van het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] als bedoeld in artikel 1: 253a BW. De rechtbank zal de vader omdat hij geen gezag heeft gekregen, niet-ontvankelijk moeten verklaren in dit verzoek.

4.2.2.

De rechtbank realiseert zich dat hiermee niet tegemoet wordt gekomen aan de sterke wens van [minderjarige] om op termijn bij haar vader te kunnen wonen. De rechtbank vertrouwt er evenwel op dat [minderjarige], die op knappe wijze heeft gewerkt aan het herstel van haar relatie met haar moeder, zich niet opnieuw tegen haar moeder keert. Dat heeft haar moeder en ook haar zusje niet verdiend. Maar ook [minderjarige] zelf heeft dát niet verdiend omdat ze daarmee haar eigen ontwikkeling op weg naar volwassenheid in meerdere of mindere mate zal schaden. Bovendien kan de moeder er weinig aan doen dat de vader er intrinsiek niet in is geslaagd zijn gedrag en houding jegens de moeder te wijzigen: hij is er, anders dan hij zelf zegt, niet in geslaagd ‘de knop’ om te zetten.

4.3.

Verzoek tot wijziging van de omgangsregeling

4.3.1.

Op grond van artikel 1: 377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op verzoek van (één van) de ouders stelt de rechter een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht, dan wel ontzegt het recht op omgang.

4.3.2.

Ter zitting is gebleken dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (lees: omgangsregeling) en in het ouderschapsplan een regeling zijn overeengekomen waarbij [minderjarige] en [minderjarige] - kort gezegd - één weekend per veertien dagen en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijven. De ouders hebben verzocht deze regeling vast te stellen en te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. De rechtbank zal aldus beslissen.

4.3.3.

De beslissing van de rechtbank om ouders niet met gezamenlijk gezag te belasten, laat onverlet dat de ouders uitvoering dienen te (blijven) geven aan de in het ouderschapsplan overeengekomen omgangsregeling, aangezien structurele contacten met de vader in het belang zijn van de kinderen. Eveneens verwacht de rechtbank dat de ouders elkaar conform het overeengekomen ouderschapsplan zullen informeren omtrent de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen en dat zij blijven werken aan verbetering van hun onderlinge communicatie.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [2002] te [geboorteplaats], en [minderjarige], geboren op [2004] te [geboorteplaats], omgang hebben met de vader conform het tussen de ouders overeengekomen en ondertekende ouderschapsplan d.d. 22 januari 2016 van 9 pagina’s, waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift aan deze beschikking is gehecht en dat deel uitmaakt van deze beschikking;

5.2.

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van voornoemde [minderjarige];

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey, griffier op

8 april 2016.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.