Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3246

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
03/700706-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie:

Artikel 302/ 45 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994; artikel 3 Opiumwet:

De Belgische verdachte wilde een handelshoeveelheid hennep vanuit Nederland mee terug naar België nemen. Hij reed met hoge snelheid op de A2.

Verdachte is abrupt van rijbaan gewisseld, toen het politievoertuig dat voor hem reed, hem door middel van een stoptransparant gebood te stoppen. Ook achter hem reed een politievoertuig dat hem gebood te stoppen. Op het moment dat de verdachte abrupt van rijstrook wisselde, reed er ook een (politie)auto naast het voertuig van de verdachte. Dit voertuig werd door de auto van de verdachte geramd en heeft daardoor schade opgelopen. De verdachte is na het ongeval doorgereden en heeft onderweg nog een zak met 700 gram hennep uit de auto gegooid. In België kan hij ten slotte worden aangehouden door de politie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700706-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 april 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren [geboortedatum-en plaats] ,

wonende [adres] (België) ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. Th. Boumans, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 april 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Feit 1: heeft getracht [Verbalisant 2] opzettelijk te doden dan wel heeft getracht hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een personenauto met hoge snelheid in te rijden op het politievoertuig, waarin die [Verbalisant 2] zich bevond.

Feit 2: opzettelijk een hoeveelheid hennep in een auto heeft vervoerd met de bestemming België.

Feit 3: is doorgereden na het veroorzaken van een verkeersongeval.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten 1 subsidiair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen. De verdachte bekent de feiten 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 primair vordert de officier van justitie dat vrijspraak dient te volgen, omdat het opzet op de dood van de politieagent niet kan worden bewezen. De officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 1 subsidiair op het standpunt dat door het handelen van verdachte hij de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat de inzittende van de politieauto zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Verdachte is met zeer hoge snelheid en met een (opzettelijk) abrupte beweging ingereden op de politieauto. De verbalisant heeft ternauwernood zijn auto in balans kunnen houden om erger te voorkomen. Na het ongeval heeft verdachte direct geaccelereerd en is met grote snelheid weggereden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair dient vrijspraak te volgen volgens de raadsman, omdat het opzet op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer niet kan worden vastgesteld. Dat geldt ook voor het opzet in voorwaardelijke zin. Verdachte wilde enkel wegkomen en heeft per ongeluk de auto waarin het slachtoffer zat geraakt. Hij had de auto gewoonweg niet waargenomen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

De verbalisanten [verbalisant 1] , [Verbalisant 2] , [Verbalisant 3] , [Verbalisant 4] , [Verbalisant 5] en [Verbalisant 6]2 hebben het volgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op donderdag 26 november 2015, waren de verbalisanten van het Joint Hit Team werkzaam op de A2 tussen Maastricht en de Belgische grens.

Ik, verbalisant [Verbalisant 6] , bemande de centrale post die was uitgerust met een computer waar ik de "ANPR hits" vanaf kon lezen. De andere verbalisanten reden in onopvallende dienstvoertuigen op straat en waren gekleed in burgerkleding.

Op donderdag 26 november 2015, te 19:24 uur, zag ik, [Verbalisant 6] , in het ANPR-systeem dat op dit tijdstip op de A2 een Audi A6 met Belgisch kenteken [kenteken] passeerde. Dit voertuig wordt door ons verdacht van in- en uitvoer van verdovende middelen. Ik gaf mijn bevindingen door aan de andere Joint Hit Team leden.

Ik, [verbalisant 1] , zag dat het genoemde voertuig over de A2 aan kwam gereden, uit de richting van België. Ik zag dat het voertuig boven aan de afslag Gronsveld, linksaf sloeg richting de McDonald’s.

Ik, [Verbalisant 4] , zag om 19:35 uur, dat het genoemde voertuig geparkeerd werd op de parkeerplaats voor de Karwei aan de Oosterbroekweg te Gronsveld. Ik, [Verbalisant 4] , zag dat er een man op de bestuurdersplaats zat.

Ik, [Verbalisant 2] , zag om 19:59 uur, dat het genoemde voertuig wegreed. Ik zag dat de verlichting van het voertuig niet aan was. Ik zag dat onderweg de verlichting van het voertuig werd ontstoken.

Ik, [verbalisant 1] , zag dat het voertuig de oprit van de autosnelweg A2 opreed.

Ik, [Verbalisant 2] , reed op de A2 achter het genoemde Belgische voertuig aan, de snelheid van het Belgische voertuig nam op dat moment toe. Ik zag op mijn snelheidsmeter dat ik 160 km/u reed en dat het voertuig nog steeds snel op mij uitliep. Ik zag om 20:02 uur dat het voertuig de afslag centrum nam. Ik zag dat het voertuig boven aan de afslag, rechts afsloeg de N278 op.

Ik, [Verbalisant 4] , zag om 20:08 uur, dat het voertuig over de oprit vanaf de J.F. Kennedybrug weer de snelweg, A2 richting België, opreed. Ik zag dat het voertuig op dat moment een zeer hoge snelheid had.

Ik, [Verbalisant 3] , ben achter het voertuig gaan rijden en heb mijn stoptransparant aan de voorzijde aangedaan en ook mijn blauwe optische signalen. Ik, [verbalisant 1] , reed nog steeds voor het voertuig en heb mijn stoptransparant achter aangedaan dat oplichtte en duidelijk te zien was voor de bestuurder van het voertuig. Ik zag op mijn snelheidsmeter dat we op dat moment ongeveer 140 km/u reden.

Ik, [Verbalisant 2] , ben toen links naast het voertuig gaan rijden op de 1e rijstrook zodat hij het voertuig van verbalisant [verbalisant 1] niet in kon halen. Het voertuig was aan alle kanten ingesloten. Ik zag op het moment dat ik naast het voertuig reed, dat het voertuig abrupt naar links stuurde en mij ramde. Ik zag en hoorde dat hij vervolgens accelereerde. Ik kon op dat moment niet meer remmen of gas geven om een aanrijding met hem te voorkomen en ik zag en voelde dat het Belgische voertuig me ramde met zijn linkerzijde tegen mijn rechtervoorzijde. Ik kon mijn voertuig op dat moment niet meer op de rijbaan houden en kwam met hoge snelheid op de groenstrook terecht met aan mijn linkerzijde de vangrail en aan mijn rechterzijde rijstrook 1. Ik zag vlak voor deze aanrijding op mijn snelheidsmeter dat ik ongeveer 140 km/u reed.

Ik, [verbalisant 1] , heb toen mijn optische en geluidssignalen aangedaan. Ik, [Verbalisant 3] , heb ook mijn geluidssignalen aangezet. Wij, [Verbalisant 5] en [Verbalisant 4] , hebben ook onze optische en geluidssignalen aangezet en hebben ook de achtervolging ingezet.

Ik, [Verbalisant 3] , zag om 20:12 uur, dat de bestuurder een grote zilverkleurige zak uit zijn raam aan de bijrijderszijde gooide ter hoogte van hectometerpaal 272,6 rechts. Ik zag dat deze zak op de 2e rijstrook terecht kwam.

Ik, [Verbalisant 3] , zag op mijn snelheidsmeter dat ik 210 km/u reed en dat het Belgische voertuig steeds verder op ons uitliep. Ik, [Verbalisant 6] , zag in het ANPR-systeem een alarmhit op het genoemde Belgische voertuig, [kenteken] .

Inmiddels waren ook collegae van de KMAR ter plaatse en waren collegae van de Belgische federale politie op de hoogte van onze achtervolging.

Ik, [Verbalisant 4] , ben toen gestopt op de vluchtstrook ter hoogte van de zilverkleurige tas die op de 2e rijstrook lag. Ik ben toen naar de tas gelopen toen er even geen verkeer was. Ik zag dat er over de tas heen was gereden en ik zag dat de tas kapot was en dat er hennep in de tas zat. Verder zag ik dat er in de buurt van de tas ook hennep op het asfalt lag en dat er veel hennep weg waaide over het asfalt. Ik heb de tas meegenomen en inbeslaggenomen.

Wij, [verbalisant 1] en [Verbalisant 3] , zagen dat het Belgische voertuig met hoge snelheid zijn weg vervolgde in de richting van België en de Belgische grens over ging. Ik, [Verbalisant 3] , zag dat het voertuig nog steeds op ons uitliep en ik zag op mijn snelheidsmeter dat ik nog steeds 210 km/u reed. Ik zag dat het Belgische voertuig na de Belgische grens, de tweede parkeerplaats opreed. Wij, [verbalisant 1] en [Verbalisant 3] , zijn achter het Belgische voertuig blijven aanrijden. Wij zagen dat het Belgische voertuig zich klem reed achter aldaar geparkeerde vrachtauto's.

Ik, [Verbalisant 3] , zag dat de bestuurder van het Belgische voertuig inmiddels het linker portier van zijn voertuig had geopend en zijn handen naar buiten hield. Vervolgens werd de bestuurder door inspecteur [naam inspecteur 1] , de Belgische liasonofficier van de federale politie, werkzaam bij het Joint Hit Team, om 20:13 uur op de parkeerplaats aangehouden.

Hij gaf op te zijn: [verdachte] [geboortedatum-en plaats] en wonende [adres] .

Verbalisant [voornaam] [Verbalisant 2]3 heeft het volgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 26 november 2015 was ik met mijn collega's van het Joint Hit Team werkzaam op de A2 tussen Maastricht en de Belgische grens.

Om 19:24 uur, zag [Verbalisant 6] in het ANPR-systeem dat op de A2, ter hoogte van 271.8. (Nederland inkomend vanuit België), een Audi A6 met kenteken [kenteken] , passeerde. Dit voertuig werd door ons verdacht van in- en uitvoer van verdovende middelen. Collega’s zien dat het voertuig naar de parkeerplaats bij de McDonald’s/Karwei rijdt.

Ik zag om 19:59 uur, dat het genoemde voertuig wegreed van de parkeerplaats bij Karwei.
Ik zag dat de verlichting van het voertuig niet aan was en dat onderweg de verlichting van het voertuig werd ontstoken.

Ik zag om 20:08 uur, dat het voertuig over de oprit vanaf de J.F. Kennedybrug weer de snelweg, A2 richting België, opreed. Ik zag dat het voertuig op dat moment een zeer hoge snelheid had.

Collega [Verbalisant 3] is achter het voertuig gaan rijden en heeft de stoptransparant aan de voorzijde aangedaan en ook zijn blauwe optische signalen. Collega [verbalisant 1] reed nog steeds voor het voertuig en heeft zijn stoptransparant achter aangedaan, dat oplichtte en duidelijk te zien was voor de bestuurder van het voertuig. Hij zag op zijn snelheidsmeter dat we op dat moment ongeveer 140 km/u reden.

Ik ben toen links naast het voertuig gaan rijden op de 1e rijstrook zodat hij het voertuig van collega [verbalisant 1] niet in kon halen om weg te komen. Het voertuig was toen aan alle kanten omsloten. Ik reed op dat moment in mijn dienstvoertuig VW Passat, met kenteken [kenteken 2] Ik zag en voelde, op het moment dat ik naast het voertuig reed, dat het voertuig abrupt naar links stuurde en mij ramde. Ik zag en hoorde dat hij vervolgens accelereerde. Ik kon op dat moment niet meer remmen of gas geven om een aanrijding met hem te voorkomen en ik zag en voelde dat de bestuurder van het Belgische voertuig met zijn linkerzijde tegen mijn rechtervoorzijde botste. Ik kon mijn voertuig op dat moment niet meer op de rijbaan houden en kwam met hoge snelheid op de groenstrook terecht met aan mijn linkerzijde de vangrail en aan mijn rechterzijde rijstrook 1. Ik zag vlak voor deze aanrijding op mijn snelheidsmeter dat ik ongeveer 140 km/u reed. Met deze snelheid kwam ik dan ook op de groenstrook terecht en heb met sturen en remmen maar net kunnen voorkomen dat ik tegen de vangrail botste. De bestuurder heeft willens en weten mij opzettelijk met zijn voertuig van de rijbaan geramd en mij in een levensgevaarlijke situatie gebracht. Als ik tegen de vangrail was gebotst of over de kop was geslagen had ik ernstig letsel kunnen oplopen of erger.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard4 - zakelijk weergegeven -:

Ik heb de stoptransparant van de auto die voor me reed gezien. Ik wilde echter wegkomen en heb een inhaalmanoeuvre gemaakt. Ik wisselde abrupt van rijbaan en kwam in aanraking met de auto naast me. Ik had deze niet waargenomen. Ik reed snel door.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat het opzet van verdachte er op gericht was om [Verbalisant 2] van het leven te beroven. Voorts is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels ook de kans op het overlijden van [Verbalisant 2] ten gevolge van voormelde gedragingen van verdachte niet aanmerkelijk is, zodat verdachte ook geen voorwaardelijk opzet op de dood van [Verbalisant 2] heeft gehad. De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is tijdens een achtervolging waarbij zeer hoge snelheden zijn behaald, met hoge snelheid abrupt van rijbaan gewisseld op de snelweg, met het gevolg dat hij de auto van [Verbalisant 2] aan de flank heeft geschampt. Daarna is verdachte, zonder snelheid te minderen, doorgereden. [Verbalisant 2] heeft dankzij zijn training de auto in balans kunnen houden. Het is een feit van algemene bekendheid dat aanzienlijk letsel aan een ander kan worden toegebracht indien het met grote snelheid tot een aanrijding met een ander voertuig komt. Door het voornoemde handelen van verdachte, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg aanvaard. Dat de verdachte zegt de auto naast hem niet te hebben gezien, toen hij abrupt van rijstrook veranderde, maakt dit niet anders. Immers, hij diende er rekening mee te houden, dat er andere weggebruikers reden op die rijstrook. In dit geval betrof het een politievoertuig van [Verbalisant 2] . De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd.

Feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 22-23;

- verklaring van verdachte, ter terechtzitting van 1 april 2016 afgelegd.

Feit 3

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van aangifte van [Verbalisant 2] , doorgenummerde dossierpagina’s

29 tot en met 30;

- verklaring van verdachte, ter terechtzitting van 1 april 2016 afgelegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1. subsidiair

op 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Verbalisant 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid en zonder snelheid te minderen op een politievoertuig, waarin die [Verbalisant 2] zich bevond is ingereden, ten gevolge waarvan een aanrijding met voornoemd politievoertuig is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 592 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte opzettelijk die hennep in een auto vervoerd met de bestemming België;

3.

op 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) betrokken bij een verkeersongeval op de A2, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten de Politie Eenheid Limburg) schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 3:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Ten aanzien van de gevorderde ontzegging stelt de raadsman zich op het standpunt dat de eis ter zake dient te worden gematigd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich (onder meer) schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf, te weten met hoge snelheid inrijden op een (politie)auto. Verdachte heeft willen vluchten voor de politie om zijn gekochte handelshoeveelheid hennep veilig te stellen. Verdachte heeft er op geen enkel moment bij stil gestaan dat de inzittende van de (politie)auto door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Dit wijst op een groot gebrek aan normbesef bij verdachte. Verdachte mag van geluk spreken dat de politieman een goed getrainde chauffeur is, die erger heeft weten te voorkomen. Bij een willekeurige andere burger had het anders kunnen aflopen, hetgeen overigens niet afdoet aan de ernst van het misdrijf. Daarnaast heeft verdachte een grote hoeveelheid hennep de grens over willen brengen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het ging om een hoeveelheid van 700 gram. Uitvoer van verdovende middelen betreft ook een ernstig misdrijf, te meer omdat deze regio al veel last heeft van grensoverschrijdende drugscriminaliteit. Ten slotte is verdachte doorgereden nadat hij wist dat hij een ongeval had veroorzaakt. Het zeer gevaarzettende karakter van zijn rijgedrag en de gevolgen ervan worden hem zwaar aangerekend.

De rechtbank heeft bij haar strafoplegging tevens rekening gehouden met uitspraken in vergelijkbare zaken en met het strafblad van verdachte d.d. 1 maart 2016, waaruit blijkt dat verdachte (in Nederland) een first offender is. Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat hij ter terechtzitting zijn proceshouding heeft veranderd en uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd voor de duur van 7 maanden met aftrek van het voorarrest ondergaan in Nederland en België ingevolge een Nederlands verzoek tot overlevering.

De rechtbank is van oordeel dat tevens aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen dient te worden opgelegd voor de duur van twee jaar, daar verdachte het bewezenverklaarde feit onder 1 subsidiair heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [Verbalisant 2] vordert een immateriële schadevergoeding van

€ 870,00 ter zake van feit 1.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag dient te worden gematigd tot € 500,00 omdat de casus uit de ANWB smartengeldgids - waarmee de vordering is onderbouwd - niet overeenkomt met de onderhavige casus.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering van de benadeelde partij [Verbalisant 2] naar redelijkheid en billijkheid tot een bedrag van € 500,00 worden toegewezen. Dit bedrag is overigens door de verdediging niet betwist.

De rechtbank zal tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 7, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar.

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de

benadeelde partij [Verbalisant 2], correspondentieadres [adres benadeelde partij] , te betalen € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 26 november 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil.

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve

van het slachtoffer [Verbalisant 2], van € 500,00, bij niet betaling en

verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de

vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met

de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 november 2015 tot aan

de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en mr. C. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2016.

Buiten staat

Mr. C. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. De griffier is ook buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Verbalisant 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen op een politievoertuig, waarin die [Verbalisant 2] zich bevond is ingereden, tengevolge waarvan een aanrijding met voornoemd politievoertuig is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, op of omstreeks 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Verbalisant 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen op een politievoertuig, waarin die [Verbalisant 2] zich bevond is ingereden, tengevolge waarvan een aanrijding met voornoemd politievoertuig is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, op of omstreeks 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland, [Verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen ingereden op een politievoertuig, waarin die [Verbalisant 2] zich bevond, tengevolge waarvan een aanrijding met voornoemd politievoertuig is ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 592 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die hennep in een auto vervoerd met de bestemming België, althans het buitenland;

3.

hij, op of omstreeks 26 november 2015 in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) betrokken bij een verkeersongeval op de A2, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander (te weten [Verbalisant 2] en/of de Politie Eenheid Limburg) letsel en/of schade was toegebracht.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700706-15

Proces-verbaal van de openbare zitting van 15 april 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortedatum-en plaats] ,

wonende [adres] ,

gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. Th. Boumans, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zittingzaal aanwezig. Ter terechtzitting van 1 april 2016 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg proces-verbaalnummer PL2300-2015219721, gesloten d.d. 28 december 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 58.

2 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 15 tot en met 18.

3 Proces-verbaal van aangifte van [Verbalisant 2] , doorgenummerde dossierpagina’s 29 tot en met 30.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 april 2016 afgelegd.