Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3194

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
C/03/143914 / HA ZA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:478
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:479
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:489, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:490, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ladingdiefstallen. Hoofdelijke veroordelingen van dieven op grond van artikel 6:166 BW. Veroordeling van dieven om te verklaren aan wie de gestolen goederen zijn afgegeven en om te verklaren van wie zij de codes hebben ontvangen waarmee kon worden ingelogd op Teleroute., zulks telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/143914 / HA ZA 09-1129

Vonnis van 10 februari 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RUTGES CARGO B.V.,

gevestigd te Schiphol;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DUUREN DISTRICTCENTERS B.V.,

gevestigd te Vianen;

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLEXTRONICS B.V.,

gevestigd te Venray;

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FIJAN & MOSTERT INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Waddinxveen;

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACI ADAM B.V.,

gevestigd te Maastricht;

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VMT LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Reuver;

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERSTEIJNEN INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Tilburg;

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PENSKE LOGISTICS,

gevestigd te Roosendaal;

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANNSPREE EUROPE HOLDINGS B.V.,

gevestigd te Rotterdam;

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOS DISTRI LOGISTICS OSS B.V.,

gevestigd te Oss;

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEODIS VITESSE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Rotterdam;

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSV SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Zevenbergen;

13. de onderlinge waarborgmaatschappij

TVM u.a., h.o.d.n. TVM VERZEKERINGEN,

gevestigd te Hoogeveen;

14. de naamloze vennootschap

FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen;

15. de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING

MAATSCHAPPIJ N.V.;

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseressen in conventie, gedaagden in reconventie;

advocaat mr. J.M. Wolfs;

en in tussenkomst:

16. de vennootschap naar buitenlands recht

société anonyme CHARTIS EUROPE S.A., voorheen h.o.d.n. AlG EUROPE (THE NETHERLANDS) N.V.,

statutair gevestigd te Courbevoie, Frankrijk,

kantoorhoudende te Rotterdam;

17. de naar de plaats van haar vestiging, de staat New York (USA), rechtspersoonlijkheid bezittende

AMERICAN HOME ASSURANCE COMPANY,

gevestigd te New York, USA,

eiseressen,

advocaat mr. S.L. Bruins-Emons;

tegen:

1 [gedaagde sub 1] .

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.A. Dronkers;

2 [gedaagde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] .

gedaagde,

advocaat mr. drs. A van der Toorn;

3 [gedaagde sub 3] ,

wonend te [woonplaats] .

gedaagde,

advocaat mr. L.A.M. van den Eeden.

4 [gedaagde sub 4] ,

wonend te [woonplaats] .

gedaagde, tevens eiser in reconventie,

advocaat mr. C.N.G.M. Starmans;

5 wijlen [gedaagde sub 5] ,

bij leven laatstelijk zonder vaste woon- en verblijfplaats binnen Nederland,

gedaagde,

advocaat tot onttrekking mr. G.C.L. van de Corput;

6 [gedaagde sub 6] .

wonend te [woonplaats] .

gedaagde,

advocaat mr. J.J.H.S. Thomassen;

7 [gedaagde sub 7] ,

wonend te [woonplaats] .

gedaagde,

advocaat mr. J.J.M. Cliteur;

8 [gedaagde sub 8] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

geen advocaat gesteld hebbend;

9 [gedaagde sub 9] .

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.M.T. Snijders.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Rutges Cargo B.V. c.s. worden genoemd en afzonderlijk, Rutges Cargo B.V.,Van Duuren Districtcenters B.V., Flextronics B.V., Fijan & Mostert Internationaal Transport B.V., ACI Adam B.V., VMT Logistics B.V., Versteijnen Internationaal Transport B.V., Penske Logistics, Hannspree Europe Holdings B.V., Vos Distri Logistics Oss B.V., Geodis Vitesse Netherlands B.V., DSV Solutions B.V., TVM U.A., Fortis Corporate Insurance N.V. en Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.

Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] worden genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 september 2013;

  • -

    de processen-verbaal van getuigenverhoor van 25 september 2013;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 oktober 2013;

  • -

    het faxbericht met productie van Rutges Cargo B.V. c.s. van 10 januari 2014;

  • -

    de processen-verbaal van getuigenverhoor van 14 januari 2014;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 maart 2014;

  • -

    de conclusie na enquête van Rutges Cargo B.V. van 15 april 2015;

  • -

    de conclusie na enquête van 7 mei 2014 aan de zijde van [gedaagde sub 4] ;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 mei 2014;

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van 18 juni 2014 aan de zijde van Rutges Cargo B.V. c.s.;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 december 2014;

  • -

    de conclusie na enquête van Vos Distri Logistics Oss B.V. en Amlin Europe van 8 april 2015;

  • -

    de akte van [gedaagde sub 4] van 29 april 2015;

  • -

    de antwoordakte van Rutges Cargo B.V. c.s. van 1 juli 2015.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 24 april 2013 is:

I. [gedaagde sub 5] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling:

- dat hij omstreeks de periode van 30 juni 2007 tot en met 14 december 2007 een (grote) hoeveelheid K-Swiss schoenen voorhanden heeft gehad;

- dat hij omstreeks de periode van 28 november 2007 tot en met 30 november 2007 onrechtmatig betrokken is geweest bij een lading ontvreemde Philips apparatuur/consumentenelektronica;

[gedaagde sub 4] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat hij omstreeks de periode van 28 november 2007 tot en met 30 november 2007 onrechtmatig betrokken is geweest bij een lading ontvreemde Philips apparatuur/consumentenelektronica;

[gedaagde sub 6] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat hij omstreeks 16-17 maart 2008 onrechtmatig betrokken is geweest bij de ontvreemding/heling van een trekker en/of oplegger;

[gedaagde sub 3] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat hij omstreeks 16-17 maart 2008 onrechtmatig betrokken is geweest bij de ontvreemding/heling van een trekker met kenteken [kenteken 1] en in de periode van 16-17 maart 2008 van een oplegger met kenteken [kenteken 2] ;

Vos Distri Logistics en/of Fortis Corporate Insurance toegelaten te bewijzen dat:

- [gedaagde sub 5] in maart 2008 een loods aan de [adres] heeft gehuurd;

- de schade veroorzaakt door de ontvreemding op 16 maart 2008 van een trekker en oplegger, teruggevonden op 17 maart 2008, € 15.000,00 bedraagt.

Bewijsopdracht I

2.2.

[gedaagde sub 5] , die volgens een rolbericht van 14 januari 2015 van zijn voormalig advocaat inmiddels is overleden, had al afgezien van het leveren van tegenbewijs. Dat betekent dat jegens hem ook de vorderingen met betrekking tot de delicten 7H-021-LN, 7D-022-KLPD en 7O-045-BZ voor toewijzing gereed liggen. De op die delicten betrekking hebbende vorderingen, € 90.895,95, € 1.106,70 en € 12.603,26 (terzake de delicten 7H-021-LN en 7D-022-KLPD) en € 65.000,00 (terzake delict 7O-045-BZ) (aan Nationale Nederlanden), liggen derhalve als verder onbetwist voor toewijzing gereed.

2.3.

Jegens [gedaagde sub 5] dient de vordering met betrekking tot delict 8O-075-KL, inzoverre betrekking hebbende op het verstrekken van informatie, te worden afgewezen. Niet aannemelijk is gemaakt dat het gevorderde (het afleggen van een verklaring) door de erfgenamen van de inmiddels overleden [gedaagde sub 5] kan worden nagekomen.

Bewijsopdracht II

2.4.

[gedaagde sub 4] heeft zichzelf, en twee andere getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] , doen horen. [gedaagde sub 4] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant– het volgende verklaard. Op een vraag van de rechter hoe het is gegaan in de bibliotheek op 28 november 2007 verklaart hij dat hij op die dag is opgehaald door [gedaagde sub 5] , die hij al lang kende en met wie hij regelmatig contact had. Rond die tijd had [gedaagde sub 5] hem verteld over zijn relatieproblemen en hij vroeg [gedaagde sub 4] om een keertje met hem mee te rijden. [gedaagde sub 4] wilde [gedaagde sub 5] steunen en is toen met hem meegereden. Ze hebben over van alles gepraat: over zijn relatieproblemen en over de problemen om dan een ander huis te vinden. [gedaagde sub 4] herinnert zich dat ze zijn gestopt bij een telefoonwinkel en bij een broodjeszaak. Op een gegeven moment zei [gedaagde sub 5] dat hij wat moest opzoeken in de bibliotheek. [gedaagde sub 4] besloot daarop met hem mee te gaan. [gedaagde sub 5] vertelde niet wat hij moest opzoeken in de bibliotheek en [gedaagde sub 4] vroeg daar ook niet naar. Dat ging [gedaagde sub 4] , naar hij verklaart, ook niet aan. [gedaagde sub 4] verklaart zelf met name gesurft te hebben op Marktplaats. Hoe lang zij in de bibliotheek zijn gebleven weet [gedaagde sub 4] niet meer. De getuige heeft niet bij [gedaagde sub 5] meegekeken op diens computer. [gedaagde sub 4] verklaart verder niet te weten waarnaar [gedaagde sub 5] heeft gekeken op zijn computer en hij heeft hem daar ook niet naar gevraagd. [gedaagde sub 5] heeft dat ook niet uit zichzelf verteld.

2.5.

Ten aanzien van uitgevoerde verbouwing heeft [gedaagde sub 4] het volgende verklaard. Hij en [gedaagde sub 7] hebben op een gegeven moment besloten een café te openen in Achel. In de maanden voor de opening, op 1 januari 2008, hebben [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 4] daaraan flink verbouwd. [gedaagde sub 4] deed dat samen met [gedaagde sub 7] ; iedere dag was een van hen wel in het café aanwezig. [gedaagde sub 4] kan zich niet meer herinneren of hij op 28 november 2007 ook [gedaagde sub 7] heeft gezien. [gedaagde sub 4] verklaart dat uit de hem getoonde printgegevens van [gedaagde sub 7] , die zien op de periode vanaf 12 november 2007, blijkt dat in die periode tussen hem en [gedaagde sub 7] veel contact is geweest, maar dat hem dat niet verbaast, omdat zij in de periode ook veel contact hadden. Vóór die periode was dat ook al zo. In de periode dat ze bezig waren met de verbouwing van het café, ging het volgens hem natuurlijk ook vaak over het café In de periode vanaf 12 november 2007 heeft hij veel contact gehad met [gedaagde sub 7] . Dat was vóór die periode ook al zo. In de periode dat hij en [gedaagde sub 7] bezig waren met de verbouwing van het café, ging het vaak over het café, maar ook in de periode dat ze nog niet met dat café bezig waren, hadden ze volgens [gedaagde sub 4] veel contact. Over de rit met [gedaagde sub 5] op 28 november 2007 verklaart [gedaagde sub 4] nog dat hij de dag van te voren werd opgebeld door [gedaagde sub 5] met de vraag of hij zin had om een stukje met hem te rijden. Hij vertelde volgens [gedaagde sub 4] over zijn relatieproblemen en zo. [gedaagde sub 4] had in die tijd een fulltimebaan bij [naam 1] in het vakantiepark te Kempervennen. Hij deed daar baanonderhoud. Hij werkte daar ’s avonds en ’s nachts. Hij hoefde dus op 28 november 2007 overdag niet te werken.

2.6.

Verder heeft [gedaagde sub 4] [getuige 1] als getuige laten horen. Deze heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant– het volgende verklaard. Zij heeft al dertien jaar een relatie met [gedaagde sub 4] . Een bijzondere herinnering aan 28 november 2007 heeft zij niet meer. Zij heeft [gedaagde sub 4] gevraagd of hij iets met de diefstal van de elektronica te maken had, hetgeen deze ontkende. Ten aanzien van de door [gedaagde sub 4] in het kader van het getuigenverhoor overgelegde zes facturen verklaart [getuige 1] geen idee te hebben waarop de eerste factuur betrekking heeft, maar dat van de andere facturen steeds duidelijk is dat het ging om werkzaamheden in het café dat ze aan het verbouwen waren. Met name [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 4] regelden de verbouwing en alles wat daarbij hoorde. Ze waren elke dag daar wel aanwezig en hadden heel vaak telefonisch contact met elkaar, ook over die verbouwing, met name ook omdat er nogal wat mis ging hier en daar bij die verbouwing.

2.7.

Getuige [getuige 2] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. Hij heeft tegelwerk verricht in het café in Achel. Naar aanleiding van het feit dat hem twee facturen zijn getoond, een factuur van 18 oktober 2007 en een factuur van 25 november 2007, verklaart de getuige dat deze facturen van hem zijn en deze zien op het tegelwerk in Achel. Hij weet niet meer precies wanneer hij de werkzaamheden heeft verricht, maar in het algemeen is het volgens hem zo dat hij de facturen opmaakt kort nadat hij de werkzaamheden heeft verricht. In het onderhavige geval zal dat volgens hem ook wel zo zijn gegaan. Als de getuige in het café werkte was [gedaagde sub 7] steeds daar; [gedaagde sub 7] hielp ook mee en met hem maakte [getuige 2] verder praktische afspraken. Op een hem getoonde foto uit het proces-verbaal van politie herkent de getuige de genoemde [gedaagde sub 7] .

2.8.

Getuige [getuige 3] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. Hij verklaart dat de hem getoonde factuur, die als bijlage 3 is gehecht aan het proces-verbaal van de verhoren op 25 september 2013, een factuur van zijn bedrijf is. Hij kan zich herinneren dat hij inderdaad heeft geschilderd in de [naam café] , het café van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 7] . Als in de factuur staat dat deze betrekking heeft op werkzaamheden uitgevoerd in week 42 van 2007, dan kan men er volgens hem van uit gaan dat de werkzaamheden inderdaad in die week zijn verricht. Dat de factuur op naam van [gedaagde sub 7] - [getuige 1] is gezet, zal zijn gebeurd omdat hij heeft gevraagd op wiens naam de rekening moest worden gezet en dat hem dat toen is verteld. [getuige 3] kan zich niet meer precies herinneren wat hij allemaal heeft geschilderd, maar hij is daar een paar dagen aan het werk geweest. In die paar dagen heeft hij [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 7] diverse malen ook in het café aan de slag gezien.

2.9.

Getuige [getuige 4] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. Hij verklaart dat de hem getoonde facturen van 11 oktober 2007 en 28 oktober 2007, die als bijlagen 2 en 5 zijn gehecht aan het proces-verbaal van 25 september 2013, facturen van zijn bedrijf zijn. Hij herinnert zich dat hij toen persoonlijk stucwerkzaamheden heeft verricht in het café aan de [naam café] . In de periode dat hij, [getuige 4] , daar heeft gewerkt heeft [gedaagde sub 7] steeds het café geopend.

2.10.

Inleidend overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde sub 4] heeft de rechtbank in zijn conclusie na enquête verzocht terug te komen op het oordeel over de bewijslastverdeling, in die zin dat de bewijslast alsnog op Rutges Cargo B.V. c.s. zou moeten worden gelegd. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 4] geen belang heeft bij dat verzoek, omdat dat uitgaat van een verkeerde lezing van het vonnis van 24 april 2013. Daarbij is immers niet de bewijslast omgekeerd, in die zin dat de in beginsel op Rutges Cargo B.V. c.s. rustende bewijslast op [gedaagde sub 4] is gelegd, maar is geoordeeld dat Rutges Cargo B.V. c.s. geslaagd moeten worden geacht in het door hen te leveren bewijs en dat [gedaagde sub 4] wordt toegelaten daartegen tegenbewijs te leveren.

2.11.

Kennelijk wil [gedaagde sub 4] met voormelde getuigenverklaringen bewijs leveren van de stelling dat hij niet betrokken kan zijn geweest bij het delict 7O-045-BZ, de diefstal van elektronica Philips omstreeks 28 november 2007, nu hij rond die tijd druk bezig zou zijn geweest met de verbouwing van zijn café. Dat bewijs kan echter niet worden geacht te zijn geleverd met de bedoelde getuigenverklaringen. Geen van de getuigen verklaart concreet dat [gedaagde sub 4] op die dag bezig was met de verbouwingswerkzaamheden in zijn café. In ieder geval erkent [gedaagde sub 4] dat hij op die dag met [gedaagde sub 5] de openbare bibliotheek van Eindhoven heeft bezocht. Uit een proces-verbaal van observatie van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, onderdeel van het omvangrijkere delictsdossier betrekking hebbende op de bedoelde diefstal dat Rutges Cargo B.V. c.s. op verzoek van de rechtbank in het geding hebben gebracht, blijkt dat [gedaagde sub 5] samen met een persoon, die naderhand is geïdentificeerd als [gedaagde sub 4] , om 12.53 uur naar de openbare bibliotheek van Eindhoven is gegaan en dat [gedaagde sub 5] toen daar plaats heeft genomen achter een computer met nummer 79 en dat [gedaagde sub 4] achter een computer met nummer 78 heeft plaats genomen. Uit de geschiedenis van het internetgebruik door middel van de computer met nummer 79 blijkt dat daarmee de site www.teleroute.nl is bezocht, met behulp waarvan een deel van de misdrijven is gepleegd in verband waarmee Rutges Cargo B.V. c.s. schadevergoeding vorderen. Voorts blijkt dat met behulp van de computer met nummer 79 een vals G-mailaccount is aangemaakt dat is gebruikt in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van het bedoelde delict. Uit het proces-verbaal van observatie blijkt voorts dat [gedaagde sub 5] ongeveer twee uur in de bibliotheek heeft verbleven en dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] ieder vrijwel onafgebroken achter hun respectieve computers hebben gezeten. Dat maakt onaannemelijk dat [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] hebben gepraat over de relatieproblemen van [gedaagde sub 5] . De autoritten die zij voordien samen hebben gemaakt zijn, naar eveneens is gebleken uit het proces-verbaal van observatie van zodanig korte duur geweest dat ook onwaarschijnlijk lijkt dat uitgebreid zou zijn gesproken over de beweerdelijke relatieproblemen van [gedaagde sub 5] .

2.12.

[gedaagde sub 4] heeft met de getuigenverhoren ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de veelvuldige telefonische (mondelinge en sms-)contacten van hem met [gedaagde sub 7] op 27 en 28 november 2007 (enkel) betrekking hebben gehad op de verbouwing van het café. De rechtbank merkt op dat [gedaagde sub 4] [gedaagde sub 7] , die toch bij uitstek zou kunnen verklaren over de inhoud van de omstreden gesprekken, niet als getuige heeft laten horen.

2.13.

De in het kader van de getuigenverhoren overgelegde facturen komt bij de beoordeling als bewijs geen enkele waarde toe. De rechtbank merkt daarbij op dat facturen volgens de factuurdata (15 september 2007, 11 oktober 2007, 18 oktober 2007, 28 oktober 2007, 25 november 2011) zelfs logischerwijs geen betrekking kunnen hebben op werkzaamheden die op 28 november 2007 kunnen zijn uitgevoerd, nog daargelaten dat met die facturen niet kan worden aangetoond waar [gedaagde sub 4] was op de dagen waarop die facturen betrekking hadden en wat de inhoud was van de telefonische contacten die [gedaagde sub 4] op 28 en 29 november 2007 heeft gehad met [gedaagde sub 7] .

2.14.

Daaruit volgt dat ook de schadevergoedingsvordering met betrekking tot delict 7O-045-BZ, bedragende € 65.000,00, thans als verder onbetwist voor toewijzing gereed ligt.

Bewijsopdracht III

2.15.

[gedaagde sub 6] heeft zichzelf als partijgetuige doen horen. Hij heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. Op 17 maart 2008 is hij met zijn broer [naam broer] en [gedaagde sub 1] naar Roermond gereden, naar de loods waar hij later is aangehouden. [gedaagde sub 1] had de getuige, naar hij gelooft de dag daarvoor, gevraagd of hij hem wilde helpen met het ophalen, schoonmaken en wegbrengen van twee BMW’s die in de loods zouden staan. Toen [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 1] aankwamen bij de loods, zag [gedaagde sub 6] daar drie mensen. Één daarvan kende [gedaagde sub 6] van zien, de andere twee kende hij niet. In de loods zag hij de twee BMW’s die ze moesten schoonmaken. In de loods stond volgens [gedaagde sub 6] ook een vrachtwagen, die zodanig stond, dat ze de BMW’s er niet uit konden halen. De twee mannen die [gedaagde sub 6] niet kende, waren bezig om de vrachtwagen leeg te maken. [gedaagde sub 6] en zijn broer hebben, naar [gedaagde sub 6] verklaart, toen geholpen om de vrachtwagen leeg te maken. Ze hebben dat gedaan, omdat de vrachtwagen dan eerder eruit kon en ze dan ook eerder met het schoonmaken van de BMW’s konden beginnen, dat wil zeggen de auto’s weg konden brengen voor de schoonmaak, die in Echt zou plaatsvinden. [gedaagde sub 6] verklaart niet aan de andere mannen te hebben gevraagd wat in de dozen zat die ze uit de vrachtwagen haalden. Hij stelt geen reden te hebben gehad om te vermoeden dat het bij de lading ging om strafbare feiten. Hij kende [gedaagde sub 1] als iemand die zich bezig hield met de in- en verkoop van faillissementspartijen. Wel wist [gedaagde sub 6] dat [gedaagde sub 1] eerder met justitie in aanraking was geweest, maar dat was al lang geleden. Toen de politie aankwam, hebben [gedaagde sub 6] en zijn broer geen moment gedacht dat zij moesten maken dat zij wegkwamen, aldus [gedaagde sub 6] . Ze waren, naar hij verklaart, erg verbaasd en dachten: “Wat is dit?” [gedaagde sub 6] was samen met zijn broer en [gedaagde sub 1] gekomen de twee BMW’s op te halen. Als hij zou hebben geweten dat het niet deugde, waarmee hij in de loods bezig was, dan had hij wellicht geprobeerd om de benen te nemen, voordat de politie hem aanhield.

2.16.

De rechtbank acht [gedaagde sub 6] niet geslaagd in het bewijs. De rechtbank acht [gedaagde sub 6] verklaring, dat de vrachtwagen eerst moest worden leeggehaald, om zodoende, naar de rechtbank begrijpt, de BMW’s uit de loods te kunnen rijden, ongeloofwaardig. Bovendien vindt deze verklaring ook geen steun in enig ander bewijsmiddel. [gedaagde sub 6] heeft bijvoorbeeld niet aannemelijk gemaakt waarom de vrachtwagen niet geheel of gedeeltelijk geladen kon worden verplaatst om zodoende de BMW’s uit de loods te kunnen rijden. Evenmin heeft [gedaagde sub 6] door middel van een foto of situatieschets aangetoond dat de BMW’s niet uit de loods konden worden gereden terwijl de vrachtwagen zich in de loods bevond.

2.17.

Dat betekent dat de op die delicten (8H-072-LN en 8D-073-BN) betrekking hebbende vorderingen, € 1.436,33 en € 92,70 (Fortis Corporate Insurance), als verder onbetwist voor toewijzing gereed liggen.

Bewijsopdracht IV

2.18.

[gedaagde sub 3] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs. Dat betekent dat als in rechte vaststaand ervan kan worden uitgegaan dat hij onrechtmatig betrokken is geweest bij de ontvreemding/heling van een trekker met kenteken [kenteken 1] en in de periode van 16-17 maart 2008 van een oplegger met kenteken [kenteken 2] . De op die delicten 8H-072-LN en 8D-073-BN hebben schadevergoedingsvorderingen, € 1.436,33 en € 92,70 (Fortis Corporate Insurance), liggen derhalve als verder onbetwist voor toewijzing gereed.

Bewijsopdracht V

2.19.

Nu Rutges Cargo B.V. c.s. hebben afgezien van het leveren van bewijs dat de schade veroorzaakt door de ontvreemding op 16 maart 2008 van een trekker en oplegger, teruggevonden op 17 maart 2008, € 15.000,00 bedraagt, dient dit deel van de vordering als onbewezen te worden afgewezen.

2.20.

Rutges Cargo B.V. c.s. hebben betreffende het andere deel van de bewijsopdracht, te weten dat [gedaagde sub 5] in maart 2008 een loods aan de [adres] te Roermond heeft gehuurd, drie getuigen doen horen, te weten [getuige 5] , [getuige 6] en [gedaagde sub 1] .

2.21.

Getuige [getuige 5] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. De getuige heeft de verhoren van [gedaagde sub 1] , gehouden op 16 juni 2008 (productie 77 in het rechtbankdossier) en op 17 juni 2008 (productie 78 in het rechtbankdossier) gelezen. Hij heeft hiervan een klein beetje herinnering, maar niet heel veel en niet heel concreet. De getuige verklaart ervan uit te moeten gaan dat [getuige 6] en hij destijds de inhoud van de verhoren goed hebben gerelateerd. Hij kan zich niets herinneren over het aantreffen van een huurcontract dat volgens [gedaagde sub 1] zou zijn opgemaakt met een zekere [naam 2] .

2.22.

Getuige [getuige 6] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. Ook hij heeft de verhoren van [gedaagde sub 1] van 16 juni 2008 en 17 juni 2008, die hij samen met getuige [getuige 5] heeft afgenomen, gelezen. Het gaat om twee verhoren over de kwestie van de loods. De getuige gaat ervan uit dat de beide verhoren over de loods goed zijn gerelateerd. In die verhoren komt op een gegeven moment ook een huurcontract aan de orde, dat op naam was gezet van een zekere [naam 2] , die daadwerkelijk zou bestaan volgens [gedaagde sub 1] . [getuige 6] heeft destijds geen schriftelijk huurcontract gezien. Hij kan zich ook niet herinneren of dat in het kader van het politieonderzoek destijds is aangetroffen. Behalve de belastende verklaring van [gedaagde sub 1] in de richting van [gedaagde sub 5] kan [getuige 6] zich niet herinneren dat er andere aanwijzingen zijn geweest tijdens het onderzoek van de politie waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 5] de betreffende loods huurde. Geconfronteerd met de inhoud van een proces-verbaal, volgens welke [gedaagde sub 1] zou hebben verklaard dat [gedaagde sub 5] de sleutel van de loods had, en het feit dat [gedaagde sub 1] zou hebben gezegd: “Het heeft anders geen zin meer”, verklaart de getuige dat, voorzover de getuige van [gedaagde sub 1] begreep, [gedaagde sub 1] bedoelde te zeggen dat de verhoorders – [getuige 6] en [getuige 5] – hem inmiddels hadden geconfronteerd met belastend bewijs en dat hij inzag dat het geen zin had om aan zijn eerdere verklaring vast te houden. [gedaagde sub 1] heeft toen volgens de getuige zijn verklaring bijgesteld.

2.23.

Toen [getuige 6] en [getuige 5] [gedaagde sub 1] , voordat hij [gedaagde sub 5] benoemde, hadden geconfronteerd met telefoongesprekken tussen [naam 3] en [gedaagde sub 1] over het wegzetten van een vrachtwagen in die loods, kwam [gedaagde sub 1] volgens de getuige “out of the blue” met de naam [gedaagde sub 5] op de proppen. Die namen hadden [getuige 5] en hij volgens [getuige 6] helemaal niet genoemd in de aanloop van het verhoor over de loods. Volgens de getuige heeft [gedaagde sub 1] toen doorgekregen dat hij redelijkerwijs niet meer kon vasthouden aan zijn eerdere verklaring. Getuige [getuige 6] verklaart desgevraagd nadrukkelijk dat hij noch [getuige 5] bij [gedaagde sub 1] hebben gesuggereerd dat [gedaagde sub 5] de loods huurde. [getuige 6] en [getuige 5] zijn toen niet met die naam gekomen. In dat verband verklaart de getuige nog dat [gedaagde sub 1] steeds zijn verklaring bijstelde. Hij deed dat volgens de getuige zonder veel feitelijke onderbouwing. [gedaagde sub 1] deed voorkomen alsof hij helemaal niet bij die loods betrokken was geweest op 17 maart 2008. Toen de getuige en [getuige 5] [gedaagde sub 1] vervolgens confronteerden met de telefoontaps en met foto’s van de loods van 17 maart 2008, waarop ook [gedaagde sub 1] voorkwam, kwam [gedaagde sub 1] volgens de getuige met de naam [gedaagde sub 5] . Voor de getuige was dat een aanwijzing dat zijn verklaring op dat punt toen een hoog realiteitsgehalte had.

2.24.

Getuige [gedaagde sub 1] heeft – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen relevant – het volgende verklaard. De loods aan de [adres] te Roermond was niet zijn eigendom. Hij kan zich niet meer herinneren of hij de loods heeft verhuurd aan [gedaagde sub 5] . [gedaagde sub 1] verklaart verder dat het best kan zijn dat hij op 16 juni 2008 tegenover de politie heeft verklaard dat hij de loods had verhuurd aan [gedaagde sub 5] , maar dat hij dat nu echt niet meer weet.

2.25.

De rechtbank is van oordeel dat Rutges Cargo B.V. c.s. niet zijn geslaagd in het bewijs waartoe zij zijn toegelaten. De verklaring van getuige [getuige 5] voegt niets toe aan hetgeen onder andere door hem is gerelateerd in de processen-verbaal van verhoor van [gedaagde sub 1] op 16 en 17 maart 2008 (producties 77 en 78 van Rutges Cargo B.V. c.s.), waarvan de inhoud volgens het tussenvonnis van 24 maart 2013 onvoldoende is geoordeeld voor het te leveren bewijs. Ook de verklaring van getuige [getuige 6] levert niet het benodigde bewijs op. Uit de bedoelde processen-verbaal kan de rechtbank niet de conclusie trekken dat [gedaagde sub 1] spontaan de naam van [gedaagde sub 5] heeft genoemd als huurder van de loods. In het proces-verbaal 17 juni 2008 heeft [gedaagde sub 1] bovendien nog verklaard dat hij niet kan bewijzen dat [gedaagde sub 5] de loods had gehuurd en dat [gedaagde sub 5] officieel niet de huurder was maar [naam 2] . Wel was het volgens [gedaagde sub 1] zo dat [gedaagde sub 5] de loods daadwerkelijk heeft gebruikt. Ook aan de getuigenverklaring van [gedaagde sub 1] kan ten slotte geen bewijs worden ontleend. Hij weet zich niets relevants meer te herinneren. Op grond van het vorenstaande moet de vordering met betrekking tot delicten 8H-072-LN en 8D-073-BN worden afgewezen.

2.26.

Recapitulerend liggen de volgende vorderingen voor toewijzing gereed:

Ten aanzien van [gedaagde sub 1] :

  • -

    € 330.000,00 (delict 8O-062-LN);

  • -

    € 2.156,88 (delict 8O-063-LN);

  • -

    € 90.895,95 (delict 7H-021-LN en 7D-022-KLPD);

  • -

    € 1.106,70 (delict 7H-021-LN en 7D-022-KLPD);

  • -

    € 12.603,26 (delict 7H-021-LN en 7D-022-KLPD);

  • -

    € 38.433,35 (delict 8O-076-MW);

  • -

    € 168.423,00 (delict 8O-068-MW)

  • -

    € 2.759,61 (delict 8O-069-LN);

  • -

    € 1.942,00 (delict 8O-069-LN);

  • -

    € 36.400,00 (delict 8O-069-LN);

  • -

    € 1.436,33 (delict 8H-072-LN en 8D-073-BN);

  • -

    € 92,70 (delict 8H-072-LN en 8D-073-BN);

Ten aanzien van [gedaagde sub 3] :

  • -

    € 330.000,00 (delict 8O-062-LN);

  • -

    € 2.156,88 (delict 8O-063-LN);

  • -

    € 1.436,33 (delict 8H-072-LN en 8D-073-BN);

  • -

    € 92,70 (delict 8H-072-LN en 8D-073-BN);

Ten aanzien van [gedaagde sub 4] :

- € 65.000,00 ( € 65.000,00 (delict 7O-045-BZ);

Ten aanzien van [gedaagde sub 5] :

  • -

    € 90.895,95 (delict 7H-021-LN en 7D-022-KLPD);

  • -

    € 1.106,70 (delict 7H-021-LN en 7D-022-KLPD);

  • -

    € 12.603,26 (delict 7H-021-LN en 7D-022-KLPD);

  • -

    € 65.000,00 (delict 7O-045-BZ);

Ten aanzien van [gedaagde sub 6] :

  • -

    € 38.433,35 (delict 8O-076-MW);

  • -

    € 281,00 (delict 8O-068-MW);

  • -

    € 2.759,61 (delict 8O-069-LN);

  • -

    € 1.942,00 (delict 8O-069-LN);

  • -

    € 36.400,00 (delict 8O-069-LN);

  • -

    € 1.436,33 (delict 8H-072-LN en 8D-073-BN);

  • -

    € 92,70 (delict 8H-072-LN en 8D-073-BN).

Ten aanzien van [gedaagde sub 7] :

  • -

    € 96.557,56 (delict 6D-051-BZ);

  • -

    € 326,00 (delict 6D-051-BZ);

  • -

    € 5.817,92 (delict 6D-051-BZ);

  • -

    € 65.000,00 (delict 7O-045-BZ);

Ten aanzien van [gedaagde sub 8] :

  • -

    € 96.557,56 (delict 6D-051-BZ);

  • -

    € 326,00 (delict 6D-051-BZ);

  • -

    € 5.817,92 (delict 6D-051-BZ);

  • -

    € 65.000,00 (delict 7O-045-BZ);

Ten aanzien van [gedaagde sub 9] :

  • -

    € 300,00 (delict 8O-063-LN);

  • -

    € 38.433,35 (delict 8O-076-MW);

  • -

    € 562,00 (delict 8O-068-MW).

2.27.

De vorderingen ten aanzien van [gedaagde sub 2] zijn bij tussenvonnis van 24 april 2013 alle afgewezen. Rutges Cargo B.V. c.s. dienen derhalve te worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] , welke tot op heden moeten worden begroot op:

- griffierecht € 1.185,00;

- salaris advocaat € 6.422,00 (2,0 punt × tarief € 3.211,00);

Totaal € 7.607,00.

2.28.

Ten aanzien van de delicten ter zake waarvan meer dan één van gedaagden in conventie wordt veroordeeld, zal een hoofdelijke veroordeling worden uitgesproken, nu deze delicten telkens zijn gepleegd in een groepsverband als bedoeld in artikel 6:166 BW.

2.29.

De gevorderde dwangsomveroordelingen liggen als niet-weersproken en als in redelijkheid gevorderd voor toewijzing gereed.

2.30.

Rutges Cargo B.V. c.s. hebben gevorderd dat de gedaagden in de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten zullen worden veroordeeld. De rechtbank wijst die vordering af, nu het feit dat de schade waarvan in de onderhavige procedure vergoeding wordt gevorderd opzettelijk is veroorzaakt, onvoldoende grond oplevert om tot een veroordeling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten over te gaan.

2.31.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat Rutges Cargo B.V. c.s. niet hebben gesteld dat de uitgevoerde werkzaamheden hebben bestaan uit andere werkzaamheden dan welke door middel van een proceskostenveroordeling worden vergoed.

2.32.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] , zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zoals nader uitgesplitst in het dictum. Omdat het totaal van de toewijsbare vorderingen valt in tarief VII van het liquidatietarief, zal de rechtbank dat tarief hanteren voor de begroting van de advocaatkosten aan de zijde van Rutges Cargo B.V. c.s.

in reconventie

2.33.

Nu (een deel van) de vorderingen tegen [gedaagde sub 4] zijn toegewezen, is het gelegde beslag terecht gelegd. De vordering tot opheffing daarvan moet dus worden afgewezen.

2.34.

[gedaagde sub 4] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie aan de zijde van Rutges Cargo B.V. c.s. gevallen.

2.35.

[gedaagde sub 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rutges Cargo B.V. c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00 (1,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00.

in het incident tot voeging

2.36.

Nu de gedaagden in de hoofdzaak in dit incident niet kunnen worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partijen, zal de rechtbank de kosten van deze procedure compenseren, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

in de hoofdzaak

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] , hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. van een bedrag van € 330.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 9] tot betaling aan Nationale Schadeverzekering Maatschappij N.V. van een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] , hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. van een bedrag van € 2.056,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] , hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Rutges Cargo B.V. van een bedrag van € 90.895,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] , hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan TVM U.A. van een bedrag van € 13.709,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.6.

veroordeelt [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 8] hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan TVM U.A. van een bedrag van € 102.701,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 6] hoofdelijk, des dat een betalend de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling aan TVM U.A. van een bedrag van € 38.433,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.8.

veroordeelt [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, des dat een betalend de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling aan Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. van een bedrag van € 65.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.9.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan Fortis Corporate Insurance N.V. van een bedrag van € 168.423,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.10.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 6] , hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd tot betaling aan Fortis Corporate Insurance N.V. van een bedrag van € 4.701,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.11.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 6] hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd tot betaling aan Geodis Vitesse Netherlands B.V. van een bedrag van € 36.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.12.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd tot betaling aan Fortis Corporate Insurance N.V. van een bedrag van € 1.529,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.13.

veroordeelt [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 6] hoofdelijk, des dat een betalend de ander zal zijn bevrijd tot betaling tot betaling aan Rutges Cargo B.V. c.s. van een bedrag van € 281,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt [gedaagde sub 9] daarnaast tot betaling aan Rutges Cargo B.V. c.s. van een bedrag van € 281,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.14.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] om binnen twee dagen na heden aan Rutges Cargo B.V. c.s. per delict mede te delen van wie de gestolen zaken in ontvangst zijn genomen en aan wie de gestolen zaken zijn afgegeven, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of gedeelte daarvan wanneer zij in gebreke blijven aan die veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 2.000.000,00;

3.15.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] om binnen twee dagen na heden aan Rutges Cargo B.V. c.s. mede te delen wie aan hen de door hen gebruikte codes, althans één van beide codes van Gebr. Versteijnen B.V. voor het inloggen op Teleroute heeft verstrekt, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of gedeelte daarvan wanneer zij in gebreke blijven aan die veroordeling te voldoen,, tot een maximum van € 2.000.000,00;

3.16.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] ieder in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen in conventie 1 tot en met 15 bestaande in de kosten van de dagvaarding, bedragende telkens € 72,25, en veroordeelt [gedaagde sub 5] in de kosten van de dagvaarding c.a. bedragende € 161,30;

3.17.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen in conventie sub 1 tot en met 15, bestaande in griffierecht, bedragende € 4.938,00;

3.18.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen in conventie sub 16 en met 17, bestaande in griffierecht, bedragende € 4.938,00;

3.19.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen in conventie sub 1 tot en met 15, ter zake advocaatkosten begroot op € 5.160,00;

3.20.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen in conventie 16 en 17, ter zake advocaatkosten begroot op € 5.160,00;

3.21.

veroordeelt [gedaagde sub 5] in de proceskosten, aan de zijde van Fortis Corporate Insurance begroot op € 2.000,00, bestaande in de kosten van de enquête;

3.22.

veroordeelt [gedaagde sub 4] in de proceskosten, aan de zijde van Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. begroot op € 1.000,00, bestaande in de kosten van het bijwonen van de contra-enquête door [gedaagde sub 4] ;

3.23.

veroordeelt [gedaagde sub 6] in de proceskosten, aan de zijde van Fortis Corporate Insurance N.V. en Vos Distri Logistics Oss B.V., begroot op € 1.000,00, bestaande in de kosten van het bijwonen van de contra-enquête aan de zijde van [gedaagde sub 6] ;

3.24.

veroordeelt [gedaagde sub 4] in de proceskosten, aan de zijde van Nationale Schadeverzekering Maatschappij N.V. begroot op € 1.000,00, bestaande in de kosten van het bijwonen van de enquête aan de zijde van [gedaagde sub 4] ;

3.25.

veroordeelt [gedaagde sub 4] in de proceskosten, aan de zijde van Nationale Schadeverzekering Maatschappij begroot op € 1.032,00, bestaande in de kosten van de contra-enquête;

3.26.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] en [gedaagde sub 9] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden;

3.27.

veroordeelt Rutges Cargo B.V. c.s. in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] , tot aan dit vonnis begroot op € 7.607,00;

3.28.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.29.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident tot voeging

3.30.

compenseert de proceskosten, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

in reconventie

3.31.

wijst het gevorderde af;

3.32.

veroordeelt [gedaagde sub 4] in de kosten van dit geding, tot aan dit vonnis aan de zijde van Rutges Cargo B.V. c.s. begroot op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, mr. W.E. Elzinga, en mr. R.H.J. Otto, rechters, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.