Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:3119

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1708u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De rechtbank is van oordeel dat artikel 7:9 van de Awb niet geschonden is, omdat geen sprake is van feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang waarover eiseres opnieuw had moeten worden gehoord. De rechtbank oordeelt verder dat de afstandseisen uit het Activiteitenbesluit geen deel uitmaken van het in artikel 2.10 van de Wabo vastgestelde toetsingskader als thans voorligt. Omdat verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiseres het primaire besluit onder meer heeft aangevuld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo (binnenplanse ontheffing), is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb sprake. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en kent een vergoeding toe voor de in bezwaar gemaakte proceskosten.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/108 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/1708

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.H.P. Hardy),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth, verweerder,

(gemachtigden: mr. E.J.M.M. Peeters en A.H.F. Laeven).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [maatschap], [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], te [plaats] ,

(gemachtigde: mr. P.R. Botman).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [maatschap] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de realisatie van een uitbreiding van een melkveestal aan Groot Haasdal [nummer 1] te [plaats] .

Bij besluit van 14 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiseres tegen het primaire besluit heeft gemaakt, deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit aangevuld en in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met procedurenummer 15/2371, plaatsgevonden op 3 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partijen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en door ing. H.N.J.M. Steins, verbonden aan Aelmans Advies.

Na de behandeling van de beroepen ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplist en is afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Bij besluit van 23 september 2013 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een werktuigenloods op het perceel, kadastraal bekend als [plaats] , sectie [letter] , nummer [nummer 2] , plaatselijk bekend als Groot Haasdal [nummer 1] in [plaats] . Van deze vergunning maakt een ruimtelijke onderbouwing deel uit, waarin een beplantingsplan is opgenomen. Tegen deze vergunning is geen rechtsmiddel aangewend, waardoor de vergunning in rechte vast staat.

2. Op 13 mei 2014 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag ingediend voor het uitbreiden van de melkveestal op genoemd perceel. Op 14 mei 2014 heeft vergunninghoudster bij de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid Limburg (hierna: de RUD) een melding op basis van het Activiteitenbesluit en artikel 8:41 van de Wet milieubeheer (Wm) gedaan van de uitbreiding van de bestaande melkveestal met 74 ligboxen. In totaal zullen daardoor 156 melkveekoeien en 103 stuks jongvee worden gehouden. Deze melding is door de RUD namens verweerder geaccordeerd.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het uitbreiden van de melkveestal met daarbij de realisatie van een werktuigenberging op het perceel, kadastraal bekend als [plaats] , sectie [letter] , nummer [nummer 2] , plaatselijk bekend als Groot Haasdal [nummer 1] , verleend. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt bij verweerder.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar dat eiseres tegen het primaire besluit heeft gemaakt, gegrond verklaard voor zover dit het vereiste archeologisch onderzoek en het vereiste groencompensatieplan betreft. In verband daarmee is de omgevingsvergunning aangevuld en zijn er aanvullende voorschriften aan verbonden, inhoudende dat het project dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de rapportage c.q. het groencompensatieplan “Inpassing Groot Haasdal [nummer 1] [plaats] ” van 25 februari 2015 van Pouderoyen Compagnons, rapportnummer: [rapportnummer] , en het Archeologisch rapport, nummer [nummer 3] , van ArcheoPro van 15 februari 2013. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiermee aan voorschrift 25.4 van het geldend bestemmingsplan “Kern [plaats] ” (groencompensatie) is voldaan. Tevens heeft verweerder aanvullend beslist om met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1˚, van de Wabo in verbinding met artikel 21.3.1. van genoemd bestemmingsplan (binnenplans) af te wijken van artikel 21.2.1, omdat er geen verstoring van archeologische waarden zal plaatsvinden.

5. Naar aanleiding van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.

6. Eiseres heeft haar beroepsgrond dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat het groencompensatieplan evenals het hierover uitgebrachte ambtelijk advies, niet adequaat is, ter zitting ingetrokken.

7. Eiseres handhaaft haar beroepsgrond dat zij ten onrechte en in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet opnieuw is gehoord naar aanleiding van het ingebrachte groencompensatieplan van 25 februari 2015 en het hierover uitgebrachte advies van 13 maart 2015, alsmede een memo van 12 februari 2015 inzake een watertoets.

8. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres is gehoord naar aanleiding van haar bezwaren en dat het groencompensatieplan van 8 december 2014 aan de orde is gesteld. Tegen de watertoets heeft eiseres geen bezwaren aangevoerd. De uiteindelijk aan de omgevingsvergunning verbonden groencompensatie, zoals vastgelegd in het groencompensatieplan van 8 januari 2015, verschilt alleen van het eerste plan doordat er acht bomen zijn toegevoegd en de haag is verlengd. Hierdoor wordt de bebouwing van de [maatschap] ten gunste van eiseres nog iets beter afgeschermd. Gelet hierop is geen sprake van feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang waarover eiseres opnieuw had moeten worden gehoord als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. De beroepsgrond faalt.

10. Eiseres voert aan dat de door de Monumentencommissie gestelde voorwaarden niet is voldaan waardoor de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo en/of in strijd met artikel 22 van de planregels is verleend. De beeldbepalende huisweide blijft volgens eiseres onvoldoende behouden en de door de monumentencommissie gewenste uitvoering van het bouwplan in een uniforme donkere kleur ontbreekt.

11. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien het uiterlijk of plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 22 van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’.

Ingevolge Bijlage 2 bij de planregels heeft de oorspronkelijke bebouwing aan Groot Haasdal [nummer 1] een beeldbepalende status en ingevolge artikel 22.2.2 van het bestemmingsplan mag op de in genoemde Bijlage 2 aangewezen gronden met daarop beeldbepalende bebouwing uitsluitend worden gebouwd indien rekening wordt gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden met dien verstande dat:

  1. de gevels in de aangegeven bouwgrenzen worden gebouwd;

  2. geen wezenlijke veranderingen zullen worden aangebracht in de aangegeven kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, zulks met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, waarbij vooraf advies van de Monumentencommissie is gevraagd;

  3. de waarden van de monumentale en/of karakteristieke en/of beeldbepalende bomen zoals aangegeven in Bijlage 2 niet onevenredig zullen worden aangetast.

12. Verweerder heeft het bouwplan voor advies voorgelegd aan de Monumentencommissie van het District Ruimtelijke Kwaliteit Zuid-Limburg, Rayon Landelijk Parkstad (hierna: de Commissie). De door de Commissie op 17 april 2014 gemaakte kanttekeningen zijn in de bouwtekeningen verwerkt en het aangepaste plan is door de Commissie op 12 juni 2014 goedgekeurd. Deze bouwtekeningen maken onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank is niet gebleken dat het advies van 12 juni 2014 op onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Dat in het aangepaste bouwplan niet alle door de Commissie gemaakte kanttekeningen zijn verwerkt, kan daaraan niet afdoen. Verder merkt de rechtbank op dat eiseres de inhoud van dit advies niet heeft bestreden door overlegging van een deskundig tegenadvies. Verweerder mocht dan ook op genoemd advies afgaan. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de omgevingsvergunning in strijd met de afstandsnormen uit het Activiteitenbesluit is verleend, overweegt de rechtbank dat de voorschriften uit het Activiteitenbesluit geen onderdeel uitmaken van het in artikel 2.10 van de Wabo vastgestelde toetsingskader voor een omgevingsvergunning als thans voorligt. Verder betoogt eiseres ten onrechte dat niet aan artikel 8.41a van de Wm is voldaan. Ingevolge dit artikel dient tegelijk met de aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Wabo een melding op grond van artikel 8.41 van de Wm te worden gedaan. Dit is bedoeld om qua inhoud een afstemming te bereiken tussen de aanvraag en de melding. De melding is een indieningsvereiste voor de aanvraag om een omgevingsvergunning. Als niet gelijktijdig wordt gemeld of de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, niet volledig zijn dan moet het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling stellen. In het onderhavig geval is gelijktijdig met de aanvraag een melding gedaan die door de RUD namens verweerder als volledig is aangemerkt en is geaccordeerd. Het betoog slaagt niet.

14. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat verweerder bij het bestreden besluit in strijd met artikel 7:15 van de Awb geen proceskosten heeft vergoed, overweegt de rechtbank dat ingevolge genoemd artikel het bestuursorgaan de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend vergoedt op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit (in dezen het primaire besluit) wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat van een herroeping van het primaire besluit geen sprake is. Verweerder heeft immers naar aanleiding van de door eiseres gemaakte bezwaren het primaire besluit onder meer in die zin gewijzigd dat alsnog een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is verleend om van artikel 21.2.1 van het bestemmingsplan binnenplans’ af te wijken. Omdat het primaire besluit onrechtmatig is geacht en in voormelde zin is gewijzigd om de geconstateerde strijdigheid met de voorschriften van het bestemmingsplan weg te nemen, is sprake van herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten dan ook ten onrechte afgewezen. De beroepsgrond slaagt.

16. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten is afgewezen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat aan eiseres alsnog genoemde kosten worden vergoed.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 992,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Tevens komt een bedrag van € 12,60 aan door eiseres gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd de door eiseres in

bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een bedrag van € 992,00 wegens in bezwaar gemaakte proceskosten vergoedt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de in beroep gemaakte proceskosten van eiseres tot een

bedrag van € 1.004,60.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. Th.M. Schelfhout en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.

w.g. F.A. Timmers,

griffier

w.g. Seerden,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 april 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.