Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2840

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-04-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
03/700510-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag in Geleen. Verdachte heeft met een hard metalen voorwerp (een telescoopveer) tegen het achterhoofd van het slachtoffer geslagen. Hierdoor heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou kunnen overlijden. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan de benadeelde partij wordt een bedrag van ruim € 3.400,- aan schadevergoeding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700510-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 april 2016,

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

thans verblijvende te [adres verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 maart 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

(primair) heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel (subsidiair) hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een hard metalen voorwerp op zijn hoofd te slaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Hiertoe heeft hij verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer met een verwarmingsbuis tegen het hoofd heeft geslagen. De verdachte heeft, door zo te handelen, voorwaardelijk opzet gehad op het overlijden van [straatnaam] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit, nu de verdachte volgens hem geen opzet op het overlijden van het slachtoffer had. Het (voorwaardelijk) opzet kan niet uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen worden afgeleid. Er bestaat namelijk onduidelijkheid over het voorwerp waarmee verdachte heeft geslagen, terwijl verdachte ook heeft verklaard dat hij niet gericht tegen het achterhoofd heeft geslagen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 4 oktober 2015, omstreeks 00.00 uur, met zijn stiefzoon [getuige] over de [straatnaam] in Geleen wandelde. Ter hoogte van een daar gelegen flat, zag [getuige] een man staan die zich vreemd gedroeg. Deze man keek [straatnaam] en [getuige] aan en schreeuwde: “wat zijn jullie aan het kijken”. Vervolgens liep deze man de flat binnen. [straatnaam] en [getuige] liepen door. Zij zagen dat de man over de vijfde etage liep, hen opnieuw aankeek en in hun richting riep: “wat sta je nu te kijken, je bent mij de hele tijd al in de gaten aan het houden”. [straatnaam] zei dat zij de hond aan het uitlaten waren. De man schreeuwde vervolgens “zo dadelijk kom ik naar beneden en dan sla ik jou neer”. Vervolgens ging de man een woning binnen en kwam kort daarna weer naar buiten met een soort telescoopveer (een achterveer van een auto) in zijn handen. De man kwam naar [straatnaam] en [getuige] gelopen en ging voor [straatnaam] staan. [straatnaam] draaide zich vervolgens en is enkele meters van de man vandaan gelopen. Opeens lag [straatnaam] op de grond. Hij voelde toen niets meer en dacht dat hij verlamd was. Het voelde alsof de energie uit het lichaam van [straatnaam] werd getrokken en hij voelde tintelingen over zijn hele lichaam.2

In het ziekenhuis werd geconstateerd dat [straatnaam] een diepe wond van ongeveer 6 centimeter lang op zijn achterhoofd had. Deze wond moest onder- en bovenhuids worden gehecht.3 De politie heeft foto’s van het letsel op het achterhoofd van [straatnaam] gemaakt. Daarop is te zien dat de snijwond diagonaal over het achterhoofd van [straatnaam] loopt.4

Getuige [getuige] heeft gelijkluidend verklaard. Hij heeft verklaard dat hij op 4 oktober 2015, omstreeks 00.00 uur, met [straatnaam] over de [straatnaam] in Geleen liep. Ter hoogte van een daar gelegen flat zagen zij een man zenuwachtig heen en weer lopen. Deze man riep: “wat zijn jullie aan het kijken”. De man liep vervolgens de flat binnen en ging op de vijfde etage de derde woning binnen. Kort daarna kwam de man weer naar buiten. Hij hield toen een voorwerp in zijn handen dat op een honkbalknuppel leek. De man kwam vervolgens in de richting van [straatnaam] en [getuige] gelopen. Hij hield de knuppel toen in zijn rechterhand vast, een beetje verstopt in zijn mouw. De man bleef schelden tegen [straatnaam] en [getuige] . Toen [straatnaam] zich omdraaide om weg te lopen, zag [getuige] dat de man plotseling keihard met de knuppel op het achterhoofd van [straatnaam] sloeg, waarna [straatnaam] meteen in elkaar zakte. De man rende vervolgens weg.5

Op 5 oktober 2015 werd verdachte aangehouden. Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [straatnaam] met een verwarmingsbuis van ongeveer 40 centimeter lang tegen het hoofd heeft geslagen, omdat hij bang was dat de man zijn dochtertje, die boven in de flat lag te slapen, iets aan zou doen. Verdachte heeft, toen [straatnaam] naar hem keek, een zwaaiende beweging met de verwarmingsbuis gemaakt en [straatnaam] tegen het achterhoofd geraakt.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij een zwaaiende beweging heeft gemaakt met een verwarmingsbuis toen [straatnaam] met zijn gezicht naar hem toe stond en [straatnaam] toen tegen het achterhoofd heeft geraakt, ongeloofwaardig. Kort na het incident heeft [straatnaam] tegen de politie verklaard dat hij met “een soort telescoopveer” tegen het achterhoofd is geslagen, nadat hij zich had omgedraaid en was weggelopen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring die [getuige] heeft afgelegd en de foto’s van het letsel die zich in het dossier bevinden. [getuige] heeft immers ook verklaard dat de man [straatnaam] tegen het hoofd sloeg nadat deze zich had omgedraaid en was weggelopen, terwijl op de foto’s is te zien dat er sprake is van diagonaal letsel op het achterhoofd van [getuige] . De rechtbank ziet niet in hoe zulk letsel kan ontstaan als verdachte tegenover het slachtoffer zou hebben gestaan, in plaats van achter hem, zoals het slachtoffer en [getuige] verklaren. Daarbij komt dat verdachte deze verklaring pas heeft afgelegd op zitting, nadat hij van het hele dossier heeft kunnen kennisnemen.

Poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling?

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte eenmaal met kracht met een telescoopveer/achterveer, althans een hard en/of metalen voorwerp op/tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Vervolgens is de juridische vraag of dat als een poging tot doodslag of als een poging tot zware mishandeling moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen kan worden afgeleid dat verdachtes opzet (voorwaardelijk) gericht was op de dood van het [straatnaam] .

Het is een feit van algemene bekendheid dat delen van het hoofd dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarop met kracht met een hard metalen voorwerp wordt geslagen, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Door met kracht tegen het hoofd te slaan met een hard metalen voorwerp kunnen de hersenen makkelijk worden beschadigd waardoor onmiddellijk levensgevaar ontstaat of de dood intreedt. Nu dit een feit van algemene bekendheid betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin met kracht met een hard metalen voorwerp tegen het hoofd van [straatnaam] te slaan, terwijl [straatnaam] die klap ook nog eens niet zag aankomen en zich dus op geen enkele manier kon verweren, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [straatnaam] daardoor zou kunnen overlijden. Bij verdachte was dus sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [straatnaam] .

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

primair:

omstreeks 4 oktober 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [straatnaam] met een telescoopveer/achterveer, althans een hard en/of metalen voorwerp,

op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Door de psychiater, dr. [HB] , is een rapportage over verdachte uitgebracht. De psychiater heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van ADHD van het gecombineerde type, dat verdachte afhankelijk is van cannabis en lijdt aan een psychotische stoornis door cannabisgebruik. Verdachte gebruikte voorafgaand aan 4 oktober 2015 al enige tijd geen antipsychotica meer, maar wel cannabis. Hij was niet alleen achterdochtig, maar hoorde ook stemmen. Toen verdachte op 4 oktober 2015 ’s avonds laat thuis kwam, zag hij mannen voor de flat staan. Verdachte voelde zich, doordat hij achterdochtig was, bedreigd door deze mannen. Hij is naar zijn flat gegaan en heeft daar - naar eigen zeggen - een verwarmingsbuis gehaald. Verdachte voelde zich steeds angstiger en steeds meer bedreigd. Hij heeft uiteindelijk een van die mannen een klap gegeven. Op dat moment was verdachte, hoewel hij geen stemmen hoorde, psychotisch. Daarnaast heeft verdachte, omdat hij lijdt aan ADHD, naar alle waarschijnlijkheid impulsief gehandeld.

De psychiater concludeert dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor het bewezenverklaarde.

De rechtbank neemt de conclusie van deze rapportage, te weten dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht ten aanzien van de bewezenverklaarde poging tot doodslag, over.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf moet volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht worden verbonden, ook als dat inhoudt een klinische behandeling bij Radix in Heerlen en aansluitend een ambulante behandeling bij een door de reclassering aan te wijzen forensisch psychiatrische polikliniek.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk zou moeten zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de voorwaardelijke straf moet als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht worden verbonden, ook als inhoudt het afronden van de (klinische) behandeling, waar verdachte inmiddels in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis mee is begonnen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd de hem volstrekt onbekende [straatnaam] van het leven te beroven. [straatnaam] was samen met zijn stiefzoon de hond aan het uitlaten voor de flat waar verdachte woonde. Verdachte, die op dat moment psychotische verschijnselen had en zeer achterdochtig was, dacht dat [straatnaam] hem volgde. Hij is daarom in zijn woning een telescoopveer of ander hard metalen voorwerp gaan halen en is vervolgens, met het voorwerp deels in zijn mouw verstopt, om het op die manier te onttrekken aan het zicht van de zich in het flatgebouw bevindende camera’s, weer naar buiten gegaan. Op het moment dat [straatnaam] zich van de verdachte afdraaide en wegliep en zich dus niet kon verweren, sloeg verdachte - van achteren en voor [straatnaam] als een donderslag bij heldere hemel - keihard met de telescoopveer op het achterhoofd van [straatnaam] .

[straatnaam] heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hoofd opgelopen. Hij heeft last gehad van een zware hersenschudding en heeft tot op heden, een half jaar nadien, nog altijd last van nekklachten, aanhoudende hoofdpijnklachten, verminderd zicht en een achteruitgang in het geheugen. Ook heeft hij neurologische uitvalsverschijnselen. Naast de lichamelijke gevolgen heeft het feit, zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt, ook de nodige psychische gevolgen voor [straatnaam] en zijn gezin gehad. Dingen die vroeger vanzelfsprekend waren, zijn dat niet langer. [straatnaam] kan zijn hobby’s niet meer uitoefenen zoals hij dat deed, waardoor het plezier weg is. Zijn zelfvertrouwen is veel minder geworden, omdat hij niets kan onthouden. Ook het vertrouwen in andere mensen is gedaald. De impact die dit alles op zijn gezin heeft gehad en nog steeds heeft, is groot. [straatnaam] maakt zich daarnaast zorgen om zijn stiefzoon, die erbij was toen hij door verdachte werd neergeslagen. Ook hij ondervindt hier nog altijd psychische problemen van.

Poging tot doodslag is een zeer ernstig strafbaar feit. Voor het bestraffen van dit feit is door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geen oriëntatiepunt vastgesteld. Het is de rechtbank bekend dat veelal als uitgangspunt voor een voltooide doodslag wordt gehanteerd een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 8 jaren. Nu het hier gaat om een poging tot doodslag, is een lagere straf op zijn plaats.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij weliswaar eerder, maar niet voor geweld gerelateerde feiten met politie of justitie in aanraking is geweest.

Ook heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies d.d. 26 februari 2016 en de toelichting daarop die de heer [SF] ter terechtzitting van 21 maart 2016 heeft gegeven. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte al sinds zijn vroege pubertijd softdrugs gebruikt en van kinds af aan lijdt aan gedragsstoornissen en agressieproblematiek. Er is sprake van problemen op meerdere gebieden; er is geen zinvolle dagbesteding en er zijn financiële problemen. De relatie met verdachtes vriendin is beëindigd. Het is onduidelijk waar verdachte kan gaan wonen. Hij kan zichzelf moeilijk redden en wordt niet ondersteund door familie of vrienden. De reclassering heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daaraan moet als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht worden verbonden, ook indien dat inhoudt dat verdachte zich eerst klinisch en daarna ambulant moet laten behandelen bij een forensisch psychiatrische polikliniek. Ook moet verdachte zich melden bij de reclassering en moet het hem verboden worden hard- en softdrugs te gebruiken. De kans dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen blijft, zeker in het begin van de behandeling, matig tot hoog.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de psychiatrische rapportage die over verdachte is opgemaakt en waarin wordt geconcludeerd dat verdachte voor het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

De rechtbank is al met al van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit, het letsel en de angst en onrust die hierdoor bij het slachtoffer is veroorzaakt dermate groot is, dat zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Die straf zal langer zijn dan de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht, zijnde zo’n vijf maanden. Een onvoorwaardelijk gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit en de enorme impact die dit op het slachtoffer en zijn gezin heeft gehad. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat het hoge risico op herhaling van het plegen van strafbare feiten door verdachte ingeperkt moet worden en dat verdachte behandeling moet ondergaan. Daarom zal een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich voor zijn drugsverslaving en persoonlijkheidsproblematiek klinisch moet laten behandelen bij Radix in Heerlen en zich vervolgens ambulant moet laten behandelen bij een door de reclassering nader aan te wijzen forensisch psychiatrische kliniek. Ook moet verdachte zich bij de reclassering melden en wordt het hem verboden om hard- en softdrugs te gebruiken.

De rechtbank realiseert zich dat door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan vijf maanden de klinische behandeling waarmee verdachte net was begonnen nu wordt doorkruist. De omstandigheid dat verdachte kort geleden de kans heeft gekregen om in een kliniek te worden behandeld als voorwaarde voor de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, maakt echter niet dat verdachte daar nu, bij het opleggen van de straf, rechten aan kan ontlenen. Als gezegd is klinische behandeling van verdachte noodzakelijk, maar niet per sé nu. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de heer Feijen van de reclassering heeft aangegeven dat verdachte - weliswaar nadat opnieuw een indicatiestelling is afgegeven - mogelijk ook tijdens zijn detentie al (klinisch) behandeld kan worden.

De rechtbank legt een hogere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de ernst van het feit, ook in verhouding tot de straffen die doorgaans voor een poging tot doodslag worden opgelegd, in de strafeis onvoldoende tot uitdrukking komt.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van in totaal

€ 8.203,47, te weten € 3.203,47 ter zake van materiële schade en € 5.000,- ter zake van immateriële schade.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [straatnaam] is als volgt opgebouwd:

1) Verlies verdiencapaciteit € 1.887,36

2) Eigen risico € 385,-

3) Reiskosten € 123,11

4) Ziekenhuisopname € 28,-

5) Mantelzorgkosten € 780,-

6) Immateriële schade € 5.000,-

Totaal € 8.203,47

Met betrekking tot de post “verlies verdiencapaciteit” overweegt de rechtbank dat uit de vordering en de toelichting daarop blijkt dat de arbeidsongeschiktheid van de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde voortduurt. [straatnaam] bevindt zich nu in zijn tweede ziektejaar. Voor het bewezenverklaarde feit was hij al ziek thuis in verband met een knieoperatie. Sinds januari 2016 wordt per maand € 157,28 (dus € 1.887,36 per jaar) gekort op zijn salaris. Op dit moment is de benadeelde partij zijn werkzaamheden aan het hervatten. Het staat vast dat de benadeelde partij in de maanden januari, februari en maart 2016 is gekort. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schade het rechtstreekse gevolg van het bewezen verklaarde feit. Onduidelijk is op welke termijn de benadeelde partij zijn werkzaamheden volledig zal hervatten. De rechtbank zal de vordering om de schade te vergoeden dan ook deels, namelijk over de hiervoor genoemde maanden, dus tot een bedrag van (3 x € 157,28 =) € 471,84 toewijzen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de overige gevorderde materiële schade. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van dit strafgeding opleveren.

Ook verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de post “eigen risico”. Weliswaar is een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de benadeelde partij in 2016 neurologische behandelingen heeft ondergaan, maar uit dit overzicht blijkt niet dat de benadeelde partij het gevorderde eigen risico al helemaal heeft verbruikt. Dit vergt nader onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal de vordering om de materiële schade die is gevorderd ter zake reiskosten (post 3) en ziekenhuisopname (post 4) toewijzen. Zij acht de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde en acht verdachte ook aansprakelijk voor deze schade. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank op deze onderdelen voldoende onderbouwd. Zij zal de vordering om die schade te vergoeden dan ook toewijzen. In het bijzonder overweegt de rechtbank met betrekking tot de post ziekenhuisopname dat uit het proces-verbaal (pagina 3) blijkt dat de benadeelde partij een nacht ter observatie in het ziekenhuis heeft verbleven.

Met betrekking tot de post “mantelzorgkosten” overweegt de rechtbank dat namens de verdachte niet is betwist dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit enige tijd geen huishoudelijke taken heeft kunnen verrichten en verzorgd moest worden. De rechtbank stelt het bedrag van die geleden schade naar redelijkheid en billijkheid vast op

€ 300,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de overige gevorderde schade.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit het strafdossier naar voren komen, is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden als gevolg van het lichamelijk en psychisch letsel dat hij door toedoen van verdachte heeft opgelopen. De rechtbank stelt het bedrag van die schade op dit moment naar redelijkheid en billijkheid vast op € 2.500,00. Voor het overige deel van de immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van (€ 922,95 + € 2.500,00 =) € 3.422,95 aan schadevergoeding toe. Dit bedrag zal de rechtbank vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Nu is komen vast te staan dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan en hij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal verdachte eveneens in de proceskosten van de benadeelde partij veroordelen, tot op heden begroot op nihil.

8 De voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij beslissing van 14 maart 2016 onder voorwaarden geschorst. Nu verdachte wordt veroordeeld voor de bewezenverklaarde feiten, ziet de rechtbank termen aanwezig de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar.

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem worden gegeven door of namens de reclassering, ook indien dat inhoudt dat hij:

  1. verplicht wordt om zich gedurende de proeftijd klinisch te laten behandelen voor zijn drugsverslaving en persoonlijkheidsproblematiek bij Radix Centrum Forensisch Psychiatrische Zorg (FPA/FPV) in Heerlen, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar en de reclassering zullen worden gegeven;

  2. verplicht wordt om zich gedurende de proeftijd ambulant te laten behandelen aansluitend op de klinische behandeling voor zijn drugsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek bij een door de reclassering nader aan te wijzen forensisch psychiatrische polikliniek, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  3. verplicht wordt om zich tijdens de proeftijd, tijdens een crisis, klinisch op te laten nemen voor de duur van maximaal 7 weken, indien de reclassering dit noodzakelijk acht;

  4. verboden wordt om hard- en softdrugs te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  5. zich binnen 5 werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch meldt op het telefoonnummer van de reclassering, kantoor Maastricht, telefoonnummer 043-3639333. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 3.422,95, zijnde € 922,95 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf

4 oktober 215 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de overige gevorderde materiële en immateriële schade met bepaling dat de benadeelde partij die onderdelen slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd van een bedrag van € 3.422,95, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 4 oktober 2015 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.422,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 4 oktober 2015 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmee de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 april 2016.

Buiten staat:

mr. C.G.A. Wouters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 oktober 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [straatnaam] meermalen, althans eenmaal, met een telescoopveer/achterveer, althans een hard en/of metalen voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 oktober 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een telescoopveer, in elk geval een hard en/of metalen voorwerp, tegen/op het hoofd van die [straatnaam] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700510-15

Proces-verbaal van de openbare zitting van 4 april 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

thans verblijvende te [adres verdachte] .

Raadsman is mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015184560, gesloten d.d. 1 november 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 67.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] d.d. 4 oktober 2015, pagina 4 en 5.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten: een geneeskundige verklaring d.d. 7 oktober 2015, pagina 10 en proces-verbaal d.d. 1 november 2015, pagina 3.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2015, pagina 24 en pagina 26.

5 Proces-verbaal verhoor getuige S.H.G. [getuige] d.d. 4 oktober 2015, pagina 14 en 15.