Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2771

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
4825903 AZ VERZ 16-43 en 4900662 AZ VERZ 16-72
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever (een beveiligingsorganisatie) dient verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in dat primair is gegrond op art. 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel h, BW (de zogeheten “vangnetbepaling”). De arbeidsovereenkomst met werknemer, die werkzaam is als beveiliger, is een lege huls (geworden), omdat werknemer zonder toestemming van de korpschef niet meer zijn (beveiligings)werkzaamheden mag verrichten. Dit levert een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op. Vanwege ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van werknemer wordt geen transitievergoeding toegekend. Een door de werknemer ingestelde loonvordering wordt eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/959
AR-Updates.nl 2016-0345
XpertHR.nl 2016-416199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummers: 4825903 AZ VERZ 16-43 en 4900662 AZ VERZ 16-72

Beschikking van de kantonrechter van 30 maart 2016

MD

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

securitas beveiliging b.V. ,

statutair gevestigd te Amsterdam,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. S.A. Stokla,

tegen:

[verweerder] ,

wonend aan [adres] ,

[woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. S.S.G. Lie.

Partijen zullen hierna Securitas en [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een verzoekschrift met producties;

- een verweerschrift met producties;

- de ter zitting door de gemachtigde van Securitas overgelegde pleitnota;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling d.d. 22 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedag] 1973, is sinds 1 juli 1999 krachtens arbeidsovereenkomst bij (rechtsvoorgangsters van) Securitas werkzaam als beveiliger tegen een loon van laatstelijk € 1.931,32 bruto per vier weken, exclusief vakantiebijslag. Op deze arbeidsovereenkomst is de cao Particuliere Beveiliging (hierna: de cao) krachtens incorporatie van toepassing.

2.2.

Op 25 maart 2015 heeft een collega van [verweerder] aangifte bij de politie gedaan omdat hij tijdens een bezoek aan [verweerder] in privétijd een onzedelijke foto van een minderjarige op de computer van [verweerder] zag staan. Niet veel later is [verweerder] door de politie verhoord en vervolgens is zijn zogeheten “grijze pas” (het legitimatiebewijs uitgegeven door de Minister van Veiligheid en Justitie waaruit volgt dat iemand als beveiliger werkzaamheden mag verrichten) door de politie ingenomen.

2.3.

[verweerder] heeft vervolgens enkele weken regulier verlof opgenomen. Vanaf 18 mei 2015 heeft Securitas geen loon meer aan [verweerder] betaald.

2.4.

Bij brief van 15 juli 2015 aan Securitas heeft de korpschef van de politie bericht dat hij voornemens is om de verleende toestemming (als bedoeld in art. 7 ld 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, hierna Wpbr) in te trekken. Bij brief van 23 juli 2015 is [verweerder] in kennis gesteld van dit voornemen en in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze hierover kenbaar te maken. [verweerder] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.5.

Uit een door [verweerder] zelf overgelegde “kennisgeving voorwaardelijke niet vervolging” d.d. 16 juli 2015 blijkt dat [verweerder] door de Officier van Justitie wordt verdacht van overtreding van:

“SR art 240 b lid 1

Een afbeelding v.e. seksuele gedraging met pers. < 18 jr. te verspreiden

Gepleegd

01-01-14 tot en met 19-03-15 te Heerlen”

In die kennisgeving heeft de Officier van Justitie aan [verweerder] bericht dat hij hem niet zal vervolgen onder de in die kennisgeving opgenomen voorwaarden.

2.6.

Bij brief van 2 september 2015 aan [verweerder] heeft de korpschef van de politie bericht dat hij op grond van het bepaalde in art. 7 lid 5 Wpbr en gelet op hoofdstuk 2.3, sub c, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 de ten behoeve van [verweerder] aan Securitas verleende toestemming per 2 september 2015 heeft ingetrokken. In die brief is [verweerder] op de mogelijkheid gewezen om bezwaar tegen dat besluit in te stellen. [verweerder] heeft geen bezwaar ingediend, zodat de beslissing om de toestemming in te trekken onherroepelijk is geworden. Bij brief van 2 september 2015 is Securitas door de korpschef van de politie in kennis gesteld van het definitief intrekken van voormelde toestemming.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Securitas heeft, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, verzocht:

a. a) om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, waarbij het einde van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:671b lid 8, onderdeel b, BW wordt bepaald op een eerder tijdstip dan ex art 7:671b lid 8, onderdeel a, BW is voorgeschreven;

b) te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van Securitas;

c) om [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Securitas verzoekt de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst primair op grond van art. 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel h, BW te ontbinden (andere dan de in art. 7:669 lid 3 onder a tot en met g genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). De arbeidsovereenkomst met [verweerder] is volgens Securitas een lege huls (geworden), omdat [verweerder] zonder toestemming van de korpschef niet meer zijn (beveiligings)werkzaamheden mag verrichten. Overigens is die toestemming vereist voor al het personeel van een beveiligingsorganisatie als Securitas, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard van de werkzaamheden. Subsidiair verzoekt Securitas de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van het bepaalde in art. 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel g, BW (een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Voor een verdere uitwerking wordt verwezen naar het verzoekschrift met producties, de pleitnota en de ter zitting gegeven toelichting.

3.3.

[verweerder] voert verweer. Daartoe wordt verwezen naar het verweerschrift met producties en de ter zitting gegeven toelichting. [verweerder] verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

a. a) het verzoek van Securitas om te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding af te wijzen;

b) Securitas te veroordelen tot het betalen van een (gedeeltelijke) transitievergoeding;

c) Securitas te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon (vanaf 18 mei 2015 tot
18 februari 2016) inclusief vakantiebijslag en een tot 15% gematigde wettelijke verhoging, door [verweerder] in totaliteit begroot op € 23.383,00 bruto;

d) Securitas te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Opzegverbod

4.1.

Vooropgesteld wordt dat er geen bijzondere opzegverboden als bedoeld in art. 7:670 BW of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een

ander wettelijk voorschrift gelden.

H-grond?

4.2.

[verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen de primair verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de “h-grond”, zodat strikt genomen alleen al daarom de ontbinding op die grond kan worden uitgesproken. Zelfs indien [verweerder] daartegen wél verweer had gevoerd, dan nog zou de arbeidsovereenkomst op grond van onderdeel h van art. 7:669 BW zijn ontbonden. In de Memorie van Toelichting worden enkele voorbeelden genoemd die onder deze vangnetbepaling vallen: detentie en illegaliteit van de werknemer en het niet beschikken over een tewerkstellingsvergunning door de werkgever. Ingevolge art. 7 lid 2 Wbpr stelt een beveiligingsorganisatie (zoals Securitas) geen personen te werk die belast worden met werkzaamheden nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Art. 12 lid 4 van de cao bepaalt dat een werkgever een werknemer slechts in dienst mag nemen en houden indien de werknemer in het bezit is van toestemming van de overheid om de functie van beveiliger uit te oefenen. Aangezien de toestemming tot het verrichten van (beveiligings)werkzaamheden door de korpschef is ingetrokken, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen inderdaad een lege huls geworden. Voorts sluit het onderhavige geval aan bij de hiervoor in de Memorie van Toelichting genoemde voorbeelden die onder de h-grond vallen. Het vorenstaande brengt mee dat er sprake is van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in art. 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel h, BW. Het al dan niet kunnen herplaatsen van de werknemer speelt, gelet op de grond van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, geen rol. Nu de arbeidsovereenkomst reeds op de primaire grond wordt ontbonden, wordt aan de beoordeling van de subsidiaire grond van het verzoek niet meer toegekomen.

Transitievergoeding?

4.3.

[verweerder] heeft bepleit dat hij weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld, maar dat zijn gedragingen niet ernstig verwijtbaar zijn (zodat hij “gewoon” aanspraak kan maken op de transitievergoeding). Dit betoog wordt gepasseerd. Onder de feiten is opgenomen dat [verweerder] een kennisgeving voorwaardelijke niet vervolging van de Officier van Justitie heeft ontvangen. Alhoewel [verweerder] onder de daarin genoemde voorwaarden niet wordt vervolgd, laat dat onverlet vaststaat dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan het in art 240b lid 1 Sr omschreven misdrijf. Ook staat vast dat dit strafbare feit is gepleegd in de tijd dat hij bij Securitas in dienst was en leidde tot verval van de toestemming van de korpschef tot het uitoefenen van beveiligerswerkzaamheden. Indien de ernst en aard van dit misdrijf in samenhang worden bezien met de functie van [verweerder] (uit hoofde waarvan hij moet zorgen voor een veilige omgeving bij onder meer basisscholen, kinderdagverblijven en zwembaden), rechtvaardigt dat zonder meer de conclusie dat er sprake is van zeer ernstig verwijtbaar handelen zijdens [verweerder] . De omstandigheid dat hij meer dan zestien jaar goed heeft gefunctioneerd, doet daaraan niet af. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van werknemer, kan [verweerder] onder verwijzing naar het bepaalde in art. 7:673 lid 7 aanhef en onderdeel c BW geen aanspraak maken op een transitievergoeding. De kantonrechter ziet zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet in welk belang Securitas heeft om dit afzonderlijk te “bepalen”, zodat dit verzoek van Securitas wordt afgewezen.

Datum waartegen wordt ontbonden

4.4.

Volgens art. 7:671b lid 8, onderdeel a, BW geldt dat voor de ontbindingsdatum rekening dient te worden gehouden met de geldende opzegtermijn, door het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van de ontbindingsprocedure in mindering wordt gebracht, met een minimum van een maand. Echter, als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, kan de arbeidsovereenkomst eerder worden ontbonden op grond van art. 7:671b lid 8, onderdeel b, BW. Met toepassing van dit artikel en onder verwijzing naar voorgaande rechtsoverweging, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden met ingang van 1 april 2016.

4.5.

Uit voorgaande overwegingen vloeit voort dat de verzoeken van [verweerder] onder a) en b) moeten worden afgewezen. Wat resteert is de beoordeling van de onder c) weergegeven loonvordering van [verweerder] .

Recht op doorbetaling loon over periode 18 mei 2015 tot 18 februari 2016?

4.6.

In de wetsgeschiedenis van de Wet werk en zekerheid (Wwz) is gemeld dat per
1 april 2016 art. 7:627 BW zal komen te vervallen en dat art. 7:628 BW zal worden gewijzigd. Deze datum is inmiddels (vooralsnog) verschoven naar een latere datum in 2016. Derhalve is art. 7:627 BW (“geen arbeid, geen loon”) thans nog steeds geldend recht. In art. 7:628 BW is op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt. De werknemer kan onder omstandigheden toch aanspraak maken op loon zonder arbeid te verrichten, indien de werknemer de bedongen arbeid (gedeeltelijk) niet kan verrichten door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Het is aldus voor de vraag of loon is verschuldigd van doorslaggevend belang in wiens risicosfeer de oorzaak van het niet werken ligt.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat het niet verrichten van de arbeid doordat de toestemming door de korpschef is ingetrokken, in de risicosfeer van [verweerder] ligt. Met zijn betoog op dit punt gaat [verweerder] eraan voorbij dat zijn eigen gedrag en/of nalaten ertoe heeft geleid dat de ten behoeve van [verweerder] aan Securitas verleende toestemming om (beveiligings)werkzaamheden te verrichten definitief door de korpschef is ingetrokken. Daarbij is tevens meegewogen dat [verweerder] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het voorgenomen besluit tot intrekking van de toestemming en evenmin bezwaar heeft gemaakt tegen het definitieve besluit tot intrekking van die toestemming. De loonvordering van [verweerder] mist mitsdien een grondslag en wordt afgewezen.

Proceskosten

4.8.

Gelet op de aard en uitkomst van beide zaken is het redelijk dat de proceskosten op hierna te bepalen wijze worden gecompenseerd.

Overigens

4.9.

Al wat partijen overigens nog hebben aangevoerd is door de kantonrechter beoordeeld, maar leidt niet tot een andere beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaken 4825903 AZ VERZ 16-43 en 4900662 AZ VERZ 16-72:

5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
1 april 2016;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Groen en is in het openbaar uitgesproken.