Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2725

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
C/03/217496 / KG ZA 16-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering die strekt tot hervatting van de klinische opname van eiser in een ggz-instelling afgewezen. Eenzijdige beëindiging behandelingsovereenkomst. Op grond van de aard en ernst van de gedragingen van eiser in samenhang bezien met de frequentie waarin die gedragingen elkaar opvolgden concludeert de voorzieningenrechter dat gewichtige redenen voor beëindiging van de behandelingsovereenkomst aanwezig waren. De vraag of de ggz-instelling bij die beëindiging de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 460
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2016/30 met annotatie van T.P. Widdershoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/217496 / KG ZA 16-80

Vonnis in kort geding van 29 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.P.M. Hogervorst,

tegen

de stichting Stichting Mondriaan,

zetelende te Heerlen,

gedaagde.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Stichting Mondriaan worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de brief, met bijlagen, van de Stichting Mondriaan van 10 maart 2016,

  • -

    de brief met bijlagen, van [eiser] , van 11 maart 2016,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van de Stichting Mondriaan.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2015 is op de voet van artikel 2 van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) een voorlopige machtiging verleend om [eiser] te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal zes maanden, aldus tot 7 oktober 2015. [eiser] is in dat kader opgenomen bij de Stichting Mondriaan.

2.2.

Vanaf 7 oktober 2015 is de klinische behandeling van [eiser] bij de Stichting Mondriaan op vrijwillige basis voortgezet.

2.3.

Bij brief van 6 januari 2016 heeft de Stichting Mondriaan [eiser] medegedeeld dat de klinische behandeling op 11 januari 2016 wordt beëindigd vanwege “gedragsoverschrijdingen” aan de zijde van [eiser] . Bij diezelfde brief is tevens medegedeeld dat [eiser] de afdeling op maandag 11 januari 2016 om 12.00 uur dient te hebben verlaten.

2.4.

De Stichting Mondriaan heeft de datum van beëindiging van de klinische opname nadien gewijzigd in 13 januari 2016. [eiser] heeft de afdeling die dag omstreeks 15.00 uur verlaten. Hij verblijft sindsdien bij zijn moeder.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting Mondriaan beveelt om hem binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op te nemen op de afdeling Orion, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag de Stichting Mondriaan nalaat aan dit vonnis te voldoen, een en ander met veroordeling van de Stichting Mondriaan in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Stichting Mondriaan voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiser] , dat van de zijde van de Stichting Mondriaan overigens niet is betwist, bij het treffen van een voorziening in kort geding vloeit voort uit de aard van zijn vordering.

4.2.

De voorzieningenrechter, op de voet van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, begrijpt dat [eiser] zijn vordering, die ertoe strekt dat zijn klinische opname bij de Stichting Mondriaan wordt hervat, doet steunen op het bepaalde in artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar wordt in het lichaam van de dagvaarding als grondslag een onrechtmatige daad gesteld, doch uit de producties bij dagvaarding (zoals productie 3 met als aanhef ‘eenzijdige beëindiging van de klinische opname’, volgt dat de gebruikte stellingen en argumenten passen bij de uit voornoemde bepaling volgende zorgvuldigheidseisen bij eenzijdige beëindiging van een behandelingsovereenkomst.

Een hulpverlener kan een behandelingsovereenkomst, behoudens gewichtige redenen, niet eenzijdig opzeggen. Zijn er gewichtige redenen dan geldt dat alvorens tot (eenzijdige) beëindiging kan worden overgegaan, een aantal zorgvuldigheidseisen in acht dient te worden genomen. Zo moet er voldoende gewaarschuwd zijn voor opzegging, dient er een redelijke termijn te zijn gegeven om de behandeling elders voort te zetten, moet gepoogd zijn het gedrag te corrigeren en moet er voor alternatieve hulpverlening zijn gezorgd. De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser] met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen.

4.2.1.

In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, weliswaar heeft gesteld dat geen behandelingsovereenkomst tussen hem en de Stichting Mondriaan tot stand is gekomen, maar nog daargelaten dat die stelling tegenstrijdig is met de grondslag waarop [eiser] zijn vordering doet steunen en de eerder door hem ter zake ingenomen stelling, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij.

4.2.2.

De Stichting Mondriaan voert als eerste aan dat er in casu geen sprake is van een eenzijdige beëindiging van de behandelingsovereenkomst. In het behandelplan was reeds voorzien in een overgang van een klinische naar een ambulante behandeling. Daar waren ook al stappen toe gezet, zoals de inschakeling van het jeugd-fact team. Strikt genomen – zo begrijpt de voorzieningenrechter de conclusie van de Stichting Mondriaan – is de reeds voorziene ambulante fase door het gedrag van [eiser] eerder ingezet.

De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, nu met betrekking tot de in casu vroegtijdige en eenzijdige beëindiging van de klinische fase eveneens de hiervoor aangehaalde zorgvuldigheidseisen van toepassing zijn. Nog los van de betwisting door [eiser] dat ambulante begeleiding al aan de orde zou kunnen zijn, spreekt de Stichting Mondriaan bovendien zelf in haar brief van 6 januari 2016 aan [eiser] (productie 2 bij dagvaarding) eveneens van een “eenzijdige beëindiging van de klinische opname op Orion.”

4.2.3.

Volgens [eiser] vormen de door de Stichting Mondriaan gestelde gedragsoverschrijdingen, waarvan hij de door de Stichting Mondriaan geschetste aard en ernst deels bestrijdt en die in de opzeggingsbrief volgens hem onvoldoende feitelijk zijn uitgewerkt, geen gewichtige redenen die beëindiging van de behandelingsovereenkomst rechtvaardigen. De Stichting Mondriaan had kunnen volstaan met minder ingrijpende maatregelen, zoals bijvoorbeeld een time-out, aldus [eiser] . Daarnaast heeft de Stichting Mondriaan de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen volgens [eiser] niet in acht genomen. Zo heeft de Stichting Mondriaan de klinische opname abrupt beëindigd en een veel te korte opzeggingstermijn gehanteerd. Hierdoor heeft zij [eiser] onvoldoende gelegenheid geboden om passende opvang dan wel woonruimte te vinden. Daar komt bij dat zij onvoldoende zorg heeft besteed aan het realiseren en continueren van adequate hulpverlening en (na)zorg. Voorts heeft zij zich onvoldoende vergewist van de aanwezigheid van bestaansmiddelen. Daarmee heeft zij onrechtmatig jegens hem gehandeld, aldus [eiser] , althans, zo begrijpt de voorzieningenrechter, in strijd met de in artikel 7:460 BW besloten zorgvuldigheidseisen. Volgens hem is voortzetting van de klinische behandeling bij de Stichting Mondriaan noodzakelijk.

4.2.4.

De voorzieningenrechter deelt de visie van [eiser] ter zake het ontbreken van gewichtige redenen voor beëindiging van de klinische opname niet. De Stichting Mondriaan heeft onweersproken gesteld dat [eiser] op 13 oktober 2015 een officiële waarschuwing heeft gekregen vanwege grensoverschrijdend gedrag, waaronder het bezit van alcohol en (het dreigen met) agressie, op 9 en 12 oktober 2015. Op 10 november 2015, zo heeft de Stichting Mondriaan onweersproken gesteld, heeft [eiser] wederom een officiële waarschuwing gekregen vanwege het bezit van alcohol. Uit de door de Stichting Mondriaan als productie 3 in het geding gebrachte voortgangsrapportage blijkt genoegzaam dat zij [eiser] bij die gelegenheid heeft medegedeeld dat de klinische opname zal worden beëindigd indien hij opnieuw alcohol in zijn bezit zal hebben. Bovendien heeft de Stichting Mondriaan onweersproken gesteld dat [eiser] zich in de periode vanaf 19 december 2015 tot en met 3 januari 2015 bijna dagelijks grensoverschrijdend heeft gedragen. Dit gedrag bestond onder andere uit het niet nakomen van afspraken en het in toenemende mate gebruiken van alcohol en drugs. De aard en ernst van deze gedragingen van [eiser] , die door hem niet zijn betwist, in samenhang bezien met de frequentie waarin die gedragingen elkaar in december opvolgden vormen gewichtige redenen voor beëindiging van de behandelingsovereenkomst. De omstandigheid dat er een relatie bestaat tussen het gedrag van [eiser] en zijn psychische problematiek, zoals [eiser] betoogt en de Stichting Mondriaan niet betwist, maakt dat niet anders. [eiser] stelt terecht dat de Stichting Mondriaan enig onaangepast gedrag dat is gerelateerd aan de problematiek van haar patiënten heeft te dulden, maar dat betekent niet dat zij nooit tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst zou kunnen overgaan indien een patiënt structureel ernstig grensoverschrijdend gedrag vertoont. De stelling dat de Stichting Mondriaan had kunnen volstaan met een minder ingrijpende maatregel kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu die stelling in het licht van het verweer van de Stichting Mondriaan onvoldoende is onderbouwd. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de klinische opname van [eiser] in een vrijwillig kader plaatsvond, zodat zij [eiser] bijvoorbeeld geen vrijheidsbeperkende maatregelen kon opleggen.

4.2.5.

Nu vast is komen te staan dat gewichtige redenen voor de beëindiging van de klinische opname aanwezig waren, ziet de voorzieningenrechter zich thans voor de vraag geplaatst of de Stichting Mondriaan bij die beëindiging de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.

Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de Stichting Mondriaan een betrekkelijk korte opzegtermijn heeft gehanteerd. Op zichzelf is dit echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de Stichting Mondriaan de vereiste zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Uit de gedingstukken blijkt immers dat de Stichting Mondriaan bij [eiser] herhaaldelijk heeft aangedrongen op een aanpassing van zijn gedrag en hem heeft medegedeeld dat zijn gedrag reden is voor beëindiging van de klinische opname. [eiser] stelt weliswaar dat hij nooit een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen, maar dat neemt niet weg dat hem herhaaldelijk duidelijk is gemaakt dat zijn gedrag zou leiden tot beëindiging van de klinische opname. De stelling van [eiser] dat de Stichting Mondriaan de gedragsoverschrijdingen in de opzeggingsbrief onvoldoende feitelijk heeft uitgewerkt legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen, aangezien uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat de Stichting Mondriaan herhaaldelijk met [eiser] heeft besproken dat zijn gedrag voor haar niet acceptabel was en aanleiding kon geven voor beëindiging van de klinische opname. Aldus kon [eiser] , ook al stond dat niet met zoveel woorden in de opzeggingsbrief vermeld, weten welk gedrag de aanleiding was voor de beëindiging van de klinische opname. Daar komt bij dat de Stichting Mondriaan – mede in het kader van de overgang naar een ambulante behandeling - vervangende woonruimte voor [eiser] bij Shelsz te Heerlen heeft gerealiseerd. Deze hulpverleningsinstantie is, zo heeft de Stichting Mondriaan onweersproken gesteld, gespecialiseerd in trajecten rondom begeleid wonen en het activeren van jongeren tussen de 18 en 30 jaar. [eiser] heeft een verblijf bij Shelsz afgeslagen, omdat dat niet in zijn belang zou zijn. Die stelling heeft hij echter niet onderbouwd.

Hierop gelet kan niet aan de Stichting Mondriaan worden tegengeworpen dat [eiser] na de beëindiging van de klinische opname niet over vervangende woonruimte beschikte. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de Stichting Mondriaan ambulante hulpverlening door het jeugd fact-team, dat tijdens de klinische opname reeds bij de behandeling van [eiser] was betrokken, voor [eiser] heeft gerealiseerd. [eiser] stelt thans dat die hulpverlening niet of onvoldoende op gang is gekomen, onder andere omdat hij bij zijn moeder in Maastricht verblijft terwijl het jeugd fact-team in Heerlen is gevestigd, maar dit kan evenmin aan de Stichting Mondriaan worden tegengeworpen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Stichting Mondriaan namelijk onweersproken gesteld dat zij, dan wel het jeugd fact-team, heeft aangeboden om de ambulante hulpverlening over te dragen naar het jeugd fact-team in Maastricht, maar dat [eiser] zich daartegen verzet, omdat hij in Heerlen wenst te wonen. Bovendien heeft [eiser] om verschillende redenen afspraken met medewerkers van dit team afgewezen.

Ten slotte heeft [eiser] nog aangevoerd dat de Stichting Mondriaan onvoldoende zorg heeft besteed aan de aanwezigheid van bestaansmiddelen. Nu [eiser] blijkens zijn eigen stellingen echter niet geheel van bestaansmiddelen was verstoken, hij na de beëindiging van de klinische opname in ieder geval bij Shelsz terecht kon en het jeugd fact-team de behandeling en begeleiding wilde voortzetten maar daartoe door [eiser] niet in staat werd gesteld, kan niet worden geoordeeld dat de Stichting Mondriaan op dit punt onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht.

Bij deze stand van zaken kan de voorzieningenrechter niets anders concluderen dan dat de Stichting Mondriaan de vereiste zorgvuldigheid bij de eenzijdige beëindiging van de klinische opname in acht heeft genomen.

4.2.6.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering zal worden afgewezen.

4.3.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting Mondriaan worden begroot op € 619,00 aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van de Stichting Mondriaan begroot op € 619,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.