Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2713

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
4867167 AZ VERZ 16-54
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV. De enkele stelling dat de werkgever het UWV onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd, is onvoldoende voor toewijzing van een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:682 lid 1 aanhef en onder b BW. De periode dat de werknemer eerst via een onderaannemer bij de werkgever heeft gewerkt, telt niet mee bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding. De onderaannemer en de werkgever zijn niet elkaars opvolger in de zin van art. 7:673 lid 4 aanhef en sub b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/950
AR-Updates.nl 2016-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer 4867167 AZ VERZ 16-54

Beschikking van 29 maart 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

verzoekende partij

gemachtigde mr. H.P. Mannens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPLOITATIEBEDRIJF WIERTS B.V.,

gevestigd Rukkenerweg 5,

6373 HL Landgraaf,

verwerende partij,

gemachtigde W.J.H. Franssen.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Wierts genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift en de 14 door [verzoeker] ingediende bijlagen

  • -

    het verweerschrift en de 8 door Wierts ingediende bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1966, is op 1 januari 2007 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden van Wierts in de functie van timmerman. De arbeidsovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor de bepaalde tijd van één jaar en is per 1 januari 2008 voor onbepaalde tijd voortgezet.

2.2.

Het loon van [verzoeker] bedroeg laatstelijk € 3.076,00 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag.

2.3.

Wierts heeft op 5 november 2015 bij het UWV verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen op grond van art. 7:669 lid 2 aanhef en onder a BW.

2.4.

Bij beslissing van 29 december 2015 heeft het UWV Wierts toestemming gegeven de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

2.5.

Bij brief van 30 december 2015 heeft Wierts de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen 31 januari 2016.

2.6.

De gemachtigde van [verzoeker] heeft Wierts bij brief van 7 januari 2016 medegedeeld dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding van € 13.125,85 bruto en een billijke vergoeding. Wierts heeft op die brief niet gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt Wierts te veroordelen tot betaling van:

  1. een transitievergoeding van € 13.125,85 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016,

  2. een billijke vergoeding van € 15.000,00, althans een in goed justitie te bepalen bedrag,

  3. de proceskosten

3.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek voert [verzoeker] (samengevat) aan dat hij vanaf 15 maart 2004 op detacheringsbasis (althans via onderaanneming) via Herland Bouwgroep Milieutechniek B.V. (hierna: Herland) als timmerman heeft gewerkt bij Wierts. Bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding telt [verzoeker] de periode dat hij in dienst was van Herland mee.

Ten aanzien van de door hem verzochte billijke vergoeding voert [verzoeker] primair het volgende aan. Wierts heeft in de UWV procedure verzwegen dat hij reeds vanaf 15 maart 2004 als (via Herland gedetacheerd) timmerman voor Wierts gewerkt heeft. Het UWV heeft hierdoor onjuist afgespiegeld aangezien er sprake is geweest van opvolgende werkgevers. Indien het UWV was uitgegaan van 15 maart 2004 als ingangsdatum van het dienstverband, was niet [verzoeker] maar [naam 1] degene geweest wiens arbeidsovereenkomst op grond van het afspiegelingsbeginsel had behoren te eindigen. Wierts heeft voorts tijdens de procedure bij het UWV verzwegen dat Wierts onderdeel is van een concern met Holding Wierts B.V. als moederbedrijf. [verzoeker] wijst in dat kader erop dat bij Wierts Projecten B.V. (hierna Wierts Projecten) dezelfde werkzaamheden worden verricht door timmermannen en dat Wierts Projecten en Wierts elkaars flexibele werknemers/medewerkers regelmatig uitwisselen. Om die reden had beoordeeld moeten worden of [verzoeker] bij Wierts Projecten had kunnen blijven werken. [verzoeker] wijst er voorts op dat [naam 2] (hierna: [naam 2] ) al jaren als zzp-er in de functie van timmerman werkt en dat [naam 2] thans nog steeds voor Wierts werkzaamheden verricht. Volgens [verzoeker] had eerst [naam 2] op grond van de artikelen 2.3 en 2.4 van de Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen” als eerste ontslagen moeten worden. Tot slot stelt [verzoeker] dat [naam bedrijfsleider] , de bedrijfsleider van Wierts, hem tijdens een gesprek op 29 januari 2016 [verzoeker] niet heeft verteld dat hij (ook) recht had op een transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst zou eindigen en hij na een half jaar weer in dienst zou treden bij Wierts.

Subsidiair is [verzoeker] van mening dat hij recht heeft op een billijke vergoeding omdat Wierts niet als goed werkgever gehandeld heeft, waardoor hij schade lijdt. De transitievergoeding is daarom te laag, zo stelt [verzoeker] .

3.3.

Het verweer van Wierts strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] .

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Wierts ten minste 24 maanden geduurd heeft. Ook overigens is voldaan aan de voor verschuldigdheid van de transitievergoeding wettelijke vereisten.

4.2.

Ten aanzien van de hoogte van de transitievergoeding moet worden geoordeeld dat [verzoeker] een te hoge vergoeding verzoekt. Hij gaat bij zijn berekening uit van de periode 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2016. Anders dan [verzoeker] betoogt telt de periode dat hij via Herland als timmerman werkzaamheden bij Wierts verrichte (van 15 maart 2004 tot 1 januari 2007) niet mee voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

Aanvankelijk heeft [verzoeker] gesteld dat hij in de periode 15 maart 2004 tot 1 januari 2007 voor Wierts heeft gewerkt op detacheringsbasis. Die stelling moet worden verworpen nu de juistheid daarvan door Wierts gemotiveerd is betwist en waarbij Wierts ook heeft gewezen op de door [verzoeker] overgelegde bijlage 6 waarin de directeur van Herland verklaart dat [verzoeker] via onderaanneming bij Wierts heeft gewerkt. [verzoeker] heeft verder niet kunnen onderbouwen dat hij door Herland in de betreffende periode

was gedetacheerd bij Wierts. [verzoeker] heeft wel ter zitting verklaard dat hij niet de enige werknemer/timmerman van Herland was die bij Wierts werkte, maar dat al naargelang het werkaanbod er meer of minder of ook wel geen Herland-collega’s op het werk werkzaam waren. Daarbij neemt de kantonrechter in ogenschouw dat van algemene bekendheid is dat in de aannemerij in verhouding tot andere bedrijfstakken, werk in onderaanneming uitgeven normaal en veelvoorkomend is en zich uitstrekt van een enkele opdracht tot langdurigere projecten. Op grond van het voormelde moet het er derhalve voor gehouden worden dat [verzoeker] uit hoofde van een overeenkomst van onderaanneming tussen Herland en Wierts als timmerman bij Wierts tewerkgesteld was. Anders dan [verzoeker] (kennelijk subsidiair) heeft gesteld kan in die situatie niet gezegd worden dat Wierts opvolgend werkgever is in de zin van art. 7:673 lid 4 sub b BW van Herland: als [verzoeker] van de onderaannemer naar de principaal overstapt, volgt deze laatste niet op maar ontstaat een nieuwe rechtsverhouding van een totaal andere aard. Ook het gegeven dat de activiteiten van Herland, anders dan die van Wierts, (nagenoeg) uitsluitend betrekking hadden op asbestsanering en niet op bouwkundig werk alsmede het feit dat [verzoeker] telkens op projectbasis via onderaanneming zijn werkzaamheden bij Wierts heeft verricht pleiten tegen het veronderstellen van opvolgend werkgeverschap.

4.4.

Op grond van de periode 1 januari 2007 tot en met 31 januari 2016 en het brutoloon van € 3.076,00 (exclusief btw) bedraagt de door Wierts te betalen transitievergoeding € 9.966,24 bruto (18 x 1/6 x € 3.322,08).

4.5.

Wierts stelt dat haar de financiële middelen ontbreken om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen.

De kantonrechter overweegt dienaangaande dat Wierts niet in staat van faillissement is verklaard. Evenmin is haar surseance van betaling verleend en de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is niet op haar van toepassing. Hieruit volgt dat, voor zover Wierts met voornoemd verweer een beroep op art. 7:673c lid 1 BW heeft willen doen, dit verweer niet slaagt. Het betoog van Wierts dat betaling van de transactievergoeding onaanvaardbare gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering, is door [verzoeker] onvoldoende betwist. Ingevolge artikel 673c lid 1 BW (en art. 25 van de Ontslagregeling) zal Wierts derhalve worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding in (ten hoogste) drie gelijke maandelijkse termijnen in de maanden april tot en met juni 2016.

4.6.

De wettelijke rente over € 9.966,24 zal worden toegewezen vanaf 1 maart 2016 tot de dag van voldoening.

4.7.

[verzoeker] vordert de billijke vergoeding primair op grond van art. 7:682 lid 1 aanhef en onder b BW (het verzoekschrift vermeldt abusievelijk lid 2 van dat artikel als grondslag, zo heeft [verzoeker] ter zitting verklaard).

Het betoog van [verzoeker] houdt kort gezegd in dat, indien Wierts aan het UWV de juiste informatie verstrekt zou hebben, Wierts geen toestemming voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] gekregen zou hebben. In een dergelijke situatie heeft een werknemer ingevolge art. 7:682 lid 1 sub a BW de keuze om herstel van de arbeidsovereenkomst te verzoeken of om te verzoeken de werkgever te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding.

Wierts heeft voor de laatstgenoemde optie gekozen. Hij ziet bij zijn feitelijke onderbouwing van zijn verzoek op deze grondslag evenwel over het hoofd dat het enkele (gestelde) feit dat het UWV toestemming heeft gegeven op basis van door de werkgever onjuiste/onvolledige informatie onvoldoende is om de werkgever te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding. De werknemer moet dan namelijk ook stellen dat herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Omdat [verzoeker] hieromtrent niets heeft aangevoerd, moet worden geoordeeld dat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

4.8.

[verzoeker] verzoekt subsidiair aan hem een billijke vergoeding toe te kennen omdat Wierts niet als goed werkgever gehandeld heeft. Dit onderbouwt hij met het relaas dat Wierts bij haar verzoek om toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst het UWV onjuist/onvolledig geïnformeerd heeft en dat de arbeidsovereenkomst als gevolg daarvan met toestemming van het UWV is opgezegd. Voor die situatie heeft de wetgever in artikel 7:682 lid 2 BW voor de werknemer de mogelijkheid geschapen om herstel van de arbeidsovereenkomst of een billijke vergoeding te verzoeken (indien herstel in redelijkheid niet meer mogelijk is). Hieruit volgt dat in de door [verzoeker] geschetste omstandigheden artikel 7:611 BW geen (aanvullende) grondslag naast 7:682 lid 1 BW kan bieden voor toewijzing van een billijke vergoeding.

4.9.

Wierts zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 471,00

  • -

    salaris gemachtigde € 400,00

totaal: € 871,00

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Wierts tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding van

€ 9.966,24 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot de dag van voldoening,

5.2.

bepaalt dat Wierts het onder 1. vermelde bedrag inclusief wettelijke rente kan betalen in maximaal drie gelijke maandelijkse termijnen in de maanden april tot en met juni 2016,

5.3.

veroordeelt Wierts tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 871,00,

5.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Groen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW