Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2588

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
03/700381-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van brandstichting, meermalen gepleegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700381-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 maart 2016. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer de verdachte:

feit 1: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 2: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 3: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 4: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 5: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 6: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 7 primair: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 7 subsidiair: medeplichtig is geweest aan opzettelijke brandstichting waarbij gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 8: samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht en daarvan gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was;

feit 9: opzettelijk en wederrechtelijk een detectiepoortje heeft vernield.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder feit 1, met uitzondering van het meermalen gepleegd, 2, 3, 4, 5, 6, 7 primair, 8 en 9 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 5 en 7 was er naast gevaar voor goederen ook levensgevaar te duchten, aldus de officier van justitie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de feiten 1 en 7 primair, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigende bewijsmiddelen. Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Verdachte [verdachte] , zijn zus [medeverdachte 1] en haar partner [medeverdachte 2] worden ervan verdacht in de periode van 4 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 in de gemeente Sittard-Geleen meerdere keren brand te hebben gesticht. Uit de verklaringen van de beide medeverdachten, afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, en de verklaringen van verdachte valt af te leiden dat de aanleiding van de brandstichtingen was gelegen in het feit dat [medeverdachte 1] wraak wilde nemen, omdat zij vals beschuldigd was van diefstal. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat zijn band met zijn zus [medeverdachte 1] zo goed was dat hij deze niet wilde verbreken. Om deze reden heeft hij ook deelgenomen aan de brandstichtingen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank zal de tenlastegelegde feiten in chronologische volgorde bespreken.

Ten aanzien van feit 7 (afvalcontainer op de oprit van de [adresgegevens] op 4 juli 2015):

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard2 dat op de oprit van zijn huis, gelegen aan de Wilhelminastraat 33A te Sittard, een afvalcontainer stond. Aangever zag dat in de nacht van 3 juli 2015 op 4 juli 2015 tussen 01:00 uur en 02:00 uur er vlammen uit de afvalcontainer sloegen. De brandweer heeft de brand weten te blussen.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard3, nadat hij de locatie had aangewezen, dat daar een gehuurde afvalcontainer van ijzer op de oprit stond. [medeverdachte 1] heeft de container in brand gestoken door hier een aansteker bij te houden. Hij heeft bij haar gestaan. Voor zover hij weet lag er puin uit de tuin, papier en hout in de container.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard4 dat zij daar wat karton heeft aangestoken. [verdachte] heeft dat ook geprobeerd, maar ze weet niet of dat gelukt is. [medeverdachte 2] heeft daar niets van meegekregen. De container stond op de oprit. [medeverdachte 1] dacht dat de woning leeg was.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard5 dat [medeverdachte 1] papier dat in de container lag met een aansteker heeft aangestoken. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij niets heeft gedaan. Ze was eerst doorgelopen en toen hoorde ze van [verdachte] dat de container in lichterlaaie stond. Ze was wel gaan kijken en zag de vlammen. [medeverdachte 1] had de crème brûlée aansteker gebruikt.

Tussenconclusie

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1] en [verdachte] op 4 juli 2015 samen brand hebben gesticht aan de afvalcontainer.

Ten aanzien van feit 3 (de bouwkeet en de wc-unit aan de Haspelsestraat in de periode van 14 juli 2015 tot en met 15 juli 2015):

Verbalisanten krijgen een melding en gaan naar de Odasingel te Sittard. Daar zou een bouwkeet in brand staan.6 Ter plaatse zien zij dat er inderdaad een bouwkeet in brand staat. De ter plaatse gekomen brandweer deelde verbalisanten mede dat de brand is ontstaan bij een blauwe kliko die achter de bouwkeet stond en dat de brand is overgeslagen naar de bouwkeet.

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard7 dat hij op 15 juli 2015 omstreeks 06:00 uur bij de bouwkeet aan de Haspelsestraat te Sittard aankwam. Hij zag dat de gehuurde bouwkeet gedeeltelijk uitgebrand was. De stroomverdeelkast, de gehuurde tijdelijke wc unit en de gehuurde rolcontainer waren ook uitgebrand.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard8, nadat hij de locatie had aangewezen, dat [medeverdachte 1] en hij eerst het hekwerk open hadden gemaakt en daarna de wc-deur. Vervolgens hebben zij de wasbenzine erin gegoten en aangestoken. [medeverdachte 2] stond op de uitkijk. [medeverdachte 1] hield de deur van de wc open en hij schudde de wasbenzine erin en stak het aan. [medeverdachte 1] had wasbenzine gekocht.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard9 dat [medeverdachte 2] bij de plattegrond stond te kijken en dat [verdachte] aan haar vroeg om mee te helpen het hek op te tillen. Dat heeft ze gedaan. Ze weet dat de wc in brand is gestoken, want dat zei [verdachte] tegen haar. Ze heeft [verdachte] geholpen.

[medeverdachte 2] heeft de locatie aangewezen en verklaard10 dat zij op de uitkijk heeft gestaan.

Tussenconclusie

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] in de periode van 14 juli 2015 tot en met 15 juli 2015 brand hebben gesticht aan de wc-unit aan de Haspelsestraat, ten gevolge waarvan ook de bouwkeet is verbrand.

Ten aanzien van feit 8 (mobiel toilet op de parkeerplaats van de Albert Heijn aan de Brugstraat, in de periode van 17 juli 2015 tot en met 20 juli 2015):

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard11 dat er op 15 juli 2015 een Dixie mobiel toilet was geplaatst op de parkeerplaats van de Albert Heijn aan de [adresgegevens] te Sittard. Op 17 juli 2015 omstreeks 16:15 uur is het mobiel toilet zonder schade achtergelaten. Op 20 juli 2015 omstreeks 07:00 uur zijn collega’s erachter gekomen dat het mobiel toilet was afgebrand.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard12, nadat hij de locatie had aangewezen, dat de wc is aangestoken door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] en hij hebben op de uitkijk gestaan.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard13 dat [medeverdachte 2] die paal daar neer had gezet en dat [verdachte] hem had aangestoken. Zij zelf had een tasje bij zich met daarin wasbenzine. Zij heeft dit tasje aan [verdachte] gegeven.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard14 dat [verdachte] een bouw-wc in brand heeft gestoken en dat zij de deur open heeft gemaakt. [medeverdachte 2] had een rood-witte paal, die wordt gebruikt als afzetting bij wegwerkzaamheden, gepakt en in de wc gezet zodat de deur open bleef staan. [verdachte] had wasbenzine gesprenkeld en daarna hoorde [medeverdachte 2] “voem”.

Tussenconclusie

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] in de periode van 17 juli 2015 tot en met 20 juli 2015 brand hebben gesticht aan de mobiele toilet op de parkeerplaats van de Albert Heijn aan de Brugstraat.

Ten aanzien van feit 5 (afvalcontainer en een stapel kranten op de oprit van [adresgegevens] en de struiken aan de [adresgegevens] , in de periode van 22 juli 2015 tot en met 26 juli 2015):

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard15 dat hij op 26 juli 2015 te 03:15 uur uit het raam van zijn woning aan de [adresgegevens] te Sittard keek en zag dat er iets brandde. Hij is naar buiten gegaan en heeft de struiken en het hekwerk nat gehouden, anders had het vuur zich kunnen uitbreiden naar het gebouw van de fysiotherapie. Aangever had ten gevolge van de brand schade aan zijn hekwerk en een aantal struiken zijn verschroeid.

[naam aangever] heeft aangifte gedaan van het in brand steken van de container die voor de poort van zijn fysiopraktijk [adresgegevens] te Sittard) stond.16

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard17 dat [verdachte] de container in brand heeft gestoken. Ze liepen daar voorbij en ineens zei [verdachte] dat kunnen we mooi in de fik steken. Zij stond op de brug en [medeverdachte 2] was bij haar in de buurt. Ze hoorde geknetter dus ze neemt aan dat er iets van de struiken mee is genomen bij die brand. Ze heeft gezien dat aan de kant waar het water is, de struiken weg waren en dat er van de container niets over was.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard18 dat [medeverdachte 1] en hij de klep van de blauwe container hebben open gemaakt. Er zaten iets van vuilniszakken in en die hebben zij toen aangestoken. [medeverdachte 2] stond ongeveer op de brug op de uitkijk. Hij weet niet meer precies wat voor struiken het waren. Toen dat in brand stond, zijn ze weggegaan.

Een andere keer is er op diezelfde plek een boodschappentas met oud papier erin in brand gestoken door [medeverdachte 1] en hemzelf.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard19, nadat ze de locatie had aangewezen, dat bij de container brand was gesticht en dat er ook een hekwerk was en dat er daarachter struiken stonden. Zij stond op de uitkijk.

Een andere keer is er op diezelfde plek een tas met papier en twee spuitbussen in brand gestoken.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] brand hebben gesticht aan de afvalcontainer en dat het vuur is overgeslagen naar de struiken. Met betrekking tot het in brand steken van de tas met papier is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat er gevaar voor andere goederen dan de kranten te duchten was. De rechtbank zal verdachten voor dit gedeelte van de tenlastelegging dan ook partieel vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4 (het noodgebouw van de Xaveriusschool aan de [adresgegevens] , in de periode van 22 juli 2015 tot en met 28 juli 2015):

Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd20 dat hij op 23 juli 2015 om 03:00 uur aan de achterzijde van de school Xaverius , gelegen aan de [adresgegevens] te Sittard was. Hier was brand gesticht aan de houten bijgebouwen van de school. In de directe omgeving lag een spuitbus, op deze spuitbus stond vermeld dat dit butaangas betrof. [naam aangever] heeft namens de Stichting Kindante hiervan aangifte gedaan.21

Op 3 augustus 2015 heeft [naam aangever] wederom aangifte22 gedaan van brandstichting. Hij heeft bij zijn aangifte verklaard dat op 28 juli 2015 omstreeks 02:20 uur weer brand is gesticht bij de school. De linkerzijkant van het noodgebouw was in brand was gezet.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard23, nadat hij de locatie had aangewezen, dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de school was. Hij is de eerste keer over het hek geklommen en heeft toen de fles wasbenzine er overheen geschud en aangestoken. Dat was de eerste keer. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de eerste keer op de uitkijk gestaan. De buitenmuur en een gedeelte van de isolatie zijn toen verbrand. De tweede keer hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bedacht om het nog een keer te proberen. Toen is het niet echt gelukt, omdat de wasbenzine te droog was.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard24 dat zij en haar partner wel aanwezig zijn geweest bij de brand bij de school. [verdachte] is degene geweest die over de muur is geklommen en die het heeft aangestoken, twee keer. De tweede keer was er meer schade. Het was niet in dezelfde nacht. Ze liepen daar voorbij om naar het park te gaan. Voordat ze het wist had [verdachte] voor de tweede keer dat ding in de fik gestoken.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard25, nadat ze de locatie had aangewezen, dat zij hier brand hadden gesticht en dat het twee keer was gebeurd. Zij had op de uitkijk gestaan. Ze was hier samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] .

Tussenconclusie

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

Loes en [verdachte] en [medeverdachte 2] in de periode van 22 juli 2015 tot en met 28 juli 2015 meermalen brand hebben gesticht aan het noodgebouw van de Xaveriusschool aan de [adresgegevens] .

Ten aanzien van feit 9 (vernieling van het detectiepoort op 31 juli 2015):

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank het ten laste gelegde feit 9 wettig en overtuigend bewezen. Omdat [verdachte] ter terechtzitting van 10 maart 2016 dit feit heeft bekend en zijn raadsvrouw geen bewijsverweer heeft gevoerd, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte26;

- het proces-verbaal van bevindingen27;

- de verklaring van [verdachte] bij de politie28 en ter terechtzitting van 10 maart 2016.

Ten aanzien van feit 6 (bouwkeet en mobiel toilet aan de Ovenhovenerstraat, in de periode van 2 augustus 2015 tot en met 3 augustus 2015):

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard29 dat in het weekend van 1 augustus 2015 de schaftunit van BLM Wegenbouw aan de Ovenhovenerstraat te Sittard (deels) is verbrand. De bio-box van de firma Boels is tegen de schaftunit aangezet en deze is in brand gestoken waardoor een zijde van de unit is beschadigd.

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard30 dat er in de periode tussen 2 augustus 2015 te 00:00 uur en 3 augustus 2015 te 07:00 uur brand is gesticht op een bouwlocatie van BLM Wegenbouw aan de Overhovenerstraat te Sittard en dat een Bio Box van de firma Boels is vernield.

[verdachte] heeft de locatie aangewezen en bij de politie verklaard31 dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was. Hij heeft eerst een hekwerk open gemaakt en daarna de wc geopend. Vervolgens heeft hij de fles spiritus erin geschud. Het was een wc met een keet, maar alleen de wc is in brand gegaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben op de uitkijk gestaan. Het was een idee van [medeverdachte 2] , zij zag dat het hek open was.

Tussenconclusie

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] brand hebben gesticht aan een mobiel toilet aan de Ovenhovenerstraat in de periode van 2 augustus 2015 tot en met 3 augustus 2015.

Ten aanzien van feit 2 (de afvalcontainer aan de Parklaan, op 5 augustus 2015):

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte verklaard32 dat hij door zijn overbuurvrouw was gebeld dat er een afvalcontainer in brand was gestoken. Deze afvalcontainer stond aan de Parklaan te Sittard. De container stond tegen de gevel van het pand. Het incident heeft plaatsgevonden tussen 4 augustus 2015 te 12:01 uur en 5 augustus 2015 te 07:30 uur.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard33, nadat hij de locatie had aangewezen, dat [medeverdachte 1] de container aan heeft gestoken. Het was hemzelf niet gelukt. Ze hebben allebei de aansteker erbij gehouden. [medeverdachte 2] heeft op de uitkijk gestaan.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard34 dat ze weet dat [verdachte] die nacht zei: “ik krijg hem niet aan.” Zij gaat er dan vanuit dat het haar aansteker is geweest waarmee de brand is gesticht. Het was zo’n klein vlammetje. Het schroeide een beetje dus ze dacht het gaat wel uit.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard35 dat de container in brand was gestoken. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren erbij en zij had op de uitkijk gestaan.

Tussenconclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] brand hebben gesticht op 5 augustus 2015 aan de afvalcontainer aan de Parklaan.

Ten aanzien van feit 1 (uithangbord aan de voorgevel van de [adresgegevens] , op 5 augustus 2015):

Aangever [naam aangever] heeft bij zijn aangifte36 verklaard dat op 5 augustus 2015 een “Te Huur” bord gedeeltelijk is verbrand. Dit bord hing aan het raam aan de voorzijde van het pand gelegen aan de Rijksweg Noord 76 in Sittard. Het doek van de beige screens (zonwering) was gedeeltelijk beschadigd. Het betreft een kamerverhuurpand. De kamer waar het bord tegen het raam hing was bewoond.

Aangever heeft een paar dagen later bij de politie verklaard dat er ook schade is ontstaan aan de zijkant van het pand en dat het kozijn deels is gesmolten en beschadigd. Tevens is de witte muur zwart van de rook.37

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard38 dat er van die borden “met te huur of zoiets”, aan de voor- of aan de zijkant hingen. Wie wat aangestoken heeft weet ze niet want ze liep zelf toen al door. Zij liep met [verdachte] door en [medeverdachte 2] kwam opeens achter hun aan.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard39 dat zij het bord heeft aangestoken met haar eigen aansteker. Aan de kant waar ze dat gedaan heeft was ook nog zonwering en waren er twee ramen. Het bord zat op het kozijn. De anderen liepen verderop.

Tussenconclusie:

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] op 5 augustus 2015 eenmaal brand hebben gesticht aan het uithangbord aan de voorgevel van de [adresgegevens] . De rechtbank zal verdachten partieel vrijspreken van het gedeelte van de tenlastelegging meermalen gepleegd, nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte en de medeverdachten die dag tweemaal brand hebben gesticht aldaar.

Tussenstand

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan een reeks brandstichtingen gepleegd in de periode van 4 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te Sittard-Geleen.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of sprake is geweest van medeplegen dan wel medeplichtigheid. Tevens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van gevaar voor goederen en/of levensgevaar (dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel).

Medeplegen of medeplichtig

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde

– intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Uit de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten blijkt dat zij in een periode van een maand steeds in de nachtelijke uren met z’n drieën op pad zijn geweest en dat er telkens brand werd gesticht. Alle drie de verdachten zijn telkens aanwezig geweest op het moment dat er brand werd gesticht en geen van hen heeft zich teruggetrokken of besloten niet (meer) mee te gaan. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] als [medeverdachte 2] hebben bij de brandstichtingen uitvoeringshandelingen verricht. Hoewel niet altijd heel duidelijk wordt wie daarbij precies welke handeling verrichtte, lijken hun rollen wel inwisselbaar. Zo hebben zij alle drie wel een keer het idee geopperd om ergens brand te gaan stichten, hebben zij alle drie één of meerdere keren zelf brand gesticht, dan wel op de uitkijk gestaan en/of benodigdheden om de branden te stichten meegenomen. Tevens hadden zij allen een gemeenschappelijk doel: namelijk wraak nemen vanwege de (vermeende) valse beschuldiging van diefstal. Derhalve hebben alle drie de verdachten zowel een intellectuele als een materiële bijdrage geleverd aan de delicten. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve steeds sprake geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking dat de rechtbank steeds medeplegen bewezen acht.

Gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen volgt dat het gemene gevaar voor goederen voor wat betreft de bewezenverklaarde brandstichtingen zich telkens uitstrekte tot andere roerende of onroerende goederen dan het goed waaraan brand was gesticht.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat er door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar (of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid is in de regel geen sprake indien de bewoners van het pand waaraan of in de nabijheid waarvan brand wordt gesticht zich niet in het pand bevonden.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen om vast te stellen dat er daadwerkelijk levensgevaar voor personen te duchten was, ontbreken. Zo kan ten aanzien van feit 1 niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid of op het moment van de brandstichting daadwerkelijk iemand thuis was. Hetzelfde geldt voor feit 2. Uit het dossier valt niet af te leiden of er personen in het pand aanwezig waren. Ten aanzien van feit 5 blijkt ook onvoldoende uit de bewijsmiddelen dat daadwerkelijk levensgevaar te duchten was, nu aangever Van Os enkel aangeeft dat de fysiotherapiepraktijk mogelijk gevaar zou hebben gelopen. Er lijkt echter niemand in het pand aanwezig te zijn geweest ten tijde van de brandstichting. Ook met betrekking tot feit 7 kan niet worden vastgesteld of er concreet levensgevaar te duchten was, nu onvoldoende duidelijk is geworden hoe groot de brand is geweest en op welke afstand de brand van het huis heeft gewoed. Derhalve is onvoldoende duidelijk of concreet sprake is geweest van gevaar dat de brand van de container over kon slaan naar het huis.

In het overige gedeelte van de feiten gaat het steeds om brandstichting van goederen waarbij geen personen in de buurt zijn geweest of welke zijn gepleegd in de buurt van bedrijfspanden op het moment dat daar niemand in aanwezig was. Derhalve zal de rechtbank ook ten aanzien van deze feiten verdachte voor de onderdelen “levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel” zoals opgenomen in de tenlastelegging vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 5 augustus 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een bord, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders een aansteker tegen voornoemd goed gehouden ten gevolge waarvan voornoemd bord en een kozijn geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 2:

op 5 augustus 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een afvalcontainer immers hebben verdachte en/of zijn mededaders een aansteker tegen voornoemde afvalcontainer gehouden ten gevolge waarvan voornoemde container geheel of gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 14 juli 2015 tot en met 15 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een wc unit, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders een open vuur in aanraking gebracht met een brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan de bouwkeet en wc unit geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 22 juli 2015 tot en met 28 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een

(nood)gebouw, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders een open vuur in aanraking gebracht met een brandbare vloeistof ten gevolge waarvan voornoemd (nood)gebouw geheel of gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 5:

in de periode van 22 juli 2015 tot en met 26 juli 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een afvalcontainer immers hebben verdachte en/of zijn mededaders open vuur in aanraking gebracht met een brandbare vloeistof ten gevolge waarvan een of meerdere goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 6:

in de periode van 02 augustus 2015 tot en met 03 augustus 2015 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een

toilet immers hebben verdachte en/of zijn mededaders open vuur in aanraking gebracht met een brandbare vloeistof ten gevolge waarvan een schaftunit en toiletcabine en een of meerdere goederen in of naast die schaftunit geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen en te duchten was.

ten aanzien van feit 7 primair:

op 4 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht aan een container en/of de inhoud daarvan, immers heeft de verdachte en/of zijn mededader een aansteker, tegen voornoemde container en/of diens inhoud gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde container geheel of gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 8:

in de periode van 17 juli 2015 tot en met 20 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een mobiel

toilet, immers hebben de verdachte en/of zijn mededaders open vuur in aanraking gebracht

met een brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan voornoemde mobiele toilet geheel of gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

ten aanzien van feit 9:

op 31 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een detectiepoortje, toebehorende aan de Kruidvat , heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5, 6, 7 primair, 8:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten is

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten is, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 9:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort vernielen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog M.M.F. van Casteren heeft over de geestvermogens van verdachte op

1 december 2015 een rapport uitgebracht. Er is bij verdachte sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze verstandelijke beperking bestaat al sinds zijn geboorte en was derhalve ook al aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om alle ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verder wordt geadviseerd om bij verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen, omdat verdachte op een verstandelijk beperkt niveau functioneert. Hij kan risico’s van zijn eigen handelen nauwelijks inschatten en kan zijn eigen gedrag nauwelijks organiseren. Verdachte handelt soms zonder nadenken en komt in het contact jonger over dan zijn kalenderleeftijd. Hij woont nog thuis bij zijn ouders en is nog sterk afhankelijk van zijn ouders. Contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht zijn er volgens de psycholoog niet. Begeleiding door de jeugdreclassering is van groot belang. Een leerstraf cognitieve sociale vaardigheden voor verstandelijk beperkten zoals So-Cool zou hem de vaardigheden kunnen leren om “nee” te zeggen en zich te verzetten tegen negatieve invloeden.

De rechtbank komt op basis van de in het bovenstaande rapport vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het jeugdstrafrecht toe te passen en heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 2 jaren, waarvan het gedeelte gelijk aan het voorarrest, te weten 128 dagen onvoorwaardelijk en het overige gedeelte, 602 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld toezicht door de jeugdreclassering. Daarnaast een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie en een leerstraf (So-Cool) voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsvrouw van verdachte heeft gevorderd om het jeugdstrafrecht toe te passen. De raadsvrouw van verdachte heeft gevraagd de door de officier van justitie gevorderde taakstraf voor een groot gedeelte voorwaardelijk op te leggen, omdat het anders de draagkracht van verdachte te boven zal gaan, nu hij een fulltime dagbesteding gaat krijgen via de gemeente.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of het sanctierecht voor volwassenen of jeugdigen toegepast dient te worden. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om het materiële jeugdstrafrecht toe te passen op jongeren in de leeftijd van achttien tot drieëntwintig jaar als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Met de officier van justitie, de verdediging en de deskundige is de rechtbank van oordeel dat de persoonlijkheid van verdachte aanleiding geeft tot toepassing van het jeugdsanctierecht. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen de psycholoog heeft gerapporteerd. Derhalve zal de rechtbank het materiële jeugdstrafrecht toepassen.

Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer een maand veelvuldig schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit soort feiten levert veel financiële schade op. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat brandstichtingen leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Bij het bepalen van de straf overweegt de rechtbank allereerst dat op dergelijke feiten in beginsel niet anders gereageerd kan worden dan door het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor brandstichting. Verder betrekt de rechtbank de verminderde toerekeningsvatbaarheid bij haar oordeel over de juiste strafmaat. Voorts volgt uit het door de psycholoog opgemaakte rapport dat verdachte behandeling behoeft van de jeugdreclassering.

Gelet op de inhoud van het bovenstaande rapport en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen is de rechtbank van oordeel dat verdachte weliswaar ernstige en potentieel gevaarlijke delicten heeft gepleegd, maar dat op dit moment met name van belang is dat hij ondersteuning krijg van de jeugdreclassering. Daarom zal de rechtbank ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten en in het kader van het verlenen van hulp aan verdachte, een gedeelte van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, met als bijzondere voorwaarden toezicht van de jeugdreclassering.

Rest de vraag hoe lang het voorwaardelijke en onvoorwaardelijke deel van de aan verdachte op te leggen jeugddetentie moet zijn. Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat zij verdachte niet terug wil sturen naar de gevangenis. De rechtbank zal daarom het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie die zij aan verdachte gaat opleggen beperken tot de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank legt aan verdachte op een jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de psycholoog en het strafadvies van de Jeugdreclassering d.d. 29 januari 2016. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie en een leerstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. De werkstraf en leerstraf doen recht aan de ernst van de feiten en de wezenlijke rol van verdachte bij de feiten.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij BLM Wegenbouw BV vordert een schadevergoeding van € 4.248,62 ter zake van feit 6.

De benadeelde partij Boels Verhuur BV vordert een schadevergoeding van € 385,- voor feit 6.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van BLM Wegenbouw BV volledig kan worden toegewezen.

De vordering van Boels Verhuur BV dient volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard te worden.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat de vordering van BLM Wegenbouw BV dient te worden afgewezen, nu het erop lijkt dat de schade reeds is vergoed. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat allebei de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Vordering BLM Wegenbouw BV

De benadeelde partij BLM Wegenbouw BV heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de door dit bedrijf als gevolg van feit 6 geleden materiële schade. BLM Wegenbouw BV voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 4.248,62 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de vordering van BLM Wegenbouw BV onduidelijk blijft of de geleden schade reeds geclaimd is bij de verzekering. Er is immers een kostenpost van € 272,- met de naam ‘schade opnemen te Wessem en maken schade rapport’. Hierdoor moet de rechtbank rekening houden met de mogelijkheid dat de geleden schade reeds is vergoed. BLM Wegenbouw BV alsnog in de gelegenheid stellen om een en ander nader te onderbouwen vormt naar het oordeel van de rechtbank evenwel een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal daarom BLM Wegenbouw BV niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren en bepalen dat de vordering slechts bij de civiele rechter aangebracht kan worden.

Vordering Boels Verhuur BV

De benadeelde partij Boels Verhuur BV , heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de door dit bedrijf als gevolg van feit 6 geleden materiële schade. Boels Verhuur BV voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 385,- gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder feit 6 ten laste gelegde bewezen verklaard. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld. De rechtbank acht causaal verband aanwezig tussen de schade van € 385,- en het door verdachte gepleegde feit. Het gevorderde bedrag van € 385,- is ook voldoende onderbouwd.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het hierboven overwogene beslissen, zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 385,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 7 dagen, te betalen ten behoeve van Boels Verhuur BV voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

8 Het beslag

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn een grijze aansteker (genummerd 6, met goednummer 648676) en een zwarte aansteker (genummerd 7, met goednummer 648677).

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, dienen te worden verbeurdverklaard. Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien deze voorwerpen van verdachte zijn en met behulp van deze voorwerpen de feiten zijn begaan of voorbereid.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 77c, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten tot een jeugddetentie van 210 dagen, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

a. veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan begeleiding door de jeugdreclassering en tot voortzetting van het ITB-HKA traject tot 10 juni 2016;

- geeft de jeugdreclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten tot een werkstraf voor de duur van 100 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 dagen;

  • -

    verstaat dat de werkstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden zal zijn voltooid;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten tot een leerstraf (So Cool) voor de duur van 40 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij Boels Verhuur BV , gevestigd te [adresgegevens] , ten aanzien van feit 6 toe tot een bedrag van

€ 385,-;

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van Boels Verhuur BV voornoemd, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij BLM Wegenbouw BV , te [adresgegevens] , niet-ontvankelijk is in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij BLM Wegenbouw BV in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    aansteker grijs, met goednummer 648676;

  • -

    aansteker zwart, met goednummer 648677.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. A.K. Kleine en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2016.

mr. J.M.E. Kessels, mr. A.K. Kleine en de griffier mr. M.M.A. Akkers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 05 augustus 2015 in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan (een)

bord(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een aansteker,

althans een brandbaar voorwerp tegen voornoemd(e) goed(eren) gehouden en/of

open vuur in aanraking gebracht met een (brandbare) vloeistof ten gevolge

waarvan voornoemd(e) bord(en) en/of een zonnescherm en/of een kozijn geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

gemeen gevaar voor de nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de

zich in die nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te

duchten was; (zaak 1 + 14)

2.

hij, op of omstreeks 05 augustus 2015 in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan een

(afval)container en/of de inhoud daarvan, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) een aansteker, althans een brandbaar voorwerp tegen

voornoemde (afval)container en/of inhoud daarvan gehouden en/of open vuur in

aanraking gebracht met een (brandbare) vloeistof ten gevolge waarvan

voornoemde container geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen panden, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor de zich in die nabijgelegen panden bevindende

personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen, te duchten was (zaak 2);

3.

hij, in of omstreeks de periode van 14 juli 2015 tot en met 15 juli 2015,

in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan een bouwkeet

en/of wc unit, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een

aansteker, althans een brandbaar voorwerp tegen voornoemde bouwkeet en/of wc

unit gehouden en/of open vuur in aanraking gebracht met een (brandbare)

vloeistof, tengevolge waarvan voornoemde bouwkeet en/of wc unit en/of een of

meerdere goederen in die bouwkeet geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen

panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die nabijgelegen panden

bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;(zaak 3)

4.

hij, in of omstreeks de periode van 22 juli 2015 tot en met 28 juli 2015,

in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan een

(nood)gebouw, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een

aansteker, althans een brandbaar voorwerp tegen voornoemd (nood)gebouw

gehouden en/of open vuur in aanraking gebracht met een (brandbare) vloeistof

ten gevolge waarvan voornoemd (nood)gebouw en/of een of meerdere goederen in

of naast dat (nood)gebouw geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen panden,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die nabijgelegen panden bevindende

personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen, te duchten was;(zaak 4 + 5)

5.

hij, in of omstreeks de periode van 22 juli 2015 tot en met 26 juli 2015 in de

gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht aan een

(afval)container en/of een tas (met kranten) en/of struiken, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een aansteker, althans een

brandbaar voorwerp tegen voornoemde goederen gehouden en/of open vuur in

aanraking gebracht met een (brandbare) vloeistof ten gevolge waarvan een of

meerdere goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand

is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de nabijgelegen panden, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor de zich in die nabijgelegen panden bevindende

personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen, te duchten was; (zaak 6 + 7 + 8)

6.

hij in of omstreeks de periode van 02 augustus 2015 tot en met 03 augustus

2015 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan een schaft unit en/of een toiletcabine immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders een

aansteker, althans een brandbaar voorwerp tegen voornoemd(e) goed(eren)

gehouden en/of open vuur in aanraking gebracht met een (brandbare) vloeistof

tengevolge waarvan voornoemde schaft unit en/of toiletcabine en/of een of

meerdere goederen in of naast die schaft unit geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de

nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die

nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of ander te duchten was;(zaak 10

+ 11)

7.

hij op of omstreeks 04 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan een container

en/of de inhoud daarvan, immers heeft/hebben de verdachte en/of diens

mededader(s) een aansteker, althans een brandbaar voorwerp tegen voornoemde

container en/of diens inhoud gehouden en/of open vuur in aanraking gebracht

met een (brandbare ) vloeistof, tengevolge waarvan voornoemde container geheel

of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen

gevaar voor de nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in

die nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of anderen te duchten was;(zaak

12)

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 04 juli 2015 in de

gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal opzettelijk brand heeft/hebben gesticht aan een container

en/of de inhoud daarvan, immers heeft/hebben voornoemde [medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] een aansteker, althans een brandend voorwerp tegen voornoemde

container en/of diens inhoud gehouden en/of open vuur in aanraking gebracht

met een (brandbare) vloeistof, tengevolge waarvan voornoemde container geheel

of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

gemeen gevaar voor de nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

de zich in die nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of anderen

te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar

opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan; (zaak 12)

8.

hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2015 tot en met 20 juli 2015, in de

gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht aan een mobiel

toilet , immers heeft/hebben de verdachte en/of diens

mededader(s) een aansteker, althans een brandbaar voorwerp tegen voornoemde

mobiele toilet gehouden en/of open vuur in aanraking gebracht

met een (brandbare) vloeistof, tengevolge waarvan voornoemde mobiele toilet

geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

gemeen gevaar voor de nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de

zich in die nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of anderen te

duchten was;(zaak 13)

9.

hij op of omstreeks 31 juli 2015, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk

en wederrechtelijk een detectiepoortje, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan de Kruidvat , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt;(zaak 16)

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/700381-15

Proces-verbaal van de openbare zitting van 24 maart 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens] .

Raadsvrouw is mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, District Zuid-West Limburg, Basisteam Westelijke Mijnstreek, Afdeling Opsporing, proces-verbaalnummer 2015146563, gesloten d.d. 26 september 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 505.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2015, pagina 388-389.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2015, pagina 82-93.

4 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 25 augustus 2015, pagina 181-197.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juli 2015, pagina 306.

7 Proces-verbaal aangifte d.d. 16 juli 2015, pagina 307-309.

8 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 8 augustus 2015, pagina 73-81 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2015, pagina 82-93.

9 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 24 augustus 2015, pagina 157-180.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272.

11 Proces-verbaal van aangifte d.d. 13 augustus 2015, pagina 391-397.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2015, pagina 82-93.

13 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 25 augustus 2015, pagina 181-197.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272.

15 Proces-verbaal van aangifte d.d. 11 augustus 2015, pagina 368-369.

16 Proces-verbaal van aangifte, pagina 362.

17 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 25 augustus 2015, pagina 181-197.

18 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, d.d. 26 augustus 2015, pagina 94-119.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272 en proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 31 augustus 2015, pagina 273-288.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juli 2015, pagina 311-315.

21 Proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juli 2015, pagina 318-319.

22 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 augustus 2015, pagina 339-344.

23 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 8 augustus 2015, pagina 73-81 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2015, pagina 82-93.

24 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 24 augustus 2015, pagina 157-180.

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272.

26 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 augustus 2015, pagina 419-420.

27 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2015, pagina 422-433.

28 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, d.d. 26 augustus 2015, pagina 94-119.

29 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 augustus 2015, pagina 380-381.

30 Proces-verbaal van aangifte d.d. 13 augustus 2015, pagina 383-387.

31 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 8 augustus 2015, pagina 73-81 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2015, pagina 82-93.

32 Proces-verbaal van aangifte d.d. 6 augustus 2015, pagina 301-304.

33 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 8 augustus 2015, pagina 73-81 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2015, pagina 82-93.

34 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 25 augustus 2015, pagina 181-197.

35 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272.

36 Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 augustus 2015, pagina 293-295.

37 Proces-verbaal van verhoor aangever, d.d. 8 augustus 2015, pagina 399-400.

38 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 24 augustus 2015, pagina 157-180.

39 Proces-verbaal verhoor meerderjarige verdachte d.d. 6 augustus 2015, pagina 217-236 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2015, pagina 253-272.