Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2467

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
03/666087-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht, gelet op de aangiften, de camerabeelden, de herkenning van verdachte door de verbalisanten, de DNA-bevindingen, de gestuurde sms-berichten en de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte tot vier keer toe brand heeft gesticht waarbij gemeen gevaar voor goederen en (bij twee branden) ook (levens)gevaar voor personen is ontstaan. Rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Verdachte moet tevens een bedrag van € 415,51 betalen aan benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/666087-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.G.E. Koumans, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 maart 2016. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Voorts is verschenen de benadeelde partij [benadeelde] . Namens het slachtoffer [slachtoffer] is op de zitting een slachtofferverklaring voorgelezen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte vier keer brand heeft gesticht, waarbij vier keer gemeen gevaar voor goederen is ontstaan en twee keer (levens)gevaar voor personen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 tot en met 4 bewezen gelet op de aangiften, de herkenning van verdachte, de bevindingen met betrekking tot de bromfiets en de bromfietshelm van verdachte, de verklaringen van getuigen, de door verdachte verstuurde sms-berichten en de forensische bevindingen met betrekking tot het DNA van verdachte. Daarnaast acht de officier van justitie de herroeping van de bekennende verklaring door verdachte onaannemelijk. Verdachte heeft immers de feiten tot in detail bekend en hij had een motief voor de door hem gepleegde brandstichtingen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een alternatief scenario geschetst. Gelet op dit scenario kan uit het aanwezige bewijs niet de overtuiging worden bekomen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Verdachte zou derhalve moeten worden vrijgesproken.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank 1

[benadeelde] heeft op 25 mei 2015 aangifte gedaan van brandstichting aan zijn personenauto (merk Mercedes Benz, kenteken [kenteken 1] ). Hij had zijn auto op 24 mei 2015 onbeschadigd geparkeerd op de oprit van zijn woning aan de [adres] te Roosteren. Op 25 mei 2015 zag hij dat een achterband van zijn auto leeg was en dat de velg zwart geblakerd was.2

Op 2 juli 2015 heeft [slachtoffer] , wonende aan de [adres] te Roosteren, aangifte gedaan. Zij verklaarde dat er op 2 juli 2015 om 5:22 uur werd aangebeld aan de voordeur van de woning. Haar man en zij lagen op dat moment te slapen. Haar man heeft de voordeur geopend. Aangeefster hoorde toen iemand roepen dat de garagepoort in brand stond, waarop zij naar buiten zijn gegaan. Daar constateerden zij dat de houten garagepoort inderdaad in brand stond. Haar man heeft vervolgens de brand geblust. Verder heeft aangeefster verklaard dat door het waarschuwen van die persoon voorkomen is dat de gehele woning is afgebrand. De garage is immers direct verbonden met de woning.3

Op 3 augustus 2015 heeft [benadeelde] aangifte gedaan omdat zijn auto van het merk Mercedes en gekentekend [kenteken 1] die dag om 5:00 uur in brand werd gestoken. De auto was op 2 augustus onbeschadigd geparkeerd op de oprit naast zijn woning aan de [adres] te Roosteren. Op 3 augustus 2015 zag aangever dat er grijs/zwarte plekken zaten op de lak en op de voor- en achterruit van de auto. Op camerabeelden heeft aangever gezien dat een persoon met een flesje in zijn hand om 5:00 uur de oprit op kwam rennen. Vervolgens was te zien dat deze persoon de inhoud van dat flesje over de auto gooide en in brand stak.4

Op 21 augustus 2015 heeft [benadeelde] wederom aangifte gedaan omdat zijn auto van het merk Mercedes en gekentekend [kenteken 1] die dag omstreeks 6:28 uur in brand werd gestoken. Op de bewakingscamera heeft aangever gezien dat het dezelfde dader was als de vorige keer.5

Verbalisanten hebben naar aanleiding van de aangiftes van [benadeelde] op 11 september 2015 onderzoek gedaan bij de woning aan de [adres] te Roosteren. De brandstichtingen hebben plaatsgevonden op de oprit van deze woning. Aan de rechterzijde van de oprit bevindt zich de paardenstal. Aangever [benadeelde] vertelde verbalisanten dat in deze paardenstal drie paarden staan gestald, ook ten tijde van de brandstichtingen. Aan de linkerzijde van de oprit bevindt zich de woning en aan het einde van de oprit de garage. De oprit bevond zich aldus tussen de woning en de paardenstal. Direct grenzend aan de paardenstal zagen de verbalisanten een ongeveer twee meter hoge struik staan, deels bruin verkleurd; de struik grensde aan de overstekende houten balken van de dakconstructie van de paardenstal. Ook aan de andere kant van de oprit zagen zij een ongeveer twee meter hoge struik staan, direct grenzend aan de woning onder de overstekende dakrand voorzien van houten schroten. Deze struik was aan de zijde van de oprit geheel bruin. De verkleuring van beide struiken was volgens de aangever [benadeelde] het gevolg van de hitte van de brand.6

Aangever heeft verder op 12 augustus 2015 verklaard dat hij verdachte verdenkt van de verschillende brandstichtingen aan zijn woning en zijn auto. Verdachte heeft in het verleden een woning van aangever gehuurd. Wegens een huurachterstand heeft verdachte deze woning in 2011 moeten verlaten. Vervolgens is er een geschil ontstaan over de door aangever na beëindiging van de huur ontvangen huursubsidie ten name van verdachte en de huurachterstand die nog door verdachte betaald diende te worden. Naast de verschillende brandstichtingen werden ook de banden van zijn auto lek gestoken en de ruiten van zijn woning ingegooid. In die tijd werd aangever meerdere malen ’s nachts gebeld door telefoonnummer: [telefoonnummer] .7 Toen aangever dit nummer op internet heeft nagetrokken, heeft hij vastgesteld dat dit nummer aan verdachte te liëren is. Op 26 juli 2014 is met dit telefoonnummer naar aangever het volgende sms-bericht gestuurd: “Echt weer iets voor jou: een baby als menselyk schild gebruiken !! bahbah! Schaam je je niet om je te verschuilen achter n kind?? Maarja, je opzet is geslaagd”.8

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 21 augustus 2015 een sms-bericht van verdachte ontving met de volgende tekst: “ Oh shit! Heb je de brandweer gehoord zojuist? Joehoe!”.9

Tijdens een buurtonderzoek op 21 augustus 2015 werden de verbalisanten aangesproken door aangever [benadeelde] . Hij verklaarde dat hij het vermoedelijk gebruikte flesje, waarmee de brandstichting zou zijn gepleegd, had gevonden. Het flesje lag in de berm tegenover perceel [nummers] aan de [straatnaam] te Roosteren. Het flesje rook naar benzine en had als opschrift ‘Lipton’. Rechts aan het begin van de oprit werd bij verder onderzoek door de verbalisanten een geel dopje gevonden, dat vermoedelijk bij het flesje hoorde.10

Het flesje en het dopje zijn onderzocht en daarbij is gebleken dat in het flesje motorbenzine heeft gezeten.11 Daarnaast is op het dopje DNA-materiaal aangetroffen dat te liëren is aan verdachte.12

Door aangever [benadeelde] zijn verschillende opnames van bewakingscamera’s in en rond zijn woning beschikbaar gesteld, waarop de brandstichtingen van 3 augustus 2015 en 21 augustus 2015 te zien zijn. De verbalisanten hebben op de beelden van op 3 augustus 2015 gezien dat een persoon richting de op de oprit geparkeerde auto loopt, een vloeistof over de auto giet uit vermoedelijk een plastic flesje en vervolgens deze vloeistof aansteekt. Vervolgens hebben ze gezien dat de gehele bovenzijde van de auto in brand staat. Op de beelden van 21 augustus 2015 hebben de verbalisanten een soortgelijke gebeurtenis gezien. Wederom is er op de beelden een persoon verschenen die met een flesje met een brandbare stof de auto op de oprit in brand heeft gestoken. Verder is te zien dat de persoon op een bromfiets (model scooter, met lichtkleurige bestickering) is weggereden. Ten slotte is te zien dat de persoon in de groenvoorziening links langs de weg een voorwerp heeft weggegooid. De verbalisanten hebben verder beschreven dat het beide keren ging om een persoon die dezelfde kleding, bromfietshelm en schoenen droeg. De bromfietshelm betreft een integraalhelm met transparante klep. De helm is ter hoogte van de kaaklijn voorzien van belettering en van strepen.13

Getuige [getuige 2] heeft op 19 september 2015 verklaard dat hij zijn bromfiets met het kenteken [kenteken 2] ongeveer een à twee maanden geleden aan verdachte heeft verkocht. Sindsdien gebruikt verdachte deze scooter. Bij de scooter heeft [getuige 2] aan verdachte ook een helm verkocht. Dat was een opvallende zwarte helm met open vizier. Op de helm stonden de letters BKR en ter hoogte van de wang waren rode accenten aangebracht. De scooter betreft een scooter van het merk TGB Bullet. De scooter is zwart van kleur met hier en daar rode accenten. Op de bestickering is de merknaam TGB en Bullet te lezen.14

Toen de verdachte zich ter zake van andere feiten heeft gemeld aan het politiebureau hebben de verbalisanten de kleding, de schoenen en de bromfietshelm die verdachte toen droeg, herkend. De persoon op de camerabeelden van de brandstichtingen droeg vergelijkbare kleding, schoenen en een bromfietshelm. Het signalement van verdachte komt naar het oordeel van de verbalisanten overeen met het signalement van de persoon op de camerabeelden van de brandstichtingen.15

Bij verhoor door de politie heeft verdachte erkend dat hij tot vier keer doe, door middel van het aansteken van benzine, brand heeft gesticht bij [benadeelde] aan de [straatnaam] te Roosteren omdat hij een conflict had met die [benadeelde] . De eerste keer was in de maand mei 2015 en toen heeft hij de band aan de achterzijde van de auto met benzine overgoten en in brand gestoken.16 De tweede brandstichting was een paar weken later. Toen heeft verdachte benzine over de achterzijde van de auto gegoten en aangestoken. Een keer heeft verdachte de garagepoort met benzine overgoten en in brand gestoken. De vierde keer heeft verdachte weer de auto in brand gestoken. Hij is met het flesje van voor naar achteren gelopen, zodat hij de benzine over de gehele auto kon gieten. Daarna heeft hij vanaf de achterzijde de auto in brand gestoken.17

Vervolgens heeft verdachte ook ter terechtzitting verklaard dat hij zijn eerder bij de politie afgelegde bekennende verklaring intrekt. Volgens verdachte heeft een derde persoon de kleding, bromfiets en helm van hem geleend en vervolgens de brandstichtingen gepleegd. Verdachte wil de naam van deze derde niet geven omdat hij bang is voor represailles. Dat slechts zijn DNA op het flesje is aangetroffen, wijt de verdachte aan het feit dat die persoon handschoenen droeg.

Verdachte heeft erkend dat het telefoonnummer [telefoonnummer] van hem is en door hem gebruikt wordt.18

De rechtbank acht het verhaal dat verdachte heeft geschetst dat iemand anders dan hij de brandstichter is, totaal ongeloofwaardig. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een persoon alle kleding van verdachte, waaronder schoenen en jas, scooter en helm leent en vervolgens branden gaat stichten waarvoor verdachte een motief heeft. Verdachte heeft bij verhoor tot in detail aangegeven hoe hij de brandstichtingen heeft gepleegd. Deze verklaring komt overeen met hetgeen op de camerabeelden van de twee laatste brandstichtingen is te zien. Daarnaast is enkel het DNA van verdachte op het aangetroffen dopje aangetroffen. De stelling van verdachte dat de onbekend gebleven derde handschoenen zou hebben gedragen, wordt gelogenstraft door hetgeen op de pagina’s 168 en 169 van het dossier te zien is. Op die pagina’s zijn immers schermafdrukken van de camerabeelden opgenomen waarop te zien is dat de dader geen handschoenen draagt.

De rechtbank acht, gelet op de aangiften, de camerabeelden, de herkenning van verdachte door de verbalisanten, de DNA-bevindingen, de gestuurde sms-berichten en de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte tot vier keer toe brand heeft gesticht bij [benadeelde] waarbij gemeen gevaar voor goederen en (bij twee branden) ook (levens)gevaar voor personen is ontstaan.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 21 augustus 2015 te Roosteren opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (Mercedes, kenteken [kenteken 1] ) door benzine over voornoemde personenauto te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in de nabijheid van die personenauto gelegen woning [adres] en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde] en/of andere zich in die woning [adres] bevindende personen te duchten was;

2.

op 3 augustus 2015 te Roosteren opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (Mercedes, kenteken [kenteken 1] ) door benzine over voornoemde personenauto te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3.

op 2 juli 2015 te Roosteren aan een woning [adres] opzettelijk brand heeft gesticht door benzine over de garagepoort van voornoemde woning te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, ten gevolge waarvan voornoemde garagepoort is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en/of andere zich in de woning bevindende personen te duchten was;

4.

op 25 mei 2015 te Roosteren opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (Mercedes, kenteken [kenteken 1] ) door benzine over een wiel van voornoemde personenauto te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

T.a.v. feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

T.a.v. feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

T.a.v. feit 4:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden onder aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte geen recente zaken meer op zijn documentatie heeft staan en het de laatste jaren goed gaat. Verdachte ziet in dat hij hulp nodig heeft om aan zijn persoonlijke problemen te werken. Gelet daarop, verzoekt de raadsvrouw om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft vier keer brand gesticht; drie keer in het holst van de nacht en in een keer in de vroege ochtend. Telkens had hij het daarbij gemunt op aangever [benadeelde] . Verdachte heeft drie keer de auto van [benadeelde] in brand gestoken en een keer, toen de auto niet op de oprit stond, de garagepoort van de woning van [benadeelde] .

Deze vier brandstichtingen volgden elkaar op in nog geen drie maanden tijd en hebben [benadeelde] en zijn echtgenote schrik en vrees aangejaagd. Dat blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van de echtgenote van [benadeelde] .

Het is echter niet alleen bij schrik en vrees gebleven. Er is ook schade ontstaan. Zo is de auto van [benadeelde] ernstig beschadigd geraakt en is er schade aan de garagepoort en diverse andere goederen. Daarnaast ontstond er door de brandstichting gevaar voor ernstigere en grotere schades. Zo stonden in de buurt van de auto waaraan brand werd gesticht drie paarden gestald en had door de brandstichting aan de garagepoort ook brand kunnen ontstaan in het huis, dat aan de garage vastligt en waarin op dat moment [benadeelde] en zijn echtgenote lagen te slapen.

Dat dit grotere gevaar zich nooit verwezenlijkt heeft is louter te danken aan de alertheid van [benadeelde] , zijn echtgenote en buurtbewoners. Verdachte heeft zich de eerste drie keren schielijk uit de voeten gemaakt en dat in de hoop dat de brandstichting geslaagd zou zijn. Toen die drie brandstichtingen kennelijk niet het resultaat hadden wat verdachte beoogde te bereiken, heeft hij een vierde keer brand gesticht en heeft toen, naar eigen zeggen, gewacht totdat de auto goed brandde.

Dit geeft voor de rechtbank treffend weer met welke intentie verdachte gehandeld heeft. Aan [benadeelde] moest schade worden toegebracht. Hoe dan ook. Verdachte kan, als de omstandigheden hem blijkbaar niet zinnen, kennelijk slechts uit wraak en eigenrichting handelen, zonder daarbij rekening te houden met de gevaren die dit handelen met zich brengt.

Ook los van verdachtes intenties dient brandstichting als een zeer ernstig strafbaar feit gekwalificeerd te worden. Het veroorzaakt maatschappelijke onrust en kan leiden tot psychische, emotionele en ook financiële schade bij slachtoffers daarvan.

Slachtoffers van brandstichting worden geconfronteerd met een ergerlijk en beangstigend feit, waardoor zij schade lijden en achterblijven met angstgevoelens. Zeker als het brandstichtingen betreft, zoals hier, die in de nachtelijke uren worden begaan en waarbij er gevaar bestaat voor personen en goederen.

Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

Wat de rechtbank verdachte ook aanrekent, is zijn proceshouding. Van ontkennend, naar bekennend, naar wederom ontkennend en daarbij een verhaal verzinnend dat gespeend is van elke realiteitszin. De conclusie moet zijn dat verdachte geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daden en liever liegt.

De rechtbank acht geen andere of lichtere straf dan een lange gevangenisstraf passend. De rechtbank zal deze gevangenisstraf deels voorwaardelijk opleggen omdat het onderliggende geschil nog niet is opgelost en de rechtbank de indruk heeft dat de wraakgevoelens die verdachte koestert jegens het slachtoffer [benadeelde] absoluut niet zijn weggeëbd. Derhalve zal ook een langere proeftijd aan het voorwaardelijke strafdeel gekoppeld worden, namelijk een van drie jaren. Hopelijk weerhoudt dit alles de verdachte ervan om nogmaals strafbare feiten te plegen jegens [benadeelde] of anderen.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 16 september 2015 komt een zorgelijk beeld omtrent verdachte naar voren. Op een aantal criminogene factoren spelen ten aanzien van verdachte forse problemen. Verdachte gebruikt drugs, heeft forse schulden en ervaart problemen met zijn huisvesting. Verdachte ziet deze problemen echter zelf niet, waardoor een hulpvraag uitblijft.

De rechtbank acht, gelet op met name de risico’s en de gevolgen die brandstichting met zich (kunnen) meebrengen, het opleggen van een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De rechtbank straft zwaarder dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank de risico’s en gevolgen die brandstichting met zich (kunnen) meebrengen hoger inschat en zwaarder laat doorwegen in de hoogte van de straf.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.414,51 terzake van de feiten. De vordering bestaat uit een materieel deel van € 415,51 en een immaterieel deel van € 2.000,00. Daarnaast wordt de toepassing van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

7.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar. Hij heeft verzocht om de wettelijke rente toe te passen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te verklaren omdat zij tot vrijspraak komt. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd ten aanzien van de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij aangevoerd dat gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit niet onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek vallen, en derhalve deze schade moet worden afgewezen. Zij heeft daarbij ook gewezen op het feit dat slechts [benadeelde] zich heeft gevoegd in het strafproces en niet zijn vrouw [slachtoffer] .

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat door de hiervoor genoemde benadeelde partij materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde.

Nu de schadebedragen van deze post niet door de verdediging zijn betwist, stelt de rechtbank de totale schade vast op € 415,51, zoals gevorderd, en wijst zij het gevorderde bedrag toe.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat in geval er geen sprake is van fysiek letsel – zoals hier aan de orde – slechts in een beperkt aantal gevallen een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit het voegingsformulier blijkt dat de benadeelde partij behoorlijk aangeslagen was door de brandstichtingen. Hij voelt zich machteloos en niet meer veilig in zijn eigen huis en maakt zich ernstig zorgen om zijn vrouw, die net als hij erg gebukt gaat onder de situatie. De zorgen om het welzijn van zijn vrouw houden hem dag en nacht bezig. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij deze negatieve gevoelens graag op de dader zou willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid, machteloosheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van dit wetsartikel. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. Deze post wordt dan ook afgewezen.

Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de wettelijke rente toepassen vanaf 21 augustus 2015 en tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer, omdat dit goederen zijn die aan verdachte toebehoorden en hiermee de feiten zijn gepleegd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , wonende aan de [adresgegevens] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 415,51, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 21 augustus 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde] , van € 415,51, bij niet betaling en verhaal te vervangen door acht dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 21 augustus 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- gelast de onttrekking aan het verkeer van het volgende inbeslaggenomene:

1 1.00 FLS Fles

LIPTON ICE TEA

656856 AAII9644NL

2 1.00 FLS Fles

LIPTON ICE dop

656858.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 augustus 2015 te Roosteren, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (Mercedes, kenteken [kenteken 1] ) door benzine, althans een brandbare (vloei)stof, over voornoemde personenauto te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, althans brandbare stof, althans door open vuur in aanraking te brengen met voornoemde personenauto ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto en/of de in de nabijheid van die personenauto gelegen woning ( [adres] ), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde] en/of andere zich in die woning ( [adres] ) bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 03 augustus 2015 te Roosteren, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (Mercedes, kenteken [kenteken 1] ) door benzine, althans een brandbare (vloei)stof, over voornoemde personenauto te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, althans brandbare (vloei)stof, althans door open vuur in aanraking te brengen met voornoemde personenauto,

ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 02 juli 2015 te Roosteren, in elk geval gemeente Echt-Susteren, in/aan een woning ( [adres] ) opzettelijk brand heeft gesticht door benzine, althans een brandbare (vloei)stof, over de garage(poort) van voornoemde woning te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, althans brandbare (vloei)stof, althans door open vuur in aanraking te brengen met de garage(poort) van voornoemde woning, ten gevolge waarvan voornoemde garage(poort) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en/of andere zich in de woning bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 25 mei 2015 te Roosteren, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (Mercedes, kenteken [kenteken 1] ) door benzine, althans een brandbare (vloei)stof, over (een wiel van) voornoemde personenauto te gooien en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met deze benzine, althans brandbare (vloei)stof, althans door open vuur in aanraking te brengen met (een wiel van) voornoemde personenauto, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, proces-verbaalnummer PL 2300-2015157158, gesloten d.d. 9 december 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 213.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , d.d. 25 mei 2015, dossierpagina 5.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , d.d. 2 juli 2015, dossierpagina 10.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , d.d. 3 augustus 2015, dossierpagina 12.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , d.d. 21 augustus 2015, dossierpagina 28.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 september 2015, dossierpagina’s 47, 48, 53 en 55.

7 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde] , d.d. 12 augustus 2015, dossierpagina 25.

8 Idem, dossierpagina 26.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , d.d. 26 september 2015, dossierpagina’s 44 en 45.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 augustus 2015, dossierpagina 46.

11 Het proces-verbaal van onderzoek stuk van overtuiging, d.d. 26 augustus 2015, dossierpagina 102. Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in Roosteren op 21 augustus 2015, d.d. 14 september 2015, dossierpagina 110. De KVI’s, d.d. 21 augustus 2015, dossierpagina 184 en 185. De griffier merkt op dat er geen onregelmatigheden in de ketting van nummering is aangetroffen.

12 Het rapport aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting in Roosteren op 21 augustus 2015, d.d. 9 november 2015, dossierpagina 123. De KVI, d.d. 21 augustus 2015, dossierpagina 185. De griffier merkt op dat er geen onregelmatigheden in de ketting van nummering is aangetroffen.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 september 2015, dossierpagina’s 57 tot en met 62.

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , d.d. 19 september 2015, dossierpagina’s 41 en 42.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 september 2015, dossierpagina’s 64 tot en met 67.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 25 september 2015, dossierpagina 166.

17 Idem, dossierpagina 166.

18 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 8 maart 2016 afgelegd.