Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:2466

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
03/866361-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866361-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

thans (uit anderen hoofde) gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.M.W. Daamen, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 maart 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich:

Feit 1: schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding of vergemakkelijking van beroeps-, bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt door in de gemeente Nuth stoffen en/of voorwerpen te koop aan te bieden en/of voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat deze bestemd zijn voor die hennepteelt;

Feit 2: een elektriciteitsmeter heeft geheeld.

3 De beoordeling van het bewijs

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van feit 2 onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

3.1

Inleiding feit 11

Op 1 maart 2015 is de Opiumwet gewijzigd en zijn handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale beroeps-, bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt in artikel 11a strafbaar gesteld.

Op 3 juni 2015 is een integrale controle uitgevoerd bij [naam growshop] , gelegen aan de [adres growshop] . Aan deze actie werd deelgenomen door de politie, de gemeente Nuth, het openbaar ministerie, de belastingdienst, de brandweer en Enexis B.V.2

[naam growshop] is volgens het uittreksel uit het handelsregister een eenmanszaak, gedreven door verdachte.3

Verbalisant [verbalisant] relateert in zijn proces-verbaal dat hij op 3 juni 2015 het bedrijfspand van [naam growshop] heeft betreden. Het bedrijf was op dat moment geopend en vrij toegankelijk voor klanten, leveranciers en andere bezoekers. In het bedrijfspand hingen posters aan de wanden met daarop reclame van groei- en bloeimiddelen voor de teelt van hennepplanten. Tevens lagen er in rekjes folders met informatie over het telen van onder meer hennepplanten.4 Tijdens de controle werden in het winkelgedeelte verschillende goederen aangetroffen die bestemd zijn voor de teelt van hennepplanten. In verschillende schappen stonden groei- en voedingsmiddelen, die door [verbalisant] werden herkend als middelen bestemd voor de teelt van hennep. Het betrof met name groeimiddelen van het merk Canna. Verder werden drie roosters dan wel snijders aangetroffen, die enkel gebruikt kunnen worden in een cannacutter genaamd Tumble Trimmer. Ook werden, zowel in de winkelruimte als in de kelder, zware (600 Watt) assimilatielampen en armaturen, alsmede TL-lampen en armaturen, die gebruikt kunnen worden voor de hennepteelt, aangetroffen. Daarnaast werden in de winkelruimte schakelaars/regelaars aangetroffen om de temperatuur, voeding, vochtigheid enzovoorts te regelen om een juiste groeicultuur te creëren voor de teelt van hennepplanten. Ten slotte werden in de kelder van het pand twee gebruikte droogrekken aangetroffen. Droogrekken worden in het algemeen gebruikt voor het drogen van henneptoppen.

In totaal werden door verbalisant [verbalisant] de volgende goederen aangetroffen:

  • -

    79 assimilatielampen;

  • -

    35 armaturen;

  • -

    134 TL-lampen inclusief armaturen;

  • -

    29 tijdschakelaars;

  • -

    2 transformatoren;

  • -

    1 voedingscomputer/module;

  • -

    1 koolstoffilter;

  • -

    2 temperatuurventilatieregelaars;

  • -

    3 roosters t.b.v. cannacutters;

  • -

    2 droogrekken;

  • -

    87 jerrycans groeimiddel van het merk Canna.5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vóór 1 maart 2015 een zogenoemde ‘klassieke growshop’ exploiteerde. Nadat hij zich op de hoogte had gesteld van de gevolgen van de wetswijziging per 1 maart 2015 heeft hij alle goederen die gebruikt zouden kunnen worden in de beroeps-, bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt, uit het winkelgedeelte verwijderd en opgeslagen in de kelder van het pand. Een deel van die goederen was inmiddels vernietigd, een ander deel moest nog door hem worden uitgezocht. Dat andere deel betrof de door verbalisant [verbalisant] aangetroffen goederen. Toegang tot de kelder hadden niet alleen zijn personeel en verdachte zelf, maar ook bekenden van verdachte en vaste klanten van de growshop. Na 1 maart 2015 verkocht hij enkel nog aan hobbytelers, waarbij werd gezegd dat de goederen niet bestemd waren voor de illegale hennepteelt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de door verbalisant [verbalisant] in het bedrijfspand van verdachte aangetroffen stoffen en voorwerpen een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet en of verdachte van die strafbare bestemming wetenschap heeft gehad, dan wel ernstige redenen had om dat te vermoeden, en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit bewezen, gelet op de bevindingen van verbalisant [verbalisant] . Verdachte heeft volgens de officier van justitie de in de tenlastegelegging genoemde voorwerpen en stoffen in zijn bedrijfspand aan de [adres growshop] voorhanden gehad en te koop aangeboden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de zeer grote hoeveelheid en de combinatie van de diverse voorhanden zijnde en te koop aangeboden goederen, het niet anders kan zijn dan dat die goederen bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet. De officier van justitie heeft hierbij met name gewezen op de onderdelen van de cannacutter en het koolstoffilter die in het bedrijfspand werden aangetroffen. Ook de aanwezigheid van 79 assimilatielampen en 134 TL-lampen, alsmede een groot aantal tijdschakelaars, duidt op hennepteelt met een hoge mate van professionaliteit. Bovendien hingen in de winkel reclameposters van groei- en bloeimiddelen voor hennep en werden informatiefolders betreffende hennepteelt aangetroffen.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte wist dat de goederen die hij voorhanden had en te koop aanbood waren bestemd voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Alle goederen, ook die in de kelder, waren zichtbaar voor kopers gerangschikt en per productsoort gesorteerd. Het geheel had onmiskenbaar het karakter van een uitstalling ten behoeve van de verkoop van hennepteelt-gerelateerde stoffen en voorwerpen.

Op grond van het vorenstaande komt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte heeft geweten dat de te koop aangeboden en voorhanden zijnde goederen dienden ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt, zodat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat in het voorbereidende onderzoek geen vormverzuimen zijn gepleegd die gevolgen zouden moeten hebben voor de bewijsgaring.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte de criminele intentie ontbreekt. Verdachte was op de hoogte van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet. Hij heeft alle stoffen en voorwerpen die bestemd waren voor de professionele, bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt uit zijn assortiment verwijderd. Enkel de producten die nog geschikt en bruikbaar waren voor de kleinschalige thuisteler stonden na 1 maart 2015 nog in het voor klanten toegankelijke en zichtbare deel van de winkel. De goederen die in kelder waren opgeslagen waren niet bestemd voor de verkoop.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het vorenstaande, niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte wist dat de in zijn pand aangetroffen voorwerpen en stoffen een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, noch dat hij ernstige redenen had om dit te vermoeden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat alleen de culpoze variant bewezen kan worden verklaard, zulks gelet op de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat in het voorbereidende onderzoek vormfouten zijn begaan en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

De parlementaire stukken

Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3) blijkt dat het op

1 maart 2015 in werking getreden nieuwe artikel 11a van de Opiumwet tot doel heeft om de bestrijding van de illegale hennepteelt te intensiveren en te optimaliseren. Bij de aanpak van illegale hennepteelt is het het kabinet steeds duidelijker geworden dat het enkele optreden tegen de hennepkwekerijen en tegen de bij de teelt direct betrokkenen niet toereikend is voor een daadwerkelijke terugdringing van de illegale hennepteelt. Daarom wordt het noodzakelijk geacht om ook op te treden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale teelt, in het bijzonder die activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.

De rechtbank heeft ten behoeve van de beoordeling in de onderhavige zaak in het bijzonder de volgende citaten uit deze Memorie van Toelichting en andere op dit nieuwe wetsartikel van toepassing zijnde Kamerstukken meegewogen:

‘Bij de huidige wijze van functioneren van growshops zal er snel voldoende bewijs zijn voor het bestaan van de wetenschap bij de growshophouder of -medewerker. Immers, growshops e.d. bestaan bij de gratie van de illegale hennepteelt, hetgeen alleen al uit de door hen gekozen openbaarmakingen duidelijk blijkt. Verder worden het assortiment en de geboden informatie en expertise opzettelijk aangeboden met één doel: de hennepteelt. In dit verband kan worden gewezen op producten als de koolstoffilter en de zogenoemde «kniptrommel» en «ice-o-lator» die specifiek worden ingezet en aangeboden voor de hennepteelt.’6

‘Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. Bij de producten die door een growshop verkocht worden, is er doorgaans geen sprake van twijfel over de bestemming ervan.’7

‘Ook teelt van vijf planten of minder kan worden aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in een bijlage van de Aanwijzing, is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.’8

‘Het gaat erom dat voorwerpen, of zo u wilt legale producten, ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan.’9

‘De gekozen formulering zorgt er in dit verband juist voor dat niet het subjectieve oordeel(svermogen) van de verdachte bepalend is, maar dat het een objectiveerbare situatie betreft. Met andere woorden een situatie, waarin de betrokkene als gewoon denkend mens niet anders had kunnen doen dan moeten vermoeden dat hij voorbereidingsmiddelen ter beschikking stelde om bepaalde Opiumwetdelicten te plegen. Hieruit volgt tevens dat er geen sprake van een onderzoeksplicht (is).’10

‘Bij strafbare voorbereidingshandelingen moet er steeds sprake zijn van zowel de criminele intentie van de dader als de daaruit voortvloeiende handeling. De werking van deze bestanddelen is flexibel en valt het beste te vergelijken met die van communicerende vaten. Zo zal, indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt, de criminele intentie nagenoeg geheel kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling. Bij de verkoop in een growshop, waarbij alleen al uit het aanbod, de benaming van voorwerpen en/of uit de handleiding of gebruiksaanwijzing daarvan blijkt dat het bestemd is voor illegale hennepteelt, behoeft de criminele intentie van de verkoper nauwelijks nader bewijs.’11

Uit het voorgaande blijkt naar oordeel van de rechtbank dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen strafbare handelingen (overtreding van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet) worden begaan. De keuze voor deze formulering brengt met zich mee dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat niet het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte bepalend is.

De rechtbank kan haar ogen er niet voor sluiten dat tijdens de parlementaire behandeling onduidelijkheid is ontstaan over het door de Minister van Veiligheid en Justitie te pas en te onpas gebezigde begrip “criminele intentie”. Dit begrip komt echter niet terug in de strafbaarstelling. Gelet op de daar wel gebezigde begrippen en op de structuur van de strafbaarstelling die overeenkomt met diverse andere strafbaarstellingen, waaronder diverse onderdelen van artikel 273f Wetboek van Strafrecht, en de omtrent die andere strafbaarstellingen ontwikkelde jurisprudentie, houdt de rechtbank het ervoor dat de woorden “waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat” zo begrepen moeten worden dat van “weten” sprake is wanneer minimaal voorwaardelijk opzet bewezen kan worden verklaard en dat “ernstige reden om te vermoeden” duidt op schuld of culpa en betekent aanmerkelijke onvoorzichtigheid: bij enig nadenken had de verdachte kunnen vermoeden dat het om een stof of voorwerp (etc.) ging bestemd voor strafbare handelingen als bedoeld in artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet.

Weliswaar brengt een dergelijke uitleg met zich dat zowel opzettelijk handelen als culpoos handelen dan eenzelfde strafbedreiging kent, maar dat past binnen de opvatting waarin de verhouding tussen opzet en culpa eerder als gradueel wordt gezien dan dat deze subjectieve bestanddelen als elkaars tegenpolen worden beschouwd; niet steeds zal met scherpte te onderscheiden zijn of er sprake is van opzet dan wel culpa, terwijl dit onderscheid er voor het laakbare karakter van de gedraging niet toe hoeft te doen. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar de conclusie van A-G Bleichrodt12 bij het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015.13

3.4.2

De beoordeling

Vormverzuim

De rechtbank is van oordeel dat in het voorbereidend onderzoek geen vormverzuimen zijn begaan. Het verweer van de raadsman dat daarop is gestoeld, zal dan ook worden verworpen.

De verklaring van verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vóór 1 maart 2015 een zogenoemde ‘klassieke’ growshop exploiteerde aan de [adres growshop] . Naar aanleiding van de op handen zijnde wetswijziging/invoering van artikel 11a van de Opiumwet heeft hij alle goederen die gebruikt zouden kunnen worden in de beroeps-, bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt uit het winkelgedeelte verwijderd en opgeslagen in de kelder van het pand. Een deel van die goederen was inmiddels vernietigd, een ander deel moest nog door hem worden uitgezocht. Dat andere deel betrof de door verbalisant [verbalisant] aangetroffen goederen. Toegang tot de kelder hadden niet alleen zijn personeel en verdachte zelf, maar ook bekenden van verdachte en vaste klanten van de growshop.14

De omstandigheden

Zoals reeds is gezegd, dient bij de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet onder andere gekeken te worden naar de omstandigheden waaronder de voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen.

Bij de op 3 juni 2015 uitgevoerde controle van [naam growshop] , gelegen aan de [adres growshop] , werden diverse goederen aangetroffen die bestemd zijn voor de teelt van hennepplanten, zoals zware (600 Watt) assimilatielampen, TL-lampen, armaturen, diverse schakelaars en regelaars, een koolstoffilter, droogrekken, groei- en voedingsmiddelen van het merk Canna en reserve-onderdelen voor een cannacutter. In het winkelgedeelte hingen posters met daarop reclame van groei- en bloeimiddelen voor hennepplanten. Ook lagen er folders met informatie over het telen van hennepplanten.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de grote hoeveelheid en de combinatie van de diverse door verdachte in het bedrijfspand te koop aangeboden en voorhanden zijnde stoffen en voorwerpen, het niet anders kan zijn dan dat die goederen bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

Wetenschap of redelijk vermoeden?

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn pand aanwezige stoffen en voorwerpen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige illegale hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

Zoals gezegd houdt de rechtbank het ervoor dat van “weten” sprake is wanneer minimaal voorwaardelijk opzet bewezen kan worden verklaard en dat “ernstige reden om te vermoeden” duidt op schuld of culpa en betekent aanmerkelijke onvoorzichtigheid: bij enig nadenken had de verdachte kunnen vermoeden dat het om een stof of voorwerp (etc.) ging bestemd voor strafbare handelingen als bedoeld in artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij reeds gedurende meerdere jaren een growshop exploiteerde. Hij wist dat op 1 maart 2015 de Opiumwet was gewijzigd en was aangevuld met een nieuw artikel 11a. De goederen die hij voordien in zijn winkel verkocht en voorhanden had, en die thans als verboden worden aangemerkt, had hij deels reeds laten afvoeren. Een klein deel lag volgens verdachte nog in de kelder van het pand opgeslagen. Die kelder was ook voor (vaste) klanten toegankelijk. Volgens verbalisant [verbalisant] stonden echter ook – per 1 maart 2015 als verboden aangemerkte goederen – nog gewoon in de winkel uitgestald.

Naar het oordeel van de rechtbank, en gelet op hiervoor aangehaalde parlementaire stukken, zijn de in het pand van verdachte aangetroffen goederen, mede gelet op de hoeveelheid en de combinatie ervan, stoffen en voorwerpen die gericht zijn op de grootschalige, dan wel beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Verdachte wist dat die stoffen en voorwerpen bestemd waren tot het plegen van feiten als bedoeld in artikel 11 lid 3 en lid 5 van de Opiumwet. Het verweer van verdachte dat hij enkel nog goederen aan kleinschalige hobbytelers verkocht, slaagt daarom niet.

De conclusie

Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte op 3 juni 2015 in het pand aan de [adres growshop] stoffen en voorwerpen te koop heeft aangeboden en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 3 juni 2015 in de gemeente Nuth stoffen en voorwerpen heeft te koop aangeboden en voorhanden gehad, te weten

- 79 assimilatielampen en

- 35 armaturen en

- 134 tl-lampen inclusief armaturen, en

- 29 tijdschakelaars en

- 2 transformatoren en

- een voedingscomputer/module en

- een koolstoffilter en

- 2 temperatuurventilatieregelaars en

- 3 roosters ten behoeve van een cannacutter en

- 2 droogrekken en

- 87 jerrycans groeimiddel (merk Canna)

waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid strafbaar gestelde feiten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

T.a.v. feit 1:

stoffen en voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat deze bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gemeld te zullen afwijken van de beleidslijn om drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen. Het nieuwe artikel 11a Opiumwet is erop gericht om growshops tegen te gaan. Nu verdachte zijn activiteiten gericht op de verkoop van hennepteeltgerelateerde goederen inmiddels gestaakt heeft, is dat doel bereikt en kan volgens de officier van justitie volstaan worden met een geheel voorwaardelijke straf.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging primair te volstaan met een rechterlijk pardon, subsidiair een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Verdachte is financieel zwaar getroffen door de wetswijziging van 1 maart 2015. Een groot deel van zijn bedrijfsvoorraad had hij reeds laten afvoeren. De nog resterende voorraad is nu door de politie in beslag genomen en vernietigd. Daarnaast is verdachte op dit moment (uit anderen hoofde) gedetineerd. Een op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bemoeilijkt de detentiefasering, die thans in gang zou kunnen worden gezet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft opzettelijk stoffen en voorwerpen, die bestemd zijn voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, in zijn winkel in Nuth voorhanden gehad en te koop aangeboden. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaat met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Verdachte heeft met zijn winkel een wezenlijke rol gehad in de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, en daarbij kennelijk slechts zijn eigen geldelijk gewin voorop gesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte recent niet meer voor overtreding van de Opiumwet met politie of justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat bij een feit als het onderhavige in beginsel een gevangenisstraf van enige duur de enige passende straf is. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank de ernst van het feit in aanmerking genomen en de omstandigheid dat verdachte door het plegen van dit feit direct een bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt.

De rechtbank kan echter niet haar ogen sluiten voor het feit dat verdachte zijn illegale bedrijfsactiviteiten inmiddels heeft gestaakt en zijn winkelpand op dit moment een andere bestemming heeft gegeven. Dit, in combinatie met het feit dat op het strafblad van verdachte geen recente Opiumwet gerelateerde politie- en justitiecontacten prijken, maakt dat de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf zal volgen. Deze straf is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijk signaal voor verdachte en anderen om af te zien van het handelen in strijd met het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank zal hierbij de proeftijd op twee jaren stellen, aangezien zij geen aanknopingspunten in het dossier aanwezig acht die een langere proeftijd noodzakelijk maken.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer omdat met deze goederen het feit is gepleegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 2;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.5 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

79 assimilatielampen

35 armaturen

134 tl-lampen met armaturen

29 tijdschakelaars

2 transformatoren

1 voedingscomputer/module

1 koolstoffilter

2 temperatuurventilatieregelaars

3 roosters ten behoeve van cannacutter

2 droogrekken

87 jerrycans met groeimiddel van het merk Canna.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter,

mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.E. Mullers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 juni 2015 in de gemeente Nuth stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

- 79 assimilatielampen, althans een hoeveelheid assimilatielampen en/of

- 35 armaturen, althans een hoeveelheid armaturen en/of

- 134 TL lampen inclusief armaturen, althans een hoeveelheid TL lampen en/of

- 29 tijdschakelaars, althans een hoeveelheid tijdschakelaars en/of

- 2 transformatoren, althans een hoeveelheid transformatoren en/of

- een voedingscomputer/module en/of

- een koolstoffilter en/of

- 2 temperatuurventilatieregelaars, althans een hoeveelheid temperatuurventilatieregelaars en/of

- 3 roosters ten behoeve van een cannacutter en/of

- 2 droogrekken, althans een hoeveelheid droogrekken en/of

- 87 jerrycans groeimiddel(merk Canna), althans een hoeveelheid verpakkingen groeimiddel

waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid strafbaar gestelde feiten, door voornoemde stoffen en/of voorwerpen te koop aan te bieden en/of voorhanden te hebben;

2.

hij op of omstreeks 03 juni 2015 in de gemeente Nuth, althans in Nederland, een elektriciteitsmeter heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die elektriciteitsmeter wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goed betrof.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015103099, gesloten d.d. 5 augustus 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 43.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 31 juli 2015, dossierpagina 1.

3 Een uittreksel van de KvK, d.d. 5 augustus 2015, dossierpagina 12.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 31 juli 2015, dossierpagina 1.

5 Idem, dossierpagina 2.

6 Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3.) pagina 8.

7 Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 6) pagina 3.

8 Idem, pagina 3 en 4.

9 Brief van de minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 6) pagina 6.

10 Idem, pagina 7.

11 Memorie van antwoord Eerste kamer (Kamerstukken I, 2012/13, 32 842, B) pagina 8.

12 ECLI:NL:PHR:2015:928.

13 ECLI:NL:HR:2015:1660.

14 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 maart 2016.