Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:1978

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2763u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1068, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de looptijd van een opgelegde last onder dwangsom onder voorwaarden opgeschort. Omdat ten tijde van het opschortingsbesluit de begunstigingstermijn van de last nog niet was verstreken, vat de rechtbank dat besluit aldus op dat daardoor mede de begunstigingstermijn is opgeschort. Na beëindiging van de opschorting omdat niet aan de voorwaarden daarvoor werd voldaan, heeft verweerder geconstateerd dat de last niet is uitgevoerd en heeft hij vervolgens tot invordering besloten. De rechtbank is echter van oordeel dat de constatering van verbeurte van een dwangsom prematuur was, omdat de na beëindiging van de opschorting (hervatte) begunstigingstermijn toen nog niet was verstreken. Die constatering kan daarom niet als grondslag voor de invordering dienen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7323
JAF 2016/594 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2016/76 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/2763

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2016 in de zaak tussen

[naam bedrijf] te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr.ing J.J. Patelski),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft verweerder besloten tot invordering van een volgens verweerder verbeurde dwangsom van € 20.000,--. Bij besluit van 10 maart 2015 heeft verweerder eveneens besloten tot invordering van een volgens hem verbeurde dwangsom van € 20.000,--.

Bij besluit van 3 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar bestuurder J.H. Crijns. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden M.C. van Doornik, H.A.H. Wolters, T.A.W. Bovens en M.F.J. van der Venne.

Overwegingen

1. Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met de artikelen 6 en 13 van de Wet bodembescherming en de artikelen 10.1, 10.2 en 10.60 van de Wet milieubeheer niet opschonen van het terrein aan de [adres] waarop zich asbesthoudende afvalstoffen en andere materialen bevinden. Verweerder heeft aan eiseres een termijn van twee weken gegund na inwerkingtreden van het besluit om de last uit te voeren en heeft op niet nakoming een dwangsom gezet van € 20.000,-- per week dat niet aan de last wordt voldaan met een maximum van € 40.000,--.

2. Na een verzoek van eiseres om een langere begunstigingtermijn heeft overleg plaatsgevonden. Dat heeft geresulteerd in een besluit van 17 oktober 2014 waarin de looptijd van de opgelegde last is opgeschort tot uiterlijk 1 maart 2015 onder een aantal voorwaarden, erop neerkomend dat de asbesthoudende stoffen in fasen worden afgevoerd, zodanig dat deze uiterlijk 1 maart 2015 geheel zijn verwijderd. De als eerste fase geformuleerde voorwaarde was dat eiseres uiterlijk 1 december 2014 ongeveer 25% van het aanwezige asbesthoudende materiaal van het terrein heeft verwijderd. Verweerder heeft daarbij bepaald dat het niet nakomen van de voorwaarden aanleiding is om de opschorting van de looptijd van de last te beëindigen.

3. Bij brief van 3 december 2014 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat tijdens een controlebezoek op 2 december 2014 is geconstateerd dat nog geen asbesthoudend materiaal was afgevoerd. Verder is in die brief vermeld dat door die constatering de opschorting van de last onder dwangsom is beëindigd en dat daardoor de eerste dwangsom van € 20.000,-- is verbeurd. Bij brief van 16 december 2014 heeft verweerder vervolgens aan eiseres meegedeeld dat bij een controlebezoek op 16 december 2014 wederom is geconstateerd dat geen asbesthoudend materiaal is afgevoerd en dat daarom nog eens € 20.000,--, derhalve in totaal € 40.000,--, is verbeurd.

4. Bij het primaire besluit van 9 maart 2015 heeft verweerder, onder verwijzing naar de brief van 3 december 2014, besloten tot invordering van de eerste door eiseres verbeurde dwangsom van 20.000,--. Bij primair besluit van 10 maart 2015 heeft verweerder, onder verwijzing naar de brief van 16 december 2014, besloten tot invordering van de tweede door eiseres verbeurde dwangsom van € 20.000,--.

5. De tegen die primaire besluiten gemaakte bezwaren heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft de gronden van het bezwaar grotendeels van de hand gewezen omdat de bezwaren zijns inziens feitelijk waren gericht tegen de opgelegde last die in rechte onaantastbaar is. Verweerder heeft voorts overwogen geen reden te zien om wegens bijzondere omstandigheden van invordering af te zien.

6. Eiseres heeft in het beroepschrift aangevoerd dat het besluit van 17 oktober 2014 waarbij de last is opgeschort niet is ingetrokken, waaraan zij primair de conclusie verbindt dat het besluit van 8 oktober 2014 waarbij de last is opgelegd, door de opschorting niet meer van kracht is, zodat dit besluit niet kan dienen als basis voor invordering, en subsidiair dat geen dwangsommen zijn verbeurd omdat niet bepaalbaar is wanneer de begunstigingstermijn is verstreken zodat het ervoor moet worden gehouden dat die termijn ten tijde van de invorderingsbesluiten nog doorliep. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder bij de besluiten om in te vorderen onvoldoende gewicht heeft gehecht aan haar belangen, waarvan in het bijzonder haar moeilijke financiële positie. Zij is ten slotte van mening dat verweerder bij de invordering het bedrag van verbeurde dwangsommen op zijn minst had moeten matigen.

7. Ter zitting heeft eiseres in de eerste plaats aangevoerd dat de bevoegdheid tot het invorderen van de dwangsommen inmiddels is verjaard omdat meer dan een jaar sinds de gestelde verbeuring is verstreken en geen stuitingshandelingen zijn verricht. Volgens eiseres is daarom het procesbelang vervallen. Nu de rechtbank het procesbelang ambtshalve dient te beoordelen zal zij op dit betoog, hoewel het pas ter zitting is voorgedragen, ingaan. Verweerder heeft naar aanleiding van dat betoog ter zitting fotokopieën overgelegd van twee op 30 maart 2015 gedateerde aanmaningen en van een op 9 juli 2015 gedateerd deurwaardersexploot van betekening van een dwangbevel betreffende een hoofdsom van

€ 40.000,--. Van de kant van eiseres is gesteld dat deze aanmaningen en betekening bij haar niet bekend zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door overlegging van die stukken aannemelijk heeft gemaakt dat de verjaring is gestuit. De enkele stelling dat noch de aanmaningen noch de betekening bij eiseres bekend zijn acht de rechtbank onvoldoende om het door verweerder geleverde bewijs te ontkrachten. Het betoog dat er geen procesbelang meer is faalt derhalve.

8. Eiseres heeft voorts ter zitting nog als nieuwe beroepsgronden aangevoerd dat de rapportages waaruit verweerder heeft afgeleid dat dwangsommen zijn verbeurd niet aan de daaraan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) gestelde eisen voldoen en dat wegens de onduidelijkheid van de last niet is vast te stellen of deze al dan niet is nagekomen. Nu deze gronden eerst ter zitting zijn aangevoerd, terwijl niet is in te zien waarom dat niet had kunnen gebeuren op een moment dat verweerder zich op een reactie daarop had kunnen voorbereiden, laat de rechtbank deze beroepsgronden wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing.

9. Ter beoordeling van de in het beroepschrift aangevoerde gronden van eiseres die ertoe strekken dat geen sprake is van het niet naleven van een van kracht zijnde last casu quo dat de begunstigingstermijn ten tijde van het door verweerder gestelde verbeuren van dwangsommen nog niet was verstreken, stelt de rechtbank voorop dat het besluit van

17 oktober 2014 inhoudt dat de looptijd van de bij besluit van 8 oktober 2014 opgelegde last wordt opgeschort onder voorwaarden die neerkomen op een gefaseerde uitvoering van de last, en dat die opschorting zal worden beëindigd zodra in een van de fases niet aan de desbetreffende voorwaarde wordt voldaan. Nu ten tijde van het besluit van 17 oktober 2014 de begunstigingstermijn nog niet was verstreken maar daarvan nog zes dagen resteerden, heeft het opschortingsbesluit dan ook mede als rechtsgevolg dat daardoor de begunstigingstermijn is opgeschort.

10. Verweerder heeft in de brief aan eiseres van 3 december 2014 meegedeeld dat op

2 december 2014 is geconstateerd dat zij de eerste van de in het besluit van 17 oktober 2014 opgelegde voorwaarden niet is nagekomen en dat daardoor de opschorting van de last is beëindigd. In de primaire invorderingsbesluiten is eiseres er nog eens op gewezen dat door het niet nakomen van de voorwaarden voor opschorting een einde is gekomen aan die opschorting. Eiseres heeft tegen het in de brief van 3 december 2014 vervatte besluit tot beëindiging van de opschorting geen bezwaar gemaakt. Evenmin heeft de gemachtigde van eiseres in de bezwaarprocedure tegen de primaire invorderingsbesluiten gesteld dat de brief van 3 december 2014 die mede ten grondslag lag aan de invordering, bij eiseres niet bekend was. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de opgelegde last door de beëindiging van de opschorting wederom van kracht geworden en dat daardoor tevens het resterende deel (zes dagen) van de begunstigingstermijn is gaan lopen. Ten tijde van de primaire invorderingsbesluiten was de begunstigingstermijn inmiddels verstreken. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat ten tijde van de primaire invorderingsbesluiten geen last van kracht was dan wel de begunstigingstermijn niet was verstreken, slaagt het betoog derhalve niet. De rechtbank stelt naar aanleiding van dat betoog wel vast dat de constatering van verbeurte van een dwangsom als verwoord in de brief van 3 december 2014 prematuur was, omdat de (hervatte) begunstigingstermijn toen nog niet was verstreken. Ten tijde van de tweede constatering op 16 december 2014 was dit wel het geval. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor de door verweerder aan het primaire besluit van 9 maart 2015 ten grondslag gelegde verbeuring van een dwangsom geen toereikende basis aanwezig is. Het betoog treft derhalve doel voor zover het betrekking heeft op de invordering van de eerste dwangsom bij primair besluit van 9 maart 2015 maar niet wat betreft de invordering van de tweede dwangsom bij primair besluit van 10 maart 2015.

11. Ter beoordeling van de beroepsgrond dat geen sprake is geweest van een deugdelijke belangenafweging en dat verweerder ten onrechte niet heeft afgezien van invordering dan wel het in te vorderen bedrag ten onrechte niet heeft gematigd, overweegt de rechtbank allereerst dat, gelet op vaste rechtspraak van de ABRS, zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 12 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY5884), bij de toetsing van een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering groot gewicht toekomt. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, nu een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties worden geëffectueerd en verbeurde dwangsommen daarom worden ingevorderd. Slechts onder bijzondere omstandigheden moet geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die nopen tot het achterwege laten van de invordering van de in rechte vaststaande last onder dwangsom. Volgens vaste rechtspraak vormen financiële problemen, hoe ernstig die ook zijn, geen reden om op de beginselplicht tot invordering een uitzondering te maken. Zodanige problemen komen ook in dit geval voor het (ondernemers)risico van eiseres. Het betoog slaagt niet.

12. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het primaire invorderingsbesluit van 9 maart 2015 is gehandhaafd. De rechtbank ziet tevens aanleiding om in zoverre zelf in de zaak te voorzien door dat besluit te herroepen. Voor zover het beroep betrekking heeft op het primaire invorderingsbesluit van 10 maart 2015 is het ongegrond.

13. Omdat de rechtbank het beroep (deels) gegrond verklaart en een van de primaire besluiten herroept, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres voor het bezwaar en beroep gemaakte kosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1984,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het invorderingsbesluit van 9 maart 2015 is gehandhaafd;

  • -

    herroept het invorderingsbesluit van 9 maart 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep voor zover dat het invorderingsbesluit van 10 maart 2015 betreft ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in de bezwaar- en beroepsprocedure tot een bedrag van in totaal € 1984,-- (wegens kosten van rechtsbijstand).

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 maart 2016.

w.g. A. Zweipfenning

griffier

w.g. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 09 maart 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.