Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:1975

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
03/866185-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 5 jaren en reclasseringstoezicht en daarnaast een taakstraf van 240 uren wegens langdurig seksueel misbruiken van een minderjarige jongen. De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de beperkte cognitieve vermogens van de verdachte en het gegeven dat het feit twintig jaar geleden is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866185-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 maart 2016

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2016. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Voorts is verschenen de benadeelde partij en tevens spreekgerechtigde, [naam benadeelde partij] . Hij werd bijgestaan door mr. Y. Moskowicz, advocaat, kantoorhoudende te Utrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 1 juni 1995 tot en met 31 augustus 1996 de destijds minderjarige [naam benadeelde partij] meermalen heeft verkracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde bewezen, gelet op de aangifte van [naam benadeelde partij] . In de getuigenverklaringen van de ouders van [naam benadeelde partij] vindt de officier van justitie steun voor de verklaring van [naam benadeelde partij] dat de verdachte meermalen seksueel bij hem is binnengedrongen. De ouders verklaren immers dat zij de verdachte hebben horen zeggen dat [naam benadeelde partij] het zelf wilde, toen [naam benadeelde partij] de verdachte confronteerde met het seksuele misbruik. Voorts acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte [naam benadeelde partij] tot het ondergaan van die seksuele handelingen heeft gedwongen doordat hij psychisch en fysiek overwicht op [naam benadeelde partij] uitoefende, zijnde een andere feitelijkheid zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen niet als steunbewijs kunnen dienen voor het tenlastegelegde, omdat niet duidelijk is waar de verdachte op heeft gedoeld toen hij zei dat ‘hij het ook wilde’. Gelet op zijn beperkte verstandelijke vermogens is het zeer aannemelijk dat de verdachte niet heeft begrepen wat hem werd verweten tijdens de confrontatie met de aangever in het bijzijn van de getuigen. Voor het overige is er geen enkel steunbewijs voorhanden, waardoor de verklaring van de aangever geheel op zichzelf staat. Daarmee is sprake van onvoldoende wettig bewijs. De raadsvrouw heeft voorts beargumenteerd dat de verklaring van de aangever op zichzelf ook niet betrouwbaar is, wegens uitspraken die aantoonbaar onjuist zijn. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake was van psychisch overwicht, gelet op het feit dat de verdachte functioneert op een zwakbegaafd niveau. Van een afhankelijkheidsrelatie is niet gebleken.

Aldus stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken moet worden wegens gebrek aan bewijs.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de tenlastegelegde periode ingekort moet worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Aan verdachte is een zedendelict ten laste gelegd. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook in de onderhavige zaak is dit het geval. Dit brengt met zich dat, bij een ontkennende verdachte, veelal slechts de (getuigen)verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. Hoge Raad 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:BK2094).

Een en ander mag beslist niet verward worden met een oordeel over de geloofwaardigheid van een getuige, hetgeen hiervan volledig los staat; een getuige kan zeer geloofwaardig verklaren, maar dan nog dient, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, ander bewijs voorhanden te zijn.

De aangever, [naam benadeelde partij] , heeft verklaard2 dat er in 1994-1995 een man in de buurt kwam wonen, waar iedereen naartoe ging. Die man heet [naam verdachte] . Aangever wilde er graag bij horen, dus ging ook hij naar [naam verdachte] . [naam verdachte] was bakker en aangever hielp hem in de woning met vlaaien bakken. Ook speelde hij daar computerspelletjes. Het was een soort jeugdhonk. Ze bleven er ook wel eens slapen. Hij ging er iedere dag naartoe, vanwege de spanning en omdat hij het leuk vond om dingen van [naam verdachte] te krijgen. Daarnaast hoefde hij dan niet naar school te gaan, waar hij een buitenbeentje was en zich niet prettig voelde.

[naam benadeelde partij] was een keer alleen met [naam verdachte] . [naam verdachte] begon hem toen te strelen en te aaien. Op enig moment zat hij aan het kruis van [naam benadeelde partij] . [naam benadeelde partij] kreeg daar een erectie van. Toen [naam verdachte] begon met strelen, heeft [naam benadeelde partij] gezegd dat hij dit niet moest doen. Uiteindelijk heeft hij toegegeven. Hij weet niet zeker of het die dag nog verder is gegaan, maar de keren daarna is dit wel gebeurd. [naam verdachte] maakte zijn broek open en nam de penis van [naam benadeelde partij] in zijn hand. In eerste instantie voelde en streelde [naam verdachte] , maar later trok hij [naam benadeelde partij] af totdat deze klaar kwam. Dit was een geheel nieuwe ervaring voor [naam benadeelde partij] .

[naam verdachte] pakte ook de hand van [naam benadeelde partij] en leidde deze naar zijn penis om daaraan te voelen. Ook heeft [naam verdachte] de penis van [naam benadeelde partij] in zijn mond genomen. [naam verdachte] heeft gevraagd of [naam benadeelde partij] de penis van [naam verdachte] in zijn mond wilde nemen. Dat heeft [naam benadeelde partij] toen gedaan. Het pijpen van [naam verdachte] gebeurde niet zo vaak als dat [naam verdachte] hem pijpte.

[naam benadeelde partij] benadrukt dat de seksuele handelingen niet op één dag plaatsvonden, maar dat dit gedurende een periode van een aantal maanden was. De handelingen werden opgebouwd. Ook kreeg hij in die periode veel cadeaus van [naam verdachte] , zoals een C4-zendertje, een radiografische auto en betaalde [naam verdachte] de entree van het zwembad. [naam benadeelde partij] zat in die tijd nog op school en had geen inkomsten, behalve wat zakgeld van zijn ouders.

Op een dag heeft [naam verdachte] geprobeerd om anaal bij [naam benadeelde partij] binnen te dringen. [naam benadeelde partij] weet niet in hoeverre dit gelukt is, omdat het erg veel pijn bij hem deed en [naam verdachte] op verzoek van [naam benadeelde partij] is gestopt.

[naam benadeelde partij] had het gevoel dat [naam verdachte] erg verliefd op hem was. Het misbruik heeft ongeveer een jaar geduurd, in de periode van de zomer van 1995 tot 1996. Het was bijna dagelijkse kost. In die tijd plaste [naam benadeelde partij] ook weer veel in bed.

Het misbruik speelde al drie tot vier maanden, toen [naam benadeelde partij] aangaf dat hij het niet meer wilde. [naam verdachte] begon [naam benadeelde partij] toen te chanteren en op zijn gevoel te spelen, door te zeggen dat als [naam benadeelde partij] iemand iets zou zeggen [naam verdachte] in de gevangenis zou komen vanwege de veroordeling tot een voorwaardelijke straf in een eerdere zedenzaak. Daarna heeft het misbruik nog vijf tot zes maanden voortgeduurd. [naam benadeelde partij] ging steeds minder naar [naam verdachte] , maar bleef [naam verdachte] uit schaamte en schuldgevoel toch bezoeken. Hij was bang dat [naam verdachte] er met iemand over zou praten.

Als [naam benadeelde partij] aangaf dat hij echt niet wilde, dan bleef [naam verdachte] aandringen en gebeurde het uiteindelijk toch. Rond 1996 is hij gestopt met het bezoeken van [naam verdachte] en daardoor stopte ook de seks.

[naam verdachte] heeft in 2004 ten overstaan van de ouders van [naam benadeelde partij] bekend dat hij seks heeft gehad met [naam benadeelde partij] . Dit gesprek heeft plaatsgevonden in de woning van de ouders van [naam benadeelde partij] in Spijkenisse. In dat gesprek heeft [naam verdachte] gezegd dat [naam benadeelde partij] vrijwillig meedeed aan de seks.

Op 31 maart 2014 is [naam benadeelde partij] nader verhoord3. Hij is toen nader in gegaan op de dwang die hij voelde en verklaart hierover dat hij niet assertief was op die leeftijd. hij was meer een buitenbeentje. De sociale druk om erbij te horen was groot. Zo is hij ook bij [naam verdachte] gekomen, omdat iedereen daar kwam. Hij kreeg cadeaus van [naam verdachte] en deed leuke dingen met hem. Toen hij aangaf dat hij geen seks meer wilde, zijn de dreigementen begonnen. [naam verdachte] dreigde dat alles zou uitkomen. [naam benadeelde partij] schaamde zich erg, omdat hij toen het gevoel had dat hij ook aan de seks had toegegeven. Ook dreigde [naam verdachte] dat hij, vanwege de nog lopende proeftijd, naar de gevangenis zou moeten als [naam benadeelde partij] iets zou zeggen. [naam verdachte] zei dat [naam benadeelde partij] net zo goed schuld zou hebben en dat ook hij problemen zou krijgen. Ook bleef [naam verdachte] pushen als [naam benadeelde partij] weigerde. Dat maakte veel indruk op [naam benadeelde partij] , omdat hij juist bang was om problemen te krijgen. Daarom ging hij vaak weer akkoord met seks, om de spanning uit de lucht te halen. [naam benadeelde partij] was gevoelig voor spanning en hier maakte [naam verdachte] gebruik van. Dit heeft [naam benadeelde partij] als emotionele chantage ervaren. Voorts verbleef hij vaak overdag bij [naam verdachte] , terwijl hij eigenlijk op school moest zijn. De angst voor school was groot, omdat [naam benadeelde partij] gepest werd. Als hij seks weigerde en de woning uit moest om de seks te ontlopen, dan kon hij nergens anders naartoe.

Hij zag [naam verdachte] als een volwassen man waartegen hij zich niet kon en durfde verweren. [naam benadeelde partij] was destijds naar eigen zeggen een klein, iel mannetje. Zo voelde hij zich ook. Hij was erg onzeker.

De verdachte ontkent dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hem en [naam benadeelde partij] .

Zoals reeds in het voorgaande is uitgelegd, kan de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet enkel op de verklaring van één enkele getuige worden aangenomen.

In deze zaak oordeelt de rechtbank echter dat voldoende ander bewijs voorhanden is om tot een veroordeling te komen.

Dat ander bewijs ziet de rechtbank aanwezig in de getuigenverklaring van de ouders45 van aangever. In hun bijzijn heeft aangever verdachte geconfronteerd met het door hem gepleegde seksueel misbruik en verdachte heeft toen, in het bijzijn van de ouders van aangever, gezegd dat aangever het ook zelf wilde. Beide ouders hebben deze verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd.

De raadsvrouw heeft betoogd dat, kort gezegd, onvoldoende duidelijk is waarmee verdachte geconfronteerd is, welke bewoordingen daarbij zijn gebruikt en wat verdachte daarover heeft gezegd. Ze heeft daarbij ook gewezen op de beperkte verstandelijke vermogens van verdachte en geopperd dat verdachte niet begrepen heeft wat aangever hem verweten heeft.

De rechtbank gaat aan dat verweer voorbij. Uit de verklaring van aangever volgt dat hij verdachte geconfronteerd heeft met het seksueel misbruik. Weliswaar hebben de ouders geen exacte herinneringen aan de gebezigde bewoordingen aan het gesprek, maar ook uit hun verklaringen volgt dat verdachte werd geconfronteerd door [naam benadeelde partij] dat hij, verdachte, [naam benadeelde partij] misbruikt had en dat verdachte zich verweerde door te stellen dat [naam benadeelde partij] het zelf ook wilde. Daarbij moet het voor verdachte ook duidelijk zijn geweest waar deze confrontatie op zag, nu hij, zoals hij zelf verklaart in zijn verhoor op 1 juli 2014, later tegen zijn vrouw gezegd heeft dat hem werd verweten dat hij [naam benadeelde partij] misbruikt had. Voorts verklaart de verdachte in voornoemd verhoor van 1 juli 2014 over het gesprek dat in de woning van [naam benadeelde partij] ouders in Spijkenisse plaatsvond dat [naam benadeelde partij] hem had gevraagd of hij zich kon herinneren wat er jaren geleden tussen hen was gebeurd. De verdachte heeft gevraagd wat [naam benadeelde partij] bedoelde. [naam benadeelde partij] had daarop gezegd dat verdachte hem seksueel had misbruikt.6

Deze verklaring van verdachte wordt bevestigd door de verklaringen van de echtgenote van de verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris.7 De echtgenote van verdachte heeft namelijk verklaard dat de verdachte haar in de auto op de terugweg na het bezoek in Spijkenisse vertelde dat [naam benadeelde partij] hem had beschuldigd van seksueel misbruik. De verdachte had tegen haar gezegd dat hij niet aan [naam benadeelde partij] was geweest.

Aangezien het voor verdachte dus duidelijk moet zijn geweest waarmee hij tijdens het gesprek in Spijkenisse werd geconfronteerd, kan de opmerking van verdachte dat [naam benadeelde partij] het ook zelf wilde, dus nergens anders op zien dan op het door [naam benadeelde partij] aangegeven seksuele misbruik. Aldus acht de rechtbank bewezen dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en [naam benadeelde partij] , onder meer bestaande uit pijpen van de verdachte door [naam benadeelde partij] .

Artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar degene, die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid een ander dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De strafbaar gestelde dwang kent aldus vele facetten.

[naam benadeelde partij] heeft verklaard dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt om hem te dwingen tot seksuele handelingen en dat de verdachte hem ook niet heeft bedreigd met geweld. De rechtbank ziet zich in deze zaak aldus voor de vraag gesteld of sprake was een andere feitelijkheid of de dreiging met een andere feitelijkheid, waardoor [naam benadeelde partij] gedwongen werd tot de seksuele handelingen.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767) volgt dat van door een andere feitelijkheid dwingen tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft gepleegd dan wel geduld.

De rechtbank acht voldoende aanknopingspunten in de verklaring van [naam benadeelde partij] aanwezig, op basis waarvan zij bewezen acht dat de verdachte opzettelijk dwang heeft veroorzaakt om [naam benadeelde partij] seksuele handelingen te laten ondergaan. Zo volgt uit die verklaring dat de verdachte dreigde dat hij, verdachte, in de gevangenis kon komen vanwege de voorwaardelijke veroordeling opgelegd voor een eerder zedendelict en dat ook [naam benadeelde partij] problemen zou krijgen als de seksuele handelingen uit zouden komen.

Gelet op de leeftijd van [naam benadeelde partij] en de leeftijd van verdachte was er voorts sprake van psychisch en fysiek overwicht. [naam benadeelde partij] was immers een veertienjarige puber, die zich nog fysiek en psychisch moest ontwikkelen. In dit kader heeft [naam benadeelde partij] aangegeven dat hij destijds klein en iel van postuur was en bovendien erg onzeker van karakter. Ook ontving [naam benadeelde partij] cadeaus en ondernam hij op kosten van verdachte dingen waarvoor hij zelf geen geld had. [naam benadeelde partij] heeft voorts verklaard dat hij niet naar school durfde vanwege pesterijen en niet wist waar hij naartoe moest als hij niet bij de verdachte terecht kon. Daarom gaf hij toe in plaats van weg te lopen als de verdachte hem onder druk zette om seksuele handelingen te ondergaan. Gelet op deze feitelijkheden is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte jegens [naam benadeelde partij] voor deze een zodanig psychische druk opleverden dat [naam benadeelde partij] zich niet kon verzetten tegen de seksuele handelingen die werden gepleegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

hij in de periode van 1 juni 1995 tot en met 31 augustus 1996 in de gemeente Maastricht meermalen, telkens door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden [naam benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het telkens seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam benadeelde partij] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam benadeelde partij] gebracht en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met andere feitelijkheden hierin dat verdachte telkens zijn, verdachtes, fysieke en psychische overmacht, mede voortvloeiend uit [naam benadeelde partij] jeugdige leeftijd, heeft aangewend door onder meer tegen die [naam benadeelde partij] te zeggen hij, verdachte, verliefd op hem was en als het dreigde uit te komen dat die [naam benadeelde partij] dan in de problemen zou komen en hij, verdachte, dan in de gevangenis zou komen en die [naam benadeelde partij] regelmatig cadeaus gaf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het feit op:

verkrachting, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog drs. S. Labrijn heeft over de geestvermogens van de verdachte laatstelijk op 19 mei 2015 een rapport uitgebracht. Zij concludeert dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Het cognitieve functioneren van verdachte is disharmonisch en varieert van een zwakzinnig tot zwakbegaafd niveau. Voortvloeiend uit deze problematiek heeft de verdachte weinig sociaal inzicht en een beperkt empathisch vermogen. Hij overziet de gevolgen van zijn handelen in verminderde mate. Zelf maakt hij een weinig belastbare indruk. Er zijn geen aanwijzingen voor psychiatrische problematiek. Omdat de verdachte het tenlastegelegde ontkent, is er geen zicht verkregen op de eventuele doorwerking van de gebrekkige ontwikkeling op het tenlastegelegde.

De rechtbank komt op basis van de in dit rapport vervatte bevindingen tot de conclusie dat bij de verdachte geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat de verdachte zwakbegaafd is en functioneert op het niveau van een persoon tussen de zeven en twaalf jaar oud. De levenskwaliteit van de verdachte en zijn echtgenote is beperkt, omdat zij steeds meer geïsoleerd leven door deze en voormalige beschuldigingen. Het betreft voorts een zeer oud feit, dat meer dan twintig jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich ongeveer een jaar lang vergrepen aan een minderjarige jongen en hem meermalen verkracht. Deze jongen, [naam benadeelde partij] , kwam, net als vele andere buurtkinderen, bij de verdachte thuis om te helpen met vlaaien bakken en om computerspelletjes te spelen. De verdachte was destijds 30 jaar oud, het slachtoffer was in het begin veertien jaar oud.

Op enig moment heeft de verdachte het initiatief genomen om het seksuele handelingen te verrichten bij [naam benadeelde partij] . Deze handelingen werden volgens [naam benadeelde partij] langzaam opgebouwd. Wat begon met het strelen en aaien van de penis van [naam benadeelde partij] , liep uit op het bijna dagelijks pijpen van [naam benadeelde partij] . De verdachte liet zich ook door [naam benadeelde partij] pijpen.

Dit alles liet [naam benadeelde partij] in eerste instantie toe omdat hij het spannend vond. Hij was een veertienjarige puber en seksueel contact was geheel nieuw voor hem, net als het krijgen van een orgasme.

Dit maakt het feit overigens ook bijzonder ernstig. De verdachte heeft namelijk de seksuele ontwikkeling van een puber verstoord om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. Daarbij heeft hij opzettelijk gebruik gemaakt van het psychische en fysieke overwicht dat hij had, voortvloeiend uit het forse leeftijdsverschil. Ook gaf hij cadeaus aan [naam benadeelde partij] , waarmee hij een situatie schiep waarin [naam benadeelde partij] zich fijn voelde bij de verdachte. Op momenten dat [naam benadeelde partij] seksueel contact weigerde, dreigde de verdachte dat ook [naam benadeelde partij] problemen zou krijgen en dat hij, verdachte, in de gevangenis zou komen. Deze dreigementen hebben hun effect duidelijk niet gemist. [naam benadeelde partij] werd aldus min of meer door verdachte gedwongen om de seksuele handelingen te ondergaan en te verrichten.

Een zeer kwalijke zaak.

De effecten van de seksuele handelingen op [naam benadeelde partij] liegen er evenmin om. [naam benadeelde partij] heeft ter terechtzitting geëmotioneerd verklaard over de ingrijpende gevolgen van het misbruik en de effecten die hij op latere leeftijd nog steeds ervaart. Er is sprake van psychische problematiek en de verstoring van zijn ontwikkeling heeft doorgewerkt in meerdere aspecten van zijn leven. Het beïnvloedt zijn relaties en het heeft zijn opleiding beïnvloed.

De ernst van het handelen van de verdachte is hiermee op indringende wijze inzichtelijk gemaakt.

De rechtbank maakt zich zorgen om het feit dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Doordat hij ontkent, is voor de rechtbank ook niet helder of de verdachte de verwerpelijkheid van zijn handelen volledig doorziet. Een en ander hangt mogelijk samen met de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, waardoor hij functioneert op zwakbegaafd niveau en weinig empathisch vermogen kent.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor soortgelijke delicten wordt doorgaans een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opgelegd. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de persoon van de verdachte en heeft grote twijfels bij zijn detentiegeschiktheid. Daarbij speelt onder meer zijn beperkte cognitieve vermogen een rol. Voorts neemt zij in acht dat er geen sprake is geweest van fysiek geweld richting het slachtoffer. Daarnaast neemt de rechtbank de ouderdom van het feit in ogenschouw.

Deze omstandigheden werken naar het oordeel van de rechtbank strafverminderend en hebben ook invloed op de strafmodaliteit.

De rechtbank wil door oplegging van een straf enerzijds genoegdoening voor het slachtoffer creëren, maar anderzijds ook ervoor zorgen dat de maatschappij beschermd wordt tegen mogelijke nieuwe impulsen van de verdachte.

Door de proceshouding van de verdachte was er helaas geen advies door de psycholoog mogelijk over eventuele behandelmogelijkheden. Bij gebrek aan een reclasseringsrapport is de rechtbank voorts onvoldoende voorgelicht over passende bijzondere voorwaarden.

Toch acht de rechtbank begeleiding door de reclassering geïndiceerd, gekoppeld aan een forse voorwaardelijke straf die als spreekwoordelijke stok achter de deur moet fungeren.

In afwijking van de eis van de officier van justitie, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met een proeftijd van vijf jaren, passend en geboden. Gedurende deze proeftijd dient de verdachte zich te houden aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, zolang de reclasseringsinstelling dit nodig vindt. De rechtbank geeft de reclassering hierbij in overweging dat, indien tijdens de begeleiding blijkt dat aanpassing of aanvulling van deze voorwaarde geïndiceerd is, dit door de officier van justitie aan de rechtbank kan worden voorgelegd.

Door deze straf meent de rechtbank de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds aan voornoemd preventief doel tegemoet te komen, daarbij rekening houdend met de persoon van verdachte. Ten tijde van het plegen van de delicten was de Wet beperking taakstraffen nog niet in werking getreden, waardoor de rechtbank niet gehouden is om een deel van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank zal naast deze voorwaardelijke straf aan de verdachte een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren opleggen, ter verdere onderstreping van de ernst van de feiten. Op deze taakstraf dient het ondergane voorarrest in mindering gebracht te worden, naar rato van twee uren per dag in voorlopige hechtenis doorgebracht.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 25.000,00 ter zake van het tenlastegelegde. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade. Daarnaast vordert [naam benadeelde partij] de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van [naam benadeelde partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een vordering als de onderhavige een psychiatrisch ziektebeeld niet vastgesteld hoeft te worden. Het gevorderde bedrag doet recht aan de impact die het seksueel misbruik heeft gehad op het leven van [naam benadeelde partij] . De impact is in meerdere facetten van zijn leven zichtbaar en de gevolgen zullen ook in de toekomst nog nagalmen. Deze grootse impact, in samenhang bezien met het veranderende klimaat in de Nederlandse rechtspraak waar het genoegdoening voor slachtoffers betreft, geeft volgens de raadsman van [naam benadeelde partij] aanleiding om een hoger bedrag toe te kennen dan thans gebruikelijk is in soortgelijke zaken.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op standpunt gesteld dat de vordering van [naam benadeelde partij] genoegzaam onderbouwd is en, na matiging, voor toewijzing gereed ligt. Zij acht aannemelijk dat [naam benadeelde partij] als gevolg van de verkrachtingen psychische schade heeft geleden. Niet duidelijk is echter in hoeverre andere traumatische ervaringen hebben bijgedragen aan de mate van psychische schade, zoals deze thans uit de onderbouwing blijkt. Zij acht daarom, gelet op de Nederlandse maatstaven, een vergoeding van € 5.000,00 redelijk en billijk. [naam benadeelde partij] dient in het meerdere van zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, zodat hij dit deel desgewenst aan de civiele rechter kan voorleggen. Tevens stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte veroordeeld dient te worden tot betaling van de wettelijke rente en dient de schadevergoedingsmaatregel aan hem opgelegd te worden.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat het causale verband tussen de ernstige psychische problematiek van [naam benadeelde partij] en de aan verdachte verweten onrechtmatige gedragingen niet vastgesteld kan worden, doordat uit de onderbouwing blijkt dat [naam benadeelde partij] ook andere traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt in zijn jeugd. Het causale verband met de aan de verdachte verweten gedragingen is dan ook onvoldoende onderbouwd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag exorbitant hoog is, gelet op de Nederlandse maatstaven. Het bedrag dient gematigd te worden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit tot een straf veroordeeld zal worden, kan [naam benadeelde partij] in beginsel worden ontvangen in zijn vordering.

De rechtbank stelt voorop dat de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade ex artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek slechts in beperkte gevallen toewijsbaar is.

De Nederlandse wet kent immers een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van een dergelijke vergoeding. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

  1. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

  2. ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

  3. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die [naam benadeelde partij] stelt te hebben geleden, valt onder categorie b. Uit het eerste lid onder b van voormeld artikel volgt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding, indien de benadeelde (onder meer) in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met het door de verdachte meermalen gepleegde zedendelict telkens een ernstige inbreuk is gemaakt op de integriteit en de persoonlijke levenssfeer van [naam benadeelde partij] , waardoor [naam benadeelde partij] in zijn persoon is aangetast. De verdachte heeft immers seksuele handelingen met [naam benadeelde partij] verricht, terwijl er sprake was van psychisch en fysiek overwicht op die [naam benadeelde partij] . Deze handelingen bestonden onder andere uit het zich laten pijpen door [naam benadeelde partij] .

Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen en dat dit letsel moet bestaan uit een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft echter ook bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.8 Hierbij valt met name te denken aan zedenzaken, waarin het strafbare feit een dusdanig ernstige inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en reeds daarom smartengeld toegewezen kan worden. Het vaststellen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is dan voor de vergoeding van smartengeld niet nodig.9

Toegespitst op de casuïstiek van de onderhavige zaak betekent dit het volgende.

Uit de onderbouwing van de vordering van [naam benadeelde partij] volgt dat er sprake is van ernstige psychische problematiek. Gelet op het voorgaande is echter voor de beoordeling of aan [naam benadeelde partij] vergoeding van immateriële schade (smartengeld) mogelijk is, niet relevant of er sprake is van psychische beschadiging. Daarmee is voor de beantwoording van deze vraag ook niet relevant in welke mate de gestelde psychische problematiek aan de verdachte is te wijten. Het vaststellen van een psychische beschadiging is immers niet nodig, nu naar algemene ervaringsregels reeds valt aan te nemen dat zedendelicten tot een bijzonder ernstige aantasting van de persoon leiden. Aldus concludeert de rechtbank dat toekenning van smartengeld aan [naam benadeelde partij] onder de gegeven omstandigheden mogelijk is.

Aan de rechter komt een grote discretionaire bevoegdheid toe wanneer het gaat om de begroting van de (immateriële) schade. De rechtbank slaat hierbij acht op de ernst van de gevolgen en de duur hiervan, zoals door [naam benadeelde partij] zelf onder woorden is gebracht tijdens de terechtzitting en zoals is gebleken uit de door hem overgelegde stukken. De rechtbank heeft voor de bepaling van de hoogte van de schade aansluiting gezocht bij de bedragen die door het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan slachtoffers van vergelijkbare delicten worden uitgekeerd. Op basis hiervan acht zij een bedrag van € 5.000,00 naar de eisen van redelijkheid en billijkheid in ieder geval toewijsbaar.

Ten aanzien van het meerdere van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de begroting van de immateriële schade, speelt de causaliteit tussen de ernst van de problematiek en de onrechtmatige gedragingen van de verdachte wél een rol.

De rechtbank moet constateren dat uit de overgelegde stukken ook volgt dat [naam benadeelde partij] andere traumatiserende gebeurtenissen in zijn jeugd heeft meegemaakt die mogelijk van invloed zijn geweest op zijn huidige psychische gesteldheid. Door [naam benadeelde partij] is echter niet geconcretiseerd welke schade is veroorzaakt door die andere traumatische gebeurtenissen en welke schade door de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt.

Hierdoor moet de rechtbank rekening houden met de mogelijkheid dat niet alle gestelde immateriële schade door de verdachte is veroorzaakt en voor zijn rekening behoort te komen.

[naam benadeelde partij] in de gelegenheid stellen om een en ander nader te onderbouwen vormt naar het oordeel van de rechtbank evenwel een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal daarom [naam benadeelde partij] in het meerdere van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat hij dit deel van de vordering slechts bij de civiele rechter kan aanbrengen.

Aldus zal de rechtbank een bedrag van € 5.000,00 aan [naam benadeelde partij] toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 1996 tot aan de dag van algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

In het meerdere van de vordering verklaart de rechtbank [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt voorts als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, zolang de reclasseringsinstelling dit nodig vindt.

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] , wonende te Velp, gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 31 augustus 1996 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is en dat hij dit gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij] , van € 5.000,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 31 augustus 1996 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. W.F.J. Aalderink en

mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 1995 tot en met 31 augustus 1996 in de gemeente Maastricht meermalen, althans eenmaal (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het (telkens) seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam benadeelde partij] , hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam benadeelde partij] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) zijn verdachtes fysieke en/of psychische overmacht, (mede) voortvloeiend uit [naam benadeelde partij] jeugdige leeftijd, heeft aangewend door onder meer tegen die [naam benadeelde partij] te zeggen hij, verdachte, verliefd op hem was en/of als het dreigde uit te komen dat die [naam benadeelde partij] dan in de problemen zou komen en/of hij verdachte dan in de gevangenis zou komen en/of die [naam benadeelde partij] regelmatig cadeau's gaf, in elk geval die [naam benadeelde partij] (telkens) in een situatie gebracht waarin die [naam benadeelde partij] (telkens) geen weestand kon bieden en/of een (telkens) zodanige situatie heeft doen ontstaan dat die [naam benadeelde partij] (telkens) dat binnendringen niet kon of wist te verhinderen en/of te voorkomen;

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866185-14

Proces-verbaal van de openbare zitting van 8 maart 2016 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Raadsvrouw is mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Divisie Regionale Recherche, Afdeling Expertise Centrum Zeden, proces-verbaalnummer 2013112463, gesloten d.d. 2 april 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 110.

2 Proces-verbaal van aangifte door [naam benadeelde partij] d.d. 4 november 2013, pagina 47 tot en met 50.

3 Proces-verbaal van verhoor van aangever [naam benadeelde partij] d.d. 31 maart 2014, pagina 80 tot en met 82.

4 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 1] d.d. 25 juni 2014. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

5 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 2] d.d. 14 december 2013, pagina 89.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 1 juli 2014. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

7 Proces-verbaal verhoor van de getuige [naam getuige 3] , d.d. 1 april 2014, pagina 103. Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 3] door de rechter-commissaris, d.d. 10 juli 2015. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

8 ECLI:NL:HR:2012:BW1519.

9 ECLI:NL:HR:2004:AO7721.