Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:1680

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
03/866069-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor het slachtoffer zodanig letsel heeft opgelopen dat daardoor verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. Ook wordt hem de rijbevoegdheid ontzegd voor de duur van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866069-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 februari 2016,

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens verdachte].

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 februari 2016. De verdachte en zijn raadsman, mr. S. Arts, advocaat te Breda, zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

(primair) door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel (subsidiair) dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer. Verdachte heeft onder invloed van alcohol en met een te hoge snelheid gereden, waardoor hij in aanrijding is gekomen met [slachtoffer] ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Wel heeft hij zodanig letsel opgelopen dat daardoor verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 15 februari 2014, omstreeks 09.00 uur vond er een ongeval plaats op De La Margellelaan te Eijsden. Bij dit ongeval waren twee personenauto’s betrokken, te weten: een door verdachte bestuurde Citroen Saxo en een Nissan Micra die door [slachtoffer] werd bestuurd. Ten gevolge van het ongeval is [slachtoffer] gewond geraakt.2

Verdachte heeft verklaard dat hij, komende uit de richting van België, over De La Margellelaan reed in de richting van Eijsden. Bij een flauwe bocht naar rechts, zag verdachte dat een personenauto hem tegemoet kwam gereden. Hij heeft geremd, maar hoorde vervolgens een harde knal.3 Verdachte heeft verder verklaard dat hij de weg daar kende. Hij wist dat hij bij het naderen van deze bocht snelheid moest minderen.4 Uit onderzoek door de politie blijkt dat deze bocht op een afstand van ongeveer 265 meter voorbij de T-kruising van de Schansweg met De La Margellelaan is gelegen. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat verdachte bij het naderen van deze bocht met een snelheid reed van tussen de 79 en 92 kilometer per uur, een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Om een aanrijding met de auto van [slachtoffer] te voorkomen, heeft verdachte bij het naderen van deze bocht krachtig geremd. Hierdoor kwam de auto van verdachte op de linker weghelft van De La Margellelaan terecht, waar [slachtoffer] reed die uit de richting van Eijsden kwam en richting België ging. De auto van verdachte is vervolgens frontaal tegen de auto van [slachtoffer] aangereden.5

In het ziekenhuis werd geconstateerd dat [slachtoffer] als gevolg van het ongeval drukpijn bij het uiteinde van zijn borstbeen had.6 Hij heeft na het ongeval een aantal maanden zijn moestuin niet kunnen onderhouden.7

Verdachte heeft een paar uur na het ongeval meegewerkt aan een onderzoek voor ademanalyse. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat het alcoholpercentage bij verdachte 460 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg.8 Verdachte heeft bekend dat hij voorafgaand aan het ongeval drie pilsjes heeft gedronken. Ook heeft hij samen met anderen een joint gerookt.9 Verdachte was vanaf 4 april 2013 in het bezit van zijn rijbewijs en hij was daarom een zogenaamde beginnend bestuurder.10

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er op 15 februari 2014 een ongeval plaatsvond op De La Margellelaan te Eijsden. Bij dit ongeval is de door verdachte bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met de door [slachtoffer] bestuurde personenauto. Hoewel verdachte bekend was met de situatie ter plekke en wist dat hij zijn snelheid moest verminderen bij het naderen van de flauwe bocht naar rechts, heeft hij dat niet, althans niet tijdig gedaan.

Verdachte, een beginnend bestuurder, is met een te hoge snelheid een bocht genaderd, waarbij hij zijn snelheid niet heeft geminderd en té laat heeft geremd of door de té hoge snelheid niet meer afdoende kon remmen. Hij reed in zijn auto terwijl hij onder invloed was van alcohol en softdrugs. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag vertoond. De rechtbank is daarom van oordeel dat door verdachtes schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] overweegt de rechtbank nog als volgt. Hoewel in het proces-verbaal aanrijding misdrijf staat vermeld dat bij [slachtoffer] een gebroken borstbeen is geconstateerd, blijkt dat niet uit de geneeskundige verklaring die zich in het dossier bevindt. Daarin staat namelijk slechts vermeld dat [slachtoffer] drukpijn heeft bij het uiteinde van zijn borstbeen. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval een gebroken borstbeen, laat staan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Wel heeft [slachtoffer] door het verkeersongeval zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daardoor verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan. Hij heeft zijn moestuin namelijk enkele maanden niet kunnen onderhouden, kennelijk zo begrijpt de rechtbank, een voor hem normale bezigheid.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

Met betrekking tot primair:

op 15 februari 2014 te Eijsden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de De La Margellelaan zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten aan

[slachtoffer], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de De La Margellelaan, komende uit de richting van België en gaande in de richting van Eijsden,

  • -

    terwijl verdachte beginnend bestuurder was en

  • -

    terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte heeft, gekomen nabij een - gezien verdachtes rijrichting - bocht naar rechts, op een afstand van ongeveer 265 meter voorbij de T-splitsing van de Schansweg met de De La Margellelaan, gereden met snelheid tussen de 79 kilometer per uur en 92 kilometer per uur, een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur,

verdachte heeft op een te korte afstand tot voornoemde bocht krachtig geremd en is vervolgens op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer terecht gekomen,

verdachte is hierdoor tegen een personenauto, bestuurd door voornoemde [slachtoffer], die eveneens de De La Margellelaan bereed, komende uit de richting van Eijsden en gaande in de richting van België, aangereden, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daardoor tijdelijk verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 460 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, bleek te zijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Met betrekking tot primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a van deze wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast moet verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen worden ontzegd voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomst artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 15 februari 2014, onder invloed van alcohol met zijn auto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij had op dat moment nog geen jaar zijn rijbewijs. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft door de aanrijding letsel opgelopen waardoor hij enkele maanden verhinderd was zijn normale bezigheden uit te voeren. Hij kon zijn moestuin enkele maanden niet onderhouden. Uit de toelichting die [slachtoffer] heeft gegeven op zijn schadevergoedingsvordering blijkt bovendien dat hij in die periode geen mantelzorg kon verlenen aan zijn echtgenoot. Hoewel verdachte na de aanrijding met [slachtoffer] een ambulance heeft gebeld, heeft hij - ondanks dat hij [slachtoffer] zo nu en dan tegenkwam in de buurt - daarna op geen enkel moment aan hem gevraagd hoe het met hem ging.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De categorie die de rechtbank in deze zaak het meest vindt passen, is de categorie “grove verkeersfout waarbij sprake is van alcoholgebruik en waarbij het alcoholgehalte van verdachtes adem meer dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (ug/l) is, lichamelijk letsel ten gevolge hebbende”. Hoewel het alcoholgehalte van verdachtes adem in deze zaak 460 was en dus geen 570 ug/l, zoekt de rechtbank toch aansluiting bij deze categorie. Verdachte was namelijk een zogenaamde beginnend bestuurder. Dit betekent dat het alcoholgehalte van zijn adem maximaal 88 in plaats van (zoals bij een “reguliere” bestuurder) 220 ug/l mocht zijn. In de oriëntatiepunten is geen rekening gehouden met beginnende bestuurders, maar in de omstandigheid dat verdachtes alcoholgehalte meer dan 5x zo hoog was als toegestaan, vindt de rechtbank aanleiding te kiezen voor de categorie van meer dan 570 ug/l . Bij deze categorie hoort een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

De officier van justitie heeft zijn strafeis ook gebaseerd op de oriëntatiepunten van het LOVS, maar is daarbij uitgegaan van een aanmerkelijke verkeersfout. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte een zwaarder verwijt treft en dat hij een grove verkeersfout heeft begaan, zal zij een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen voor een soortgelijk feit. Uit het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgemaakt, blijkt daarnaast dat hij na het veroorzaken van het verkeersongeval, inmiddels meer dan 2 jaar geleden, zijn leven een positieve draai heeft gegeven. Verdachte is behandeld voor zijn softdrugsverslaving en depressie en hij gebruikt geen drugs meer. Hij is bezig met een opleiding en heeft een (bij)baantje. De reclassering schat het gevaar dat verdachte opnieuw een soortgelijk feit zal plegen laag in.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat tussen het moment waarop verdachte mocht verwachten dat hij vervolgd zou worden voor dit strafbare feit, te weten: op 15 februari 2014 en het vonnis van heden, 29 februari 2016, een termijn is verstreken van twee jaar. De rechtbank zal bij de op te leggen straf rekening houden met dat tijdsverloop. Het is namelijk niet aan verdachte te wijten dat de zaak niet eerder inhoudelijk is behandeld. Dit betekent dat de rechtbank in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die volgens de oriëntatiepunten op zich aan de orde zou zijn, een taakstraf zal opleggen.

De rechtbank acht het, alles afwegende, passend en geboden dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. Bovendien zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Zoals hiervoor vermeld, geldt als oriëntatiepunt een ontzegging voor de duur van 2 jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.191,-. Dit betreft € 941,- materiële schade en kosten rechtsbijstand en € 1.250,- immateriële schade.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is als volgt opgebouwd:

  1. Ambulancekosten € 181,82

  2. Onderhoud moestuin € 300,-

  3. Reiskosten 60 km € 17,40

  4. 2 nachten ziekenhuis € 56,-

  5. Totaalhulp derden € 100,-

  6. Smartengeld € 1.250,-

  7. Kosten rechtsbijstand € 285,78

Totaal € 2.191,-

Het bedrag dat aan materiële schade is gevorderd ter zake reiskosten (post 3) en het verblijf in het ziekenhuis (post 4) is namens verdachte niet betwist. De rechtbank zal de vordering om die schade te vergoeden dan ook toewijzen. De rechtbank acht de gevorderde schade met betrekking tot de posten 1), 2) en 5) het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde en acht verdachte ook aansprakelijk voor deze schade. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank op deze onderdelen voldoende onderbouwd. Zij zal de vordering om die schade te vergoeden dan ook toewijzen.


De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde immateriële schade (smartengeld) dat het recht daarop slechts bestaat voor zover de wet hierop een aanspraak geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) somt limitatief op in welke gevallen vergoeding van immateriële schade mogelijk is.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden als gevolg van het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval. De rechtbank stelt het bedrag van die tot op heden geleden schade naar redelijkheid en billijkheid vast op € 600,00. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de overige gevorderde immateriële schade.

In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van (€ 655,22 + € 600,00 =) € 1.255,22 aan schadevergoeding toe.

Nu is komen vast te staan dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan en hij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voorts acht de rechtbank toewijsbaar de gevorderde kosten rechtsbijstand.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar.

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

2 jaren;

- beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge

artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, bij de uitvoering van deze maatregel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 1.255,22, zijnde € 655,22 materiële schade en € 600,00 immateriële schade;

  • -

    verklaart voornoemde benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd van een bedrag van € 1.255,22, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.255,22 ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmee de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op € 285,78.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 februari 2016.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 februari 2014 te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee

rijdende over de De La Margellelaan zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten aan

[slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken borstbeen, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van

de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de De La Margellelaan, komende uit de richting van België en gaande in de richting van Eijsden,

  • -

    terwijl verdachte beginnend bestuurder was en/of

  • -

    terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte heeft, gekomen nabij een - gezien verdachtes (rij)richting - bocht naar rechts (op een afstand van ongeveer 265 meter voorbij de T-splitsing van de Schansweg met de De La Margellelaan), gereden met snelheid tussen de (ongeveer) 79 kilometer per uur en (ongeveer) 92 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur,

verdachte heeft (vervolgens) op een (te) korte afstand tot voornoemde bocht (krachtig) geremd en is vervolgens op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer terecht gekomen,

verdachte is hierdoor tegen personenauto, bestuurd door voornoemde [slachtoffer], die eveneens de De La Margellelaan bereed, komende uit de richting van Eijsden en gaande in de richting van België, aangereden en/of aangebotst en/of geschoven, waardoor voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

terwijl bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem 460 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, te zijn.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

1).

hij op of omstreeks 15 februari 2014 te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de De La Margellelaan zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de De La Margellelaan, komende uit de richting van België en gaande in de richting van Eijsden,

  • -

    terwijl verdachte beginnend bestuurder was en/of

  • -

    terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte heeft, gekomen nabij een - gezien verdachtes (rij)richting - bocht naar rechts (op een afstand van ongeveer 265 meter voorbij de T-splitsing van de Schansweg met de De La Margellelaan), gereden met snelheid tussen de (ongeveer) 79 kilometer per uur en (ongeveer) 92 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur,

verdachte heeft (vervolgens) op een (te) korte afstand tot voornoemde bocht (krachtig) geremd en is vervolgens op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer terecht gekomen,

verdachte is hierdoor tegen personenauto, bestuurd door [slachtoffer], die eveneens de De La Margellelaan bereed, komende uit de richting van Eijsden en gaande in de richting van België, aangereden en/of aangebotst en/of geschoven.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

en/of

2).

hij op of omstreeks 15 februari 2014 te Eijsden, in elk geval in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs

was vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 460 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2400-2014017934, gesloten d.d. 20 september 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 97.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 20 augustus 2014, als weergegeven op de pagina’s 5 tot en met 8.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 februari 2014, als weergegeven op pagina 11.

4 Verklaring van verdachte, als afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2016.

5 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 5 mei 2014, als weergegeven op de pagina’s 43, 44, 53, 55 en 56

6 Een schriftelijk bescheid, te weten: een geneeskundige verklaring d.d. 5 september 2014.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2016.

8 Proces-verbaal misdrijf d.d. 15 februari 2014, als weergegeven op pagina 26.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 februari 2014, als weergegeven op pagina 11.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten: een integrale bevraging van de RDW, als weergegeven op pagina 27 en proces-verbaal aanrijding misdrijf, als weergegeven op pagina 6.