Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:1674

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
03/700408-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van gijzeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700408-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 februari 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte samen met een ander of anderen [slachtoffer] heeft gegijzeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen in het dossier bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode samen met anderen, [slachtoffer] heeft gegijzeld met het oogmerk een ander of anderen te dwingen iets te doen, te weten: het betalen van een hoeveelheid geld aan de verdachte en zijn mededaders.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte weliswaar betrokken was bij de tenlastegelegde gijzeling van aangever [slachtoffer] , maar dat zijn rol niet zodanig is geweest (in tijd en in handelingen) dat kan worden gesproken van medeplegen. De raadsman heeft, ter onderbouwing van zijn standpunt dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, verwezen naar een vonnis van de rechtbank Limburg.1

3.3

Het oordeel van de rechtbank 2

[slachtoffer] (hierna: aangever) heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2015, omstreeks 11.00 uur, zijn woning in Geleen binnen wilde gaan. Hij hoorde vervolgens iemand fluiten en zag dat een stukje verderop drie mannen stonden. Een van hen betrof een Albanese man uit Duitsland, aan wie aangever € 4.640,- verschuldigd was vanwege een drugsdeal die niet conform afspraak was verlopen (door aangever wordt deze Albanese man ook wel “man 1” genoemd).3

Aangever beschrijft in zijn verklaring vervolgens de andere twee mannen, door aangever ook wel “man 2” en “man 3” genoemd. Ter terechtzitting van 12 februari 2016 heeft aangever als getuige verklaard dat man 2 verdachte betreft en dat man 3 medeverdachte [medeverdachte] betreft.

Toen aangever de drie mannen zag staan, is hij direct naar hen toegelopen. Man 1 zei tegen aangever dat zij even met hem naar de McDonalds in Geleen wilden gaan om te praten over de terugbetaling van het geld. Aangever is daarop met de drie mannen meegelopen en bij hen in de auto gestapt. Man 2 (hierna te noemen: de verdachte) bestuurde de auto en reed richting de McDonalds. De verdachte stopte daar echter niet, maar reed verder in de richting van Duitsland.4 In Stolberg (Duitsland) stopte de verdachte voor een flatgebouw.5 Aangever moest uitstappen en werd door de drie mannen vervolgens meegenomen naar de binnenplaats van het flatgebouw, welke binnenplaats was omringd door meerdere woningen. Man 1 klopte op de deur van een van de woningen op de begane grond. De deur werd geopend door een man (hierna: man 4), waarop aangever en de drie mannen de woning binnen gingen. Toen zij binnen waren zei verdachte tegen aangever dat het geld om 18.00 uur betaald moest zijn. Als het geld dan nog steeds niet betaald was, dan zou hij - aangever - iets meemaken wat hij niet wilde meemaken, aldus verdachte. Man 1 zei vervolgens tegen aangever dat hij in de woning moest blijven tot het geld betaald was. Ook moest aangever de simkaart en batterij uit zijn telefoon halen. Hierna verlieten man 1, verdachte en man 3 (hierna: medeverdachte [medeverdachte] ) de woning.6 Toen zij even later terug kwamen moest aangever zijn autosleutels afgeven. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hadden hierna de woning verlaten.7 Man 1 en man 4 bleven bij aangever in de woning. Omstreeks 18.00/19.00 uur waren de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] weer terug in de woning. Zij vertelden dat zij de auto hadden opgehaald en deze ergens in Nederland hadden gezet.8 Aangever heeft verklaard dat naar mate de avond vorderde de sfeer steeds grimmiger en dreigender werd. Zo zeiden de drie mannen bijvoorbeeld tegen hem: “zorg dat alles goed komt, anders kom je er niet zo goed af als vandaag.”9 Op een gegeven moment zei man 1 dat aangever maar eens met iemand moest gaan bellen om het geld te regelen. Hij nam aangever vervolgens mee naar een telefooncel die was gelegen in het centrum van Stolberg. Daar had aangever met zijn partner ( [naam partner] ) gebeld. Aangever had haar verteld dat er geld geregeld moest worden en dat hij pas weg mocht als het geld geregeld was. Hierna was aangever weer samen met man 1 terug gegaan naar de woning. Die avond had aangever nog een aantal keren met [naam partner] gebeld, met een telefoon die hij van man 1 had gekregen. Man 1, verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hadden ’s avonds de woning verlaten. Voordat zij vertrokken zei een van hen tegen man 4: “Als hij iets doet, dan steek je hem”. Aangever heeft verklaard dat hij uit angst voor man 4 de rest van de nacht niet heeft geslapen. Hij kon de woning niet verlaten, omdat de deur op slot was. De volgende ochtend, omstreeks 07.30 uur was man 1 weer in de woning. Hij vroeg aangever waarom zijn vrouw [naam partner] nog niet had gebeld. Aangever had daarop zelf telefonisch contact opgenomen met [naam partner] . [naam partner] vertelde tijdens dit gesprek dat zij omstreeks 08.30 uur te horen zou krijgen of het geld er was. Aangever had vervolgens twee uur niets meer van haar gehoord. De verdachte was inmiddels ook weer in de woning aanwezig. Hij en man 1 werden steeds agressiever. Zij vroegen meermalen wanneer zijn vrouw met het geld over de brug zou komen en zeiden tegen aangever: “Wil je vrouw dat we je dood maken?”.10 Tijdens onderlinge gesprekken viel regelmatig het woord “Morta”11 en ook werd tegen aangever gezegd dat ze hem dood zouden schieten. Aangever dacht op die momenten dat ze hem echt van het leven wilden beroven.12 Die middag had aangever [naam partner] gebeld en haar medegedeeld dat zij binnen 10 minuten moest laten weten hoe het zat met het geld. Even later belde [naam partner] terug met de mededeling dat het geld geregeld was. De aangever kreeg een man aan de lijn die tegen hem zei dat de overdracht van het geld zou plaatsvinden bij het Esso tankstation, vlak bij de grens. Aangever was vervolgens samen

met verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in een BMW gestapt en met hen naar het Esso tankstation gereden. Toen zij bij het Esso tankstation arriveerden werden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden door de politie.13

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 14 augustus 2015 werd opgebeld door

[betrokkene 1] (de broer van verdachte). [betrokkene 1] vroeg hem of hij mee wilde gaan naar Nederland, omdat iemand hem geld schuldig was. Nog diezelfde dag was [medeverdachte] samen met [betrokkene 1] naar een woning in Geleen gereden. [betrokkene 1] had bij deze woning aangebeld, maar er deed niemand open. [betrokkene 1] riep vervolgens meermalen de naam “ [slachtoffer] ”. Hierop kwam echter geen enkele reactie. [betrokkene 1] en [medeverdachte] hadden vervolgens nog even met de buurman van [slachtoffer] gepraat

en waren daarna weer terug gereden naar Duitsland. Op de terugweg vertelde [betrokkene 1] tegen [medeverdachte] dat [slachtoffer] hem had besodemieterd en dat het om drugs ging. [slachtoffer] zou hem nog

€ 3.000,- à € 4.000,- moeten terugbetalen.14 Deze verklaring van medeverdachte [medeverdachte] wordt bevestigd door de verklaring van getuige [getuige] .15

Op 17 augustus 2015 werd [medeverdachte] wederom gebeld door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] vroeg hem samen met hem en zijn broer [verdachte] (verdachte) naar de woning van [slachtoffer] te gaan. Enkele minuten later stonden [betrokkene 1] en de verdachte bij [medeverdachte] voor de deur. [medeverdachte] was bij hen in de auto gestapt en vervolgens waren zij samen naar Geleen gereden. Toen zij bij de woning van [slachtoffer] arriveerden, bleek dat [slachtoffer] niet thuis was. De vrouw van [slachtoffer] was wel thuis. De verdachte had tegen haar gezegd dat zij [slachtoffer] even moest bellen. Even later stopte er een auto bij de woning. [slachtoffer] stapte uit en liep naar [betrokkene 1] en [verdachte] toe. [slachtoffer] zei tegen hen dat hij het geld nog niet had, maar dat hij dit binnen een of twee weken zou regelen. [betrokkene 1] zei hierop tegen [slachtoffer] dat zij samen naar de McDonalds in Geleen zouden gaan om te praten. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij vervolgens met z’n vieren in de auto zijn gestapt en richting de McDonalds zijn gereden. Verdachte, die de bestuurder was van de auto, stopte echter niet bij de McDonalds. [medeverdachte] vroeg wat er aan de hand was, waarop verdachte zei dat zij zouden doorrijden naar Stolberg. In de auto werd er hoofdzakelijk door de verdachte gesproken. De verdachte zei onder andere tegen [slachtoffer] dat hij naar Stolberg zou gaan en dat hij daar moest blijven tot het geld betaald was. In Stolberg waren zij gestopt bij een woning. Zij waren alle vier uitgestapt en vervolgens een woning binnen gegaan van een persoon, genaamd [betrokkene 2] . [betrokkene 2] was op dat moment ook in de woning. Verdachte had tegen [betrokkene 2] gezegd dat hij op [slachtoffer] moest passen en dat [slachtoffer] niet mocht vertrekken. Verdachte vroeg aan [slachtoffer] of hij een telefoon bij zich had. Toen [slachtoffer] dat bevestigde, zei verdachte tegen hem dat hij de telefoon moest uitschakelen. Vervolgens had [betrokkene 1] meermalen gebeld met de vrouw van [slachtoffer] . [betrokkene 1] zei tegen haar dat zij het geld moest regelen. Tijdens deze gesprekken had verdachte aan [slachtoffer] gevraagd of hij de sleutels van zijn auto aan hem, verdachte, wilde geven. [slachtoffer] had dit vervolgens ook gedaan. [betrokkene 1] zei tegen de verdachte dat hij de auto

en de televisie van [slachtoffer] moest gaan ophalen in Geleen. Even later is verdachte met een persoon, genaamd [betrokkene 3] , vertrokken naar Geleen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij toen samen met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bij [slachtoffer] in de woning is gebleven. Even later belde verdachte naar [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zei tegen de verdachte dat hij de auto van [slachtoffer] in Geleen moest parkeren en daarna weer terug moest komen naar Stolberg. [medeverdachte] had vervolgens de woning verlaten. [betrokkene 1] en [slachtoffer] liepen met hem mee, omdat [betrokkene 1] [slachtoffer] wilde laten bellen in een telefooncel. [medeverdachte] had gehoord dat er in de woning meermalen tegen [slachtoffer] was gezegd dat hij pas weg mocht als het geld er was. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij ongeveer vier uur later terug was gegaan naar de woning om te controleren hoe het met [slachtoffer] ging. Toen hij daar aankwam waren enkel [slachtoffer] en [betrokkene 2] in de woning aanwezig. Na ongeveer een uur was [medeverdachte] weer naar huis gegaan. De volgende ochtend werd hij gebeld door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zei tegen [medeverdachte] dat hij bij hem voor de deur stond. [medeverdachte] keek naar buiten en zag toen dat [slachtoffer] , [betrokkene 1] , de verdachte en [betrokkene 2] in de auto zaten. [betrokkene 1] zei tegen [medeverdachte] dat zij het geld zouden gaan halen en vroeg aan [medeverdachte] of hij mee wilde gaan. Hierop was [medeverdachte] ook ingestapt in de auto. Zij hadden broodjes gehaald bij een bakkerij en hadden getankt

bij een tankstation. Vervolgens waren zij, via Würselen, weer teruggereden naar

de woning van [betrokkene 2] . Toen zij in de woning waren, kreeg [betrokkene 1] een telefoontje. Tijdens

dit gesprek werd gezegd dat het geld er was en dat men elkaar wilde ontmoeten bij het

Esso tankstation vlak over de grens. [medeverdachte] was vervolgens samen met de verdachte

en [slachtoffer] in de auto gestapt en naar het Esso-tankstation in Nederland gereden, alwaar

het geld zou worden overgedragen. Tijdens de autorit zei de verdachte tegen [slachtoffer] dat

het geld er precies tot op de cent moest zijn en dat [slachtoffer] de gevolgen zou merken als er

iets zou gebeuren. Toen zij bij het Esso tankstation aankwamen werden hij, [medeverdachte] , en

de verdachte aangehouden door de politie.16

Bewijsoverwegingen

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, omdat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat er sprake is van bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Bewuste en nauwe samenwerking veronderstelt dat de medeplegers met opzet samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging (i.c. gijzeling). Ook stilzwijgende samenwerking kan medeplegen opleveren. Dit is met name het geval in de situatie waarin iemand bewust bij een bepaalde situatie aanwezig blijft, niet ingrijpt, zich niet distantieert van de situatie en de ander dat kennelijk accepteert, hetgeen een beeld kan opleveren van een stilzwijgende samenwerking die voldoende kan zijn voor medeplegen. Voor wat betreft de vereiste gezamenlijke uitvoering is niet vereist dat de medeplegers allen eigenhandig aan de uitvoering van de delictshandeling deelnemen.

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met de medeverdachten naar de woning van aangever in Geleen is gereden, met de bedoeling om een nog openstaande schuld te innen. Zij hebben aangever vervolgens meegenomen in hun auto naar een pand in Stolberg (Duitsland), waar aangever verbaal is bedreigd. Verdachte

en de medeverdachten hebben aangever vervolgens gedurende ongeveer 24 uren belet de woning te verlaten door hem – telkens in wisselende samenstelling – te bewaken. Dat de verdachten dit hebben gedaan om aangever te dwingen om een hoeveelheid geld te betalen blijkt uit het feit dat de verdachte uitdrukkelijk tegen aangever heeft gezegd dat hij de woning pas mocht verlaten als hij de terugbetaling van het geld had geregeld. Ook heeft hij tegen [betrokkene 2] (man 4) gezegd dat hij op aangever moest letten en dat aangever niet weg mocht gaan. Hij heeft zelfs de opdracht gegeven aan [betrokkene 2] om geweld tegen aangever te gebruiken als hij weg trachtte te gaan. Verdachte heeft tegen aangever gezegd dat hij de telefoon moest uitzetten door de batterij en de simkaart er uit te halen. Verdachte wist derhalve precies wat er gaande was, heeft daarin uitdrukkelijk en ontegenzeggelijk een aanmerkelijk aandeel gehad. Hij heeft zich ook niet gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachten, terwijl dat naar het oordeel van de rechtbank wel (in een vroeg stadium) mogelijk was als hij niet had willen participeren. De verdachte heeft weliswaar enkele keren de woning verlaten, onder andere om de auto en eventueel ook de televisie van aangever op te halen, maar hij is ook telkens weer teruggekomen. Hij wist dat geregeld was dat aangever in de woning van man 4 verbleef tot het geld geregeld was. Toen uiteindelijk – na een gijzeling van circa 24 uren – het telefoontje kwam dat het geldbedrag was geregeld, is verdachte zelfs samen met een medeverdachte en aangever in de auto gestapt en naar het tankstation gereden waar de overdracht van het geldbedrag zou plaatsvinden. Tijdens deze rit naar het tankstation heeft

de verdachte, zo blijkt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , aangever nogmaals duidelijk gemaakt dat het geld tot op de cent moest worden terugbetaald. Ook heeft de verdachte tijdens deze autorit gezegd dat aangever de gevolgen zou merken als er iets

zou gebeuren. De verdachte was er dus niet alleen bij, maar hij heeft ook daadwerkelijk uitvoeringshandelingen verricht, die wezenlijk waren voor het slagen van het doel van

het misdrijf.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen van gijzeling door verdachte. Het tenlastegelegde feit kan dan ook wettig

en overtuigend worden bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

in de periode van 17 augustus 2015 tot en met 18 augustus 2015 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, genaamd

[slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met

het oogmerk een ander, te weten [naam partner] , te dwingen iets te doen, te weten

het betalen van ongeveer 4700 euro aan verdachte en diens mededaders, immers hebben verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer] meegenomen in een personenauto naar een woning in Duitsland en aldaar die [slachtoffer] tegen zijn wil vastgehouden/opgesloten en

die [slachtoffer] toegevoegd de woorden - zakelijk weergegeven - dat ze die [slachtoffer] zouden doodschieten, in elk geval woorden van soortgelijke aard en/of strekking en die [slachtoffer]

de indruk gegeven dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders die [slachtoffer] geweld zouden aandoen indien er niet zou worden betaald.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte

zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van gijzeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd niet in verhouding staat tot de straffen die doorgaans in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op een vergelijkbare zaak, waarin aan de dader een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden is opgelegd.

De raadsman heeft, gezien het vorenstaande, verzocht om bij een bewezenverklaring aan de verdachte een andersoortige of lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman heeft voorts verzocht, bij oplegging van een gevangenisstraf, een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren

is gekomen. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gijzeling. Uit de stukken in het dossier komt naar voren dat [slachtoffer] de verdachte en/of (een van) zijn mededader(s)

een paar duizend euro verschuldigd was in verband met een misgelopen drugstransactie.

Om te bewerkstelligen dat [slachtoffer] dit geld zou terugbetalen, hebben verdachte en zijn mededaders hem opgehaald in Geleen en hem vervolgens naar een woning in Stolberg (Duitsland) gebracht. Daar moest [slachtoffer] blijven tot hij het geld had geregeld dat de verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) nog van hem tegoed had(den). Tijdens de gijzeling is geen fysiek geweld gebruikt tegen [slachtoffer] , maar verdachte en zijn mededaders hebben bij [slachtoffer] wel de indruk gewekt dat zij hem iets zouden (laten) aandoen als hij het verschuldigde geldbedrag niet zou betalen of zou proberen weg te komen. Zo hebben zij bijvoorbeeld meermalen het

woord “morta” laten vallen in het bijzijn van [slachtoffer] . Ook is tegen [slachtoffer] gezegd:

“Wil je vrouw dat we je dood maken”. Ook het verblijf in de woning van man 4 was voor [slachtoffer] intimiderend, zodanig dat hij niet durfde te gaan slapen omdat hij bang was dat er iets zou gebeuren.

De verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelwijze een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke bewegingsvrijheid van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft tijdens de gijzeling, die circa 24 uur heeft geduurd, angstige momenten beleefd. Dat geldt ook voor zijn partner die op de hoogte was van de situatie waarin [slachtoffer] verkeerde. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting - bij welke gelegenheid [slachtoffer] als getuige is gehoord - is gebleken dat [slachtoffer] nog steeds bang is en vreest dat de verdachte en/of zijn mededaders hem of

zijn familie iets zullen aandoen.

De rechtbank is - gelet op de ernst van het feit - van oordeel dat een vrijheidsbenemende

straf de enige passende strafmodaliteit is. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft

de rechtbank rekening gehouden met de rol die verdachte heeft gehad in het geheel en met

de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Daarbij heeft de rechtbank, in het voordeel van verdachte, laten meewegen dat er tijdens de gijzeling geen fysiek geweld is gebruikt tegen [slachtoffer] .

De rechtbank is, alle omstandigheden in ogenschouw genomen en rekening houdende met

de straffen die in min of meer soortgelijke zaken worden opgelegd, van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 30 maanden te hoog is. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een lagere straf opleggen, te weten: een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf in voldoende mate recht doet aan de ernst van het feit, de rol die verdachte daarin heeft gehad en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder

4is omschreven;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en
mr. G. Demmink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 februari 2016.

Buiten staat

Mr. G. Demmink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2015 tot en met 18 augustus 2015 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, en/of te Bocholtz, in de gemeente Simpelveld, in elk geval in Nederland en/of te Stolberg (D), in elk geval in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [naam partner] , te dwingen iets te doen te weten het betalen van ongeveer 4700 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, aan verdachte en/of diens mededader(s), immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] meegenomen in een personenauto naar een woning (in Duitsland) en/of aldaar die [slachtoffer]

tegen zijn wil heeft/hebben vastgehouden/opgesloten en/of die [slachtoffer] heeft/hebben toegevoegd de woorden - zakelijk weergegeven - dat ze die [slachtoffer] zouden doodschieten, in elk geval woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of die [slachtoffer] en/of [naam partner] de indruk heeft/hebben gegeven dat hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] geweld zouden aandoen indien er niet zou worden betaald.

1 Vindplaats: ECLI:NL:RBLIM:2015:2668.

2 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, Divisie Regionale Recherche, voorzien van proces-verbaalnummer LB3R015139, gesloten d.d. 8 december 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 652.

3 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina’s 614, 617 en 618.

4 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina’s 618 en 619.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 599 en 601.

6 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina’s 619 t/m 621.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 602

8 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina 621.

9 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor [slachtoffer] , pagina 610.

10 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina’s 621 t/m 623.

11 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor [slachtoffer] , pagina 610.

12 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 602

13 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , pagina’s 623 en 624.

14 Het proces-verbaal van verhoor van (mede)verdachte [medeverdachte] , pagina’s 118 t/m 120.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 640.

16 Het proces-verbaal van verhoor van (mede)verdachte [medeverdachte] , pagina’s 118 t/m 125.