Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:1439

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 909u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW. Wbad. (SBK) wachtgeld. Verboden onderscheid op grond van leeftijd. Duuraanspraak. Beslissing op bezwaar had primair besluit moeten zijn. Om proceseconomische redenen wordt ingestemd met behandeling van de zaak als ware sprake van een rechtstreeks beroep. De rechtbank onderschrijft het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens (oordeel 2014-105) dat er geen objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakt leeftijdsonderscheid. De “voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging van de AOW-leeftijd” (Stcrt.nr. 31772) heft weliswaar gedeeltelijk het AOW-gat op, maar leidt nog steeds tot een aanzienlijke inkomensterugval. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en bepaalt dat de duur van het aan eiser toekomende wachtgeld eerst wordt beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a van de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/909

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Kalvenhaar).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) wachtgeld toegekend tot 1 juni 2025.

Bij brief van 9 februari 2015 heeft eiser verzocht om de wachtgelduitkering door te laten lopen tot de ingangsdatum van het recht op een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Verweerder heeft deze brief opgevat als een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 3 oktober 2014 en het bezwaar bij besluit van 27 februari 2015 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat de brief van eiser van 9 februari 2015 dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 3 oktober 2014. Het betreft daarbij een zogenaamde duuraanspraak. Naar vaste rechtspraak moet in een geval waarin een duuraanspraak aan de orde is, door de bestuursrechter een onderscheid worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst (zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH5463 en 13 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2946). Duidelijk is dat het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van 3 oktober 2014 betrekking heeft op de toekomst, namelijk op de in dat besluit vastgestelde datum waarop het aan eiser toegekende wachtgeld eindigt. Bij een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit dat op de toekomst betrekking heeft, zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat dit besluit blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Dit betekent dat verweerder weliswaar terecht op het verzoek van eiser heeft beslist, maar deze beslissing ten onrechte als een beslissing op bezwaar heeft aangemerkt. Het besluit van 27 februari 2015 moet dus worden aangemerkt als een primair besluit. Eiser heeft daarom terecht een bezwaarschrift ingediend. Alhoewel eiser verweerder in dit geval niet tegelijkertijd bij het indienen van bezwaar heeft verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, is de rechtbank van oordeel dat dit wel in de brief van 9 februari 2015 moet worden ingelezen, aangezien eiser het bezwaarschrift aan de rechtbank heeft gericht. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting om proces-economische redenen ingestemd met de behandeling van de zaak als ware er sprake van een rechtstreeks beroep. Het beroep wordt gelet hierop ontvankelijk geacht en de rechtbank gaat over tot inhoudelijke behandeling.

2. Eiser, die geboren is op 1 mei 1960, is bij besluit van 27 juni 2014 met ingang van

1 oktober 2014 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid in de zin van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard).

Op 17 juli 2014 heeft eiser een aanvraag om (SBK) wachtgeld op grond van het Wbad ingediend. Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft verweerder eiser voornoemde uitkering toegekend.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt - kort samengevat - dat op grond van het Wbad (artikel 17) het recht op wachtgeld eindigt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Volgens verweerder is de toekenning van het wachtgeld in overeenstemming met het Wbad, gelet op eisers geboortedatum. De einddatum van het wachtgeld is volgens verweerder niet verbonden aan de ingangsdatum van het recht op een AOW-uitkering.

4. Eiser voert in beroep aan - kort samengevat - dat hij recht heeft op wachtgeld tot de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De uitspraak van de rechtbank Den Haag waar verweerder naar verwijst heeft betrekking op een zaak waarin de eisende partij zichzelf als remplaçant heeft aangeboden, terwijl eiser als gevolg van overtolligheid is ontslagen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de MK-uitspraak van de rechtbank Zwolle van 24 februari 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:974).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad eindigt het recht op wachtgeld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder onderscheid op grond van leeftijd maakt door de wachtgelduitkering van medewerkers bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te beëindigen, terwijl jongere ambtenaren wel voor de volledige duur (zoals omschreven in de artikelen 8 en 9 van het Wbad) een wachtgelduitkering ontvangen. De ambtenaren die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar geen wachtgelduitkering meer ontvangen en die door de verhoging van de leeftijd waarop aanspraak kan worden gemaakt op een uitkering ingevolge de AOW tot het bereiken van die verhoogde leeftijdsgrens geen beroep kunnen doen op die wet , krijgen te maken met een inkomstenterugval waardoor zij worden benadeeld.

8. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, bezien in samenhang met artikel 3, aanhef en onder d en e, van de Wet Gelijke Behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (Wgbla) is een dergelijk onderscheid verboden, met dien verstande dat dit onderscheid ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wgbla in een aantal gevallen objectief gerechtvaardigd is te achten en het verbod dan niet geldt. Of sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in die zin dat het voldoende zwaarwegend is dan wel dat het doel voorziet in een werkelijke behoefte.

Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk.

Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Als aan deze voorwaarden is voldaan levert het onderscheid op grond van leeftijd geen strijd op met de Wgbla.

9. Het College voor de Rechten van de Mens heeft op 1 september 2014 (oordeel 2014-105) in de zaak van de Vakbond voor Burger- en Militair defensiepersoneel tegen de minister van Defensie (verweerder) een niet bindend oordeel gegeven over de vraag of verweerder verboden onderscheid op grond van leeftijd maakt door de wachtgelduitkering van medewerkers te beëindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Het College heeft geoordeeld dat het doel van het gemaakte leeftijdsonderscheid is het beschermen van alleen diegenen die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben. Het doel is naar het oordeel van het College voldoende zwaarwegend en er is geen sprake van een discriminerend oogmerk. Het doel is dan ook legitiem. Met het hanteren van de leeftijdsgrens van 65 jaar, voor het recht op een wachtgelduitkering, wordt het doel naar het oordeel van het College echter niet bereikt. Immers, ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, worden door het hanteren van de leeftijdsgrens van 65 jaar juist niet beschermd tegen de inkomstenterugval. Integendeel, door het hanteren van de leeftijdsgrens van 65 jaar wordt de inkomensterugval juist veroorzaakt. Het College oordeelt dan ook dat het middel niet passend is en dat er daarom geen objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte leeftijdsonderscheid. Verweerder heeft daarmee verboden onderscheid op grond van leeftijd gemaakt.

10. Zoals al eerder aangegeven in zijn uitspraken van 12 januari 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:169 en ECLI:NL:RBLIM:2016:170) onderschrijft de rechtbank dit oordeel van het College en de overwegingen waarop dit berust. De rechtbank voegt hieraan toe dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) inmiddels besloten heeft om vanaf

1 januari 2015 de pensioenregeling aan te laten sluiten op de AOW-leeftijd waardoor de inkomstenterugval nog groter is geworden.

De rechtbank passeert in dit verband het argument van verweerder (conform de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 september 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11928) dat eiser kan gaan werken om het AOW-gat op te vullen. Immers, deze mogelijkheid wordt aan een jongere ambtenaar die een wachtgelduitkering ontvangt ook niet tegengeworpen. Ook de stelling van verweerder dat eiser de inkomstenterugval kan opvangen door zijn pensioen eerder te laten ingaan volgt de rechtbank niet. Immers, indien voor die optie wordt gekozen, heeft dat tot gevolg dat de pensioenuitkering structureel lager wordt, zodat ook dit tot een inkomstenterugval leidt. Ten aanzien van het doel van het gemaakte leeftijdsonderscheid merkt de rechtbank nog op dat de leeftijd waarop een ambtenaar om leeftijdsontslag kan verzoeken in het Algemeen Rijksambtenarenreglement is verhoogd naar de AOW-leeftijd. Verder is op 1 oktober 2015 de “Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging van de AOW-leeftijd” van 28 september 2015 (Stcrt. nr. 31772) in werking getreden. Deze voorlopige voorziening heft weliswaar gedeeltelijk het AOW-gat op, maar leidt nog steeds tot een aanzienlijke inkomstenterugval.

11. De rechtbank komt - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - tot de slotsom dat verweerder verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door het wachtgeld van eiser met ingang van 1 juni 2025 te beëindigen op de grond dat hij op 1 mei 2025 de leeftijd van 65 jaar zal bereiken. Het beroep is derhalve gegrond.

Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3 van de Wgbla, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1 van de Grondwet te worden vernietigd en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad dient buiten toepassing te blijven.

12. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit van 3 oktober 2014 wordt herroepen voor zover het de einddatum van

1 juni 2025 betreft. De rechtbank bepaalt dat de duur van het aan eiser toekomende wachtgeld eerst wordt beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zoals bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit voor zover het ziet op de einddatum en bepaalt dat het aan eiser toekomende wachtgeld eerst wordt beëindigd bij het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd, zoals bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Klein (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.

w.g. I.M.T. Wijnands,

griffier

w.g. T.G. Klein,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 19 februari 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.