Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2016:11614

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-10-2016
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/03/197832 / FA RK 14-3372
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2017:2740
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verrekening huwelijkse voorwaarden, kapitaalpolissen, belastingdruk en allerlei posten.

Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2015:11379, Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2016:11613

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/197832 / FA RK 14-3372

Beschikking d.d. 21 oktober 2016 betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. E.R.T.A. Luijten, gevestigd te Heerlen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H.J.M. Stassen, gevestigd te Maastricht.

De rechtbank verwijst en blijft bij hetgeen is geoordeeld en beslist in de beschikking van 23 maart 2016.

1 Het vervolg van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van de vrouw van 31 maart 2016 met een verzoek ex artikel 32 wetboek van burgerlijke rechtsvordering;

- de door de man op 28 april 2016 ingediende akte uitlating houdende vermeerdering van eis;

- de door de man op 3 mei 2016 ingediende akte uitlating, tevens van overleggen producties;

- de door de vrouw op 24 juni 2016 ingediende antwoordakte vermeerdering van eis;

- de door de vrouw op 24 juni 2016 ingediende antwoordakte en akte uitlating, houdende producties;

- de door de man op 22 juli 2016 ingediende antwoordakte, tevens van overlegging producties en tevens houdende een vermeerdering van eis;

- de door de man op 22 juli 2016 ingediende antwoordakte, tevens van overlegging producties;

- de door de man op 8 augustus 2016 ingediende akte uitlating;

- de door de vrouw op 24 augustus 2016 ingediende akte uitlating.

2 De verdere beoordeling

De door de vrouw bij brief van 31 maart 2016 verzochte aanvulling van de beschikking van 23 maart 2016 op de voet van artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt afgewezen. Uit hetgeen in die beschikking is beslist en uit hetgeen hierna wordt overwogen en geoordeeld, volgt dat die aanvulling niet noodzakelijk is.

Te verrekenen vermogen van de man

De waarde van het pand te Spanje en de waarde van de inboedel van dat pand

2.1.

Partijen hebben aangegeven dat zij ervoor opteren dat ieder van partijen een eigen makelaar/taxateur opdracht geeft om het bedoelde appartement te laten taxeren. Aan de hand van die taxaties, zo hebben partijen aangegeven, zullen zij met elkaar overleg plegen over de vervolgprocedure en daarna zal de rechtbank over de in deze zaak in aanmerking te nemen waarde van het appartement met de inboedel worden geïnformeerd.

2.2.

De taxateur van de man heeft op 18 mei 2016 in zijn opdracht een taxatie verricht. Als productie 76 heeft de man het in het Spaans gestelde taxatierapport overgelegd. De man stelt dat uit dit rapport volgt dat de marktwaarde op 1 september 2013 van het pand met de inboedel op € 262.500,00 is gewaardeerd.

De man heeft als productie 77 een op 25 mei 2016 in opdracht van de vrouw uitgebrachte taxatie in de vorm van een in de Engelse taal opgesteld rapport overgelegd. De man stelt dat uit dit rapport volgt dat de marktwaarde op 1 september 2013 van het pand met de inboedel op € 275.000,00 is gewaardeerd.

2.3.

Volgens de vrouw hebben de beide taxaties enkel het appartement en niet ook de inboedel ervan op het oog, hetgeen volgens de vrouw ook hoogst ongebruikelijk zou zijn. Daarvan uitgaande, stelt de vrouw dat voor haar het gemiddelde van de beide taxaties acceptabel is. Verder wijst de vrouw op pagina 12 van het rapport van de taxateur van de man waarin de waarde van het pand (op 1 september 2013) met inboedel (naar de waarde in mei 2016) op € 268.442,00 wordt getaxeerd. De vrouw geeft vervolgens uitvoerig en gemotiveerd aan dat de inboedel op de peildatum een veel hogere moet zijn, te weten

€ 30.000,00. Volgens de vrouw is die hogere waarde met name gelegen in het feit dat er in 2012/2013 ruim € 36.000 tot ruim € 42.000,00 aan nieuw gekochte inboedel is uitgegeven voor het bedoelde pand.

2.4.

De man heeft op deze nadere stellingen van de vrouw nog niet gereageerd. Daartoe wordt hij in de gelegenheid gesteld alvorens de rechtbank over dit thema mogelijk knopen kan doorhakken of een andere instructie zal gaan geven. De man dient in zijn antwoordakte een beëdigde vertaling van de relevante pagina(‘s) van zijn taxatierapport te overleggen indien hij de stelling van de vrouw over het antwoord op de vraag of de inboedel wel of niet is mee-getaxeerd en voor welk bedrag wenst te weerleggen. Mogelijk dat partijen zich met elkaar kunnen verstaan om een minnelijke oplossing te bereiken.

Kapitaalpolissen van de man

2.5.

De rechtbank gaat voorbij aan de opmerkingen van de man dat de waarde van de Loyalispolis [polisnummer 1] buiten de verrekening dient te blijven. Immers, in de vorige beschikking is zonder voorbehoud beslist dat de man diezelfde stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd en met bescheiden aannemelijk heeft gemaakt. Terugkomen op deze bindende eindbeslissing is weliswaar mogelijk maar niet in de hier aan de orde zijnde situatie dat de man, zoals is beslist, niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

2.6.

Volgens de opgave van de verzekeraar had de polis op de peildatum een waarde van

€ 9.815,28. Partijen zijn het eens over de in aanmerking te nemen fiscale druk van 33% zodat een waarde van € 6.576,24 resteert. Waar van een splitsing van die polissen op de peildatum nog geen sprake was, daargelaten de relevantie ervan, dient aan die stelling van de vrouw voorbij te worden gegaan.

2.7.

De man stelt dat de waarde toch niet moet worden verrekend omdat de polis sedert 2011 tot uitkering is gekomen en ook na 1 september 2013 is gebruikt voor de financiering van de studies van de beide dochters van partijen. Bij het bepalen van de door de man te betalen partneralimentatie is volgens de man geen rekening gehouden met deze betalingen ten behoeve van de dochters omdat die kosten niet in mindering zijn gebracht op de draagkracht van de man. De man wijst op de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2014.

De vrouw heeft die stelling betwist onder verwijzing naar een overweging in de bodembeschikking van de rechtbank van 31 maart 2015.

De rechtbank oordeelt als volgt. Bij gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep tegen de laatste beschikking zijn partijen bij het Hof over de partneralimentatie verschuldigd tot 1 januari 2016 tot een vergelijk gekomen inhoudende dat de man aan de vrouw

€ 3.150,00 per maand dient te betalen (de rechtbank kwam tot hogere bedragen). Met die

€ 3.150,00 hebben partijen kennelijk aansluiting gezocht bij de bij de voorlopige voorzieningen vastgestelde partnerbijdrage (die op dezelfde hoogte was vastgesteld). In de overwegingen van die beschikking is bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening gehouden met de bedoelde betaling door de man uit de polis van de studies van de dochters. Terecht wijst de man erop dat indien hij de polis alsnog moet verrekenen deze studiebijdrage(n) volledig ten laste van de man komt(en), terwijl de vrouw tweemaal van de poliswaarde profiteert te weten via een hogere partneralimentatie en via de verrekening van de poliswaarde. Gelet op deze feiten en omstandigheden dient het nadere beroep van de man op de tenzij-clausule van artikel 1:141 lid 3 BW te worden gehoneerd. De waarde van de polis blijft buiten de verrekening.

2.8.

De contante waarde van de Reaalpolis eindigend op 882 bedroeg op de peildatum

€ 25.190,00 volgens een bewijsstuk afkomstig van Reaal. Partijen verschillen van mening over de in aanmerking te nemen belastingclaim. De rechtbank neemt in aanmerking dat deze polis na 1 september 2013 is voortgezet door de man en eind december 2016 tot uitkering komt. Op die datum komt die uitkering boven op het pensioen van de man waardoor de belastingdruk op die datum 52% bedraagt. Gelet op deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank ook op 1 september 2013 52% als belastingdruk in mindering brengen op de waarde. Daarmee komt de in de verrekening mee te nemen waarde uit op € 12.091,20.

2.9.

De contante waarde van de Reaalpolis eindigend op 574 bedroeg op de peildatum

€ 21.820,00 volgens een bewijsstuk afkomstig van Reaal. Waar de feiten en omstandigheden dezelfde zijn als bij de vorige Reaalpolis komt 52% als belastingdruk in mindering. Daarmee komt de in de verrekening mee te nemen waarde uit op € 10.473,60.

2.10.

Naar aanleiding van de vorige beschikking is uit de aktes van partijen gebleken dat zij het er over eens zijn dat de ASR-polis als een gemeenschappelijke polis van partijen heeft te gelden, zodat deze buiten de verrekening op de voet van de huwelijkse voorwaarden dient te blijven. Wel dient de uitkering van deze polis in 2015 aan de man in de verdeling te worden betrokken. Uit de stukken komt naar voren dat als onbelaste waarde van deze ASRpolis (eindigend op 967) groot € 56.409,00 op 26 maart 2015 is uitgekeerd. De man heeft onbestreden gesteld en genoegzaam onderbouwd dat hij in verband met de beëindiging van de verpanding van deze polis zijn hypotheek bij Obvion heeft moeten aanpassen. De kosten van Obvion bedroegen € 150,00 en van de ingeschakelde intermediair [naam] € 238,44. Per saldo dient € 56.020,56 te worden verdeeld. De man dient de helft, zijnde € 28.010,28 aan de vrouw te betalen.

2.11.

De waarde van de Loyalis levenslooppolis eindigend op 89/1 bedroeg op de peildatum € 46.361,65 volgens een bewijsstuk afkomstig van de verzekeraar. De man heeft genoegzaam aangetoond dat 20% van dit bedrag van belastingheffing was vrijgesteld en dat over de rest de belastingdruk € 52% bedroeg op het moment dat de man deze polis op 31 december 2015 (waartoe hij ook gerechtigd was en waarbij hij nog juist het voordeel wist te verzilveren) tot uitkering heeft laten komen. Met inachtneming hiervan neemt de rechtbank op de peildatum dezelfde belastingdruk in aanmerking, zodat € 27.075,20 dient te worden meegenomen in de verrekening.

2.12.

De waarde van de Delta Lloydpolis eindigend op 767 bedroeg op de peildatum

€ 45.489,91. Partijen verschillen van mening over de in aanmerking te nemen belastinglatentie. Indien de man, zoals op 1 september 2013 de bedoeling was, de polis eind december 2016 tot periodiek tot uitkering had laten komen, was hij (gezien de hoogte van zijn pensioen) geconfronteerd met een belastingdruk van 52%. Tegen die achtergrond kan hetgeen omtrent de eerdere afkoop door de man en de in verband daarmee gebleken belastingdruk onbesproken blijven. De man heeft genoegzaam aangetoond dat hij begin 2016 ernstig rekening moest houden met een volgende beslaglegging door de vrouw op zijn vermogen, waaronder de bedoelde polis. Die vrees is ook bewaarheid aan het begin van februari 2016. Waar de man in 2016 tot zijn pensioengerechtigdheid op 1 oktober 2016 alsdan geen inkomsten genoot en gevreesd moest worden dat hij na een volgende beslaglegging door de vrouw mogelijk niet meer kon beschikken over zijn vermogen, heeft hij in redelijkheid kunnen besluiten tot voortijdige afkoop van de Delta Lloydpolis. Daardoor is hij ook nog eens 20% revisierente verschuldigd geworden aan de fiscus. De vrouw heeft deze nadere stellingen van de man niet meer aan de orde gesteld terwijl zij daartoe gelegenheid had in haar op 24 augustus 2016 ingediende akte. Van de juistheid van de stellingen van de man over de noodzaak tot afkoop en de daardoor verschuldigde revisierente wordt dan ook uitgegaan. Hoewel de verschuldigdheid van die revisierente op de peildatum niet voorzienbaar was, is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om met die revisierente bij de in aanmerking te nemen belastinglatentie rekening te houden. Daarmee dient de cijfermatige opstelling van de man te worden gevolgd en in de verrekening aan zijn zijde € 17.468,13 te worden meegenomen.

2.13.

Dat er nog een polis bij de ASR ten name van de man onder nummer [polisnummer 2] zou hebben bestaan op de peildatum heeft de man gemotiveerd van de hand gewezen, stellende dat de ASR zich in een brief in het juiste polisnummer heeft vergist. De vrouw is daar niet meer op teruggekomen, zodat de lezing van de man voor juist moet worden gehouden.

Correctie van te verrekenen bedragen ?

2.14.

De man bepleit om € 40.000,00 in mindering te brengen op zijn bank- en spaartegoeden op de peildatum zodat dit bedrag niet verrekend wordt met de vrouw. Op 2 januari 2013 hebben partijen € 80.000,00 van een door de man ontvangen superbonus 50/50 verdeeld. Daaruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat ter zake niets meer tussen partijen hoeft te worden verrekend. Daar die € 40.000,00 aan de zijde van de man tot zijn liquide vermogen hoort op de peildatum van de verrekening moet dat bedrag op dat vermogen in mindering worden gebracht. Anders zou de vrouw naast haar eigen helft via de verrekening nog eens delen in de helft van de man.

2.15.

De vrouw heeft gesteld dat als de man deze stelling serieus handhaaft ook aan haar kant eenzelfde correctie dient plaats te vinden.

Dat laatste betwist de man tenzij de vrouw zou aantonen dat de door haar ontvangen

€ 40.000,00 op de peildatum nog op haar bankrekening stond. Daar de vrouw al meerdere keren heeft aangegeven dat haar vermogen tussen begin 2013 en 1 september 2013 niet met dit bedrag is toegenomen, dient bij haar geen correctie als door de man is bepleit worden toegepast.

2.16.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De man heeft in 2012 van zijn werkgever een superbonus van € 110.000,00 ontvangen. Een deel ervan is door partijen besteed en het restant van € 80.000,00 is op 2 januari 2013 50/50 tussen partijen verdeeld. Daarover heeft de rechtbank in de vorige beschikking overwogen dat zij uit die gang van zaken concludeert dat ter zake deze post niets meer tussen partijen hoeft te worden verrekend. Daarin ligt besloten dat die € 80.000,00 geen thema meer is bij de verrekening op de voet van de huwelijkse voorwaarden. Anders gezegd: indien en voor zover de door de man of de vrouw ontvangen € 40.000,00 op de peildatum nog aanwezig was, dient dit bedrag op grond van de tenzij- clausule van artikel 1:141 lid 3 BW buiten de verrekening te blijven. Immers met die verdeling hebben partijen, zo begrijpt de rechtbank, vooruit gelopen op de op de handen zijnde echtscheiding en de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden en daarbij heeft de verdeling hetzelfde effect gehad als met een verrekening van die € 80.000,00 per 1 september 2013 zou zijn bereikt.

Nu de man onbestreden heeft gesteld dat zijn deel nog aanwezig was op de peildatum dient zijn te verrekenen vermogen inderdaad met € 40.000,00 te worden verminderd. Waar de vrouw niet heeft gesteld, en overigens evenmin aannemelijk heeft gemaakt, dat haar deel op de peildatum nog aanwezig was, dient bij haar deze correctie achterwege te blijven.

2.17.

De man bepleit eenzelfde correctie voor € 9.000,00. Het betreft de in 2011 door de man afgekochte Reaal Levenlooppolis met een waarde van € 18.000,00. Op 11 oktober 2011 heeft de man de helft van de uitgekeerde waarde overgemaakt aan de vrouw. Volgens de man maakt zijn deel (€ 9.000) deel uit van zijn liquide vermogen op de peildatum. Een correctie is noodzakelijk omdat de vrouw anders ook nog in zijn deel voor de helft gerechtigd wordt.

2.18.

De vrouw heeft eenzelfde standpunt ingenomen als bij de superbonus is vermeld.

2.19.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de man. Anders dan in 2013 was in 2011 nog geen sprake van een op handen zijnde echtscheiding. Ook verder zijn er door de man geen feiten en omstandigheden gesteld die in het licht van de tenzij-clausule van artikel 1:141 lid 3 BW met zich brengen dat die € 9.000,00 buiten de verrekening zou moeten blijven.

2.20.

Waar de door de vrouw nog aan de orde gestelde kapitaalpolissen ten name van de man bij Reaal met nummer [polisnummer 3] en bij ASR met nummer [polisnummer 4] niet meer bestonden op 1 september 2013 spelen ze geen rol meer bij de verrekening op de voet van de huwelijkse voorwaarden.

Voorlopige slotsom van het te verrekenen vermogen van de man (en te verdelen)

2.21.

Recapitulerend komt de rechtbank in aansluiting op overweging 2.11.1 van de vorige beschikking tot de volgende opstelling van het aan de zijde van de man op 1 september 2013 te verrekenen vermogen:

  1. Liquide vermogen van € 218.060,11 minus € 40.000 = € 178.060,11;

  2. Aandelen en obligaties van € 9.283,00;

  3. Vorderingen van € 23.180,00;

  4. Pm post (pand en inboedel Spanje);

  5. Auto van € 14.000,00;

  6. Kapitaalpolissen van € 67.108,13;

  7. Af te wikkelen afkoop van gemeenschappelijke ASR polis: man dient € 28.010,28 aan de vrouw te betalen.

2.22.

Een en ander brengt het te verrekenen vermogen (exclusief pand en inboedel Spanje) op € 291.631,24 te vermeerderen met de betaling van post 7.

3 Te verrekenen vermogen van de vrouw

3.1.

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw op de peildatum op de volgende bankrekeningen de volgende saldi had staan:

1. ABN AMRO (eindigend op 565) € 2.466,53;

2. SNS (eindigend op 052) € 8.000,00;

3. SNS (eindigend op 928) € 483,33;

4. SNS (eindigend op 168) € 23,40;

5. Nationale Nederlanden (eindigend op 907) € 50.210,41.

Verder zijn partijen het er over eens dat de waarde van de KBC polis (eindigend op 166) € 9.951,46 was. Dat brengt het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen op € 71.135,13.

3.2.

Daarnaast heeft de vrouw bij Loyalis 2 spaarplannen lopen (onder de nummers [polisnummer 5] en [polisnummer 6] met een waarde van respectievelijk € 10.713,98 en € 3.924,97. Dat brengt het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen op € 85.774,08.

3.3.

Terecht wijst de man erop dat de vrouw heeft verzuimd om de polis van de bedoelde Loyalis spaarplannen in de procedure over te leggen. Zij zal daartoe het bevel krijgen van de rechtbank.

3.4.

Reagerend op overweging 2.12.4 van de vorige beschikking, waarin de man heeft betoogd dat de vrouw op de peildatum over meer liquide middelen of vermogen moest beschikken in de orde van grootte van € 49.000,00, heeft de vrouw gesteld dat zij € 7.360,00 aan stucwerk, schilderwerk en designradiatoren van de (echtelijke) woning van de man heeft betaald en dat zij daarnaast hoge kosten van haar advocaat en financieel adviseur heeft gehad. Zij concludeert dat van voornoemd bedrag niets meer aanwezig was op 1 september 2013.

3.5.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Dat de vrouw vóór 1 september 2013 al hoge kosten van haar advocaat en financieel adviseur, naar de rechtbank begrijpt, in verband met de op handen zijnde echtscheiding zou hebben gehad, heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt. De vrouw heeft geen facturen van en/of betalingen aan haar advocaat en financieel adviseur overgelegd. Dat er vóór 1 september 2013 al substantiële kosten zouden zijn gemaakt, komt de rechtbank onwaarschijnlijk voor. Het verzoekschrift voorlopige voorzieningen is door de vrouw op 11 maart 2014 ingediend bij de rechtbank. Het verzoekschrift echtscheiding is door haar op 30 april 2014 ingediend. Dat respectievelijk ruim 5 en 7 maanden eerder al nota’s ter zake die procedures aan haar advocaat zouden zijn betaald, ligt bepaald niet voor de hand. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor haar financieel adviseur. Een en ander leidt ertoe dat de vrouw op de peildatum nog substantiële liquide middelen moet hebben gehad. De rechtbank acht aannemelijk dat de vrouw van de € 49.000,00 minus de € 7.360,00 en de door de man genoemde bijdrage van de vrouw van € 8.000,00 aan aankoop meubels nog de beschikking heeft gehad over € 33.640,00.

Daarmee komt het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen op de peildatum op

€ 119.414,08.

3.6.

De man geeft in zijn nadere reactie van 22 juli 2016 aan dat de vrouw op de peildatum een eigen vermogen van € 152.987,00 zou hebben. Daarbij betrekt hij, naast hetgeen is overwogen, dat de vrouw in de periode 2009 tot de peildatum in 2013 ten minste

€ 102.262,00 aan eigen onverteerde inkomsten uit arbeid heeft overgehouden omdat zij in die periode geen bijdrage aan de gemeenschappelijke huishoudkosten meer heeft geleverd.

3.7.

De rechtbank gaat aan deze nadere stelling van de man voorbij.

De man heeft deze stelling in een veel te laat stadium van de procedure naar voren gebracht. Het heeft op zijn weg gelegen om dit eerder te betrekken in zijn betoog over het in aanmerking te nemen vermogen van de vrouw. Na de vorige beschikking was de vrouw aan zet en lag in de lijn der verwachting dat de rechtbank het standpunt van de man zou gaan beoordelen. De vrouw hoefde dan ook niet meer in te gaan op de nadere stellingname van de man. Daar komt nog bij dat de man enerzijds kennelijk aanneemt dat de vrouw over die

€ 102.262,00 nog de beschikking zou hebben gehad op de peildatum terwijl hij anderzijds bij herhaling heeft gewezen op het exorbitante uitgavenpatroon van de vrouw tijdens het huwelijk en de samenwoning van partijen.

3.8.

De vrouw heeft gesteld dat ten name van haar geen bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] heeft bestaan en de man om informatie gevraagd omdat hij het bestaan van die rekening heeft gesteld. Nu de man daar niet meer op is teruggekomen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de opmerking van de vrouw.

3.9.

Waar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ziet op de ABN AMRO en geen sprake is van een rekening van de vrouw bij de Westland Utrecht bank is ook dit punt opgelost.

4 Vermeerdering van eis door de man

4.1.

Inzake het (kort gezegd) tijdelijk voortgezet gebruik door de vrouw van de voormalige echtelijke woning van de man claimt de man van de vrouw de betaling van een aantal posten tot een totaal van € 5.847,67.

De vrouw heeft op de diverse posten gereageerd.

Op de standpunten van partijen wordt hierna ingegaan.

4.2.

In hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking hebben partijen ter zitting van het hof afspraken gemaakt in verband met het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw ná 1 september 2015 en tot 1 januari 2016. Afgesproken was ook dat de vrouw de woning uiterlijk op 1 januari 2016 zal hebben moeten verlaten. Die afspraken zijn op verzoek van partijen door het hof ook neergelegd in de beschikking van 17 september 2015: vanaf 1 september 2015 moest de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding van € 675,00 per maand betalen, een compensatievergoeding (voor het wegvallen van de hypotheekrente aftrek bij de man) van € 610,00 per maand en de vrouw zou de woning uiterlijk 1 januari 2016 moeten ontruimen met afgifte van de sleutels aan de man.

De vrouw heeft de woning ondanks de gemaakte afspraken en het bevel van het hof niet tijdig ontruimd. Eerst na aanzegging van een ontruiming op 21 januari 2016 door een deurwaarder heeft de vrouw de woning op 20 januari 2016 om 17.00 uur ontruimd en de sleutels aan de advocaat van de man afgegeven.

4.3.

De man heeft gemotiveerd gereageerd op de bezwaren van de vrouw tegen de verschuldigdheid van de afgesproken compensatievergoeding. Hij heeft onder verwijzing naar artikel 11.10.5 van de scheidingsregeling van de fiscus gesteld dat de aftrekbaarheid van de hypotheekrente verviel 2 jaar nadat hij de woning in 2013 had verlaten. Tussen partijen staat vast dat de man op 1 september 2013 de woning heeft verlaten en elders is gaan wonen, zodat de aftrekbaarheid verviel met ingang van 1 september 2015. Ook de hoogte van de aftrek heeft de man nog een keer voorgerekend mede onder verwijzing naar zijn IB aangifte en het eerder hierover door hem ingenomen standpunt. Indien de vrouw haar standpunt had willen handhaven, had zij op deze reactie van de man moeten en kunnen reageren. Nu zij dat niet heeft gedaan, dient de vrouw 4 maal € 610,00 = € 2.440,00 aan de man te betalen.

4.4.

Partijen zijn het eens dat de vrouw de afgesproken gebruiksvergoeding over de periode 1 september 2015 tot 1 januari 2016 heeft betaald. Dit onderdeel van de vordering van de man moet worden afgewezen. Partijen zijn het eens dat de man over de periode 1 tot en met 20 januari 2016 een gebruiksvergoeding van € 435,48 moet betalen. Dit onderdeel van deze post zal worden toegewezen.

4.5.

Rechtstreeks met het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw na 1 januari 2016, in strijd met de gemaakte afspraken en de veroordeling tot ontruiming door het hof, houdt verband de door de man geclaimde post van de door hem betaalde huurpenningen voor zijn appartement over de periode 1 januari tot en met 29 februari 2016. Uit de gewisselde processtukken komt onmiskenbaar naar voren dat de man is geconfronteerd (in december 2015) met de vrees (en begin januari 2016) met het feit dat de vrouw de woning niet vrijwillig zou gaan verlaten. Daardoor is de man genoodzaakt geweest om de huur van zijn appartement uit te stellen. Aansluitend aan de ontruiming van de woning door de vrouw (op 21 januari) heeft de man, blijkens de overgelegde correspondentie met de verhuurder, zijn huur opgezegd tegen de eerst mogelijke datum van 1 maart 2016. Daarmee heeft de vrouw door haar handelen in strijd met de gemaakte afspraken de man schade berokkend tot het door hem gevorderde bedrag van € 1.974,00. Dit onderdeel zal worden toegewezen.

4.6.

In het verlengde daarvan heeft de vrouw de kosten van de door de man ingeschakelde deurwaarder veroorzaakt, zodat zij verplicht is die kosten van € 391,66 aan de man te vergoeden. Dit onderdeel wordt toegewezen.

4.7.

Tot slot heeft de man met de overgelegde productie 113 genoegzaam onderbouwd dat hij de voor rekening van de vrouw komende energiekosten van de woning over het tijdvak tot 20 januari 2016 heeft betaald. De vrouw wordt veroordeeld die kosten tot

€ 303,42 aan de man te betalen.

4.8.

De man heeft in zijn op 22 juli 2016 ingediende antwoordakte tevens zijn eis vermeerderd (pagina’s 12 en 13) en het standpunt ingenomen dat hij nog € 46.008,85 in mindering moet kunnen brengen op zijn te verrekenen vermogen.

Naar het zich laat aanzien heeft de vrouw verzuimd op deze eisvermeerdering te reageren. Zij zal daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte.

Daarna zal de rechtbank over dit onderdeel beslissen.

5 Vermeerdering van eis door de vrouw

5.1.

Kort gezegd heeft de vrouw gesteld dat de man haar schade heeft berokkend casu quo dat de vrouw kosten heeft betaald die de man had moeten betalen. Zij vordert enerzijds schadevergoeding en anderzijds terugbetaling van onverschuldigde betalingen en vergoeding van de helft van betaalde gezamenlijke kosten.

De man heeft de posten en de verschuldigdheid van verzochte bedragen gemotiveerd bestreden.

Op de standpunten van partijen wordt hierna ingegaan.

5.2.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De vrouw claimt € 8.000,00 stellende dat zij dit bedrag medio februari 2004 aan de man heeft betaald ter zake kosten van renovatie van zijn woning (de voormalige echtelijke woning). Op het afschrift van de betreffende bankrekening van de vrouw staat niet vermeld ter zake waarvan zij dit bedrag aan de man heeft overgemaakt.

De man heeft de lezing van de vrouw van de hand gewezen. Onder verwijzing naar diverse nota’s van in de eerste helft van 2004 aangeschafte roerende zaken heeft de man gezegd dat de vrouw met die betaling heeft bijgedragen in de totale uitgaven van ruim € 24.000,00.

Gelet op de summiere onderbouwing door de vrouw en de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw de gestelde feiten niet aannemelijk gemaakt, zodat haar claim moet worden afgewezen.

5.3.

De vrouw claimt € 7.360,00 stellende dat zij in 2013 dit bedrag aan de man heeft betaald ter zake renovatie van de woning (stucadoor- en schilderwerk). Daar deze kosten niet onder de huishoudelijke kosten vallen en de woning van de man is, dient de man hetgeen zij aan zijn woning heeft uitgegeven, te vergoeden.

De man heeft de betaling ter zake de renovatie van zijn woning erkend. Onbestreden heeft de man naar voren gebracht dat die renovatie niet nodig was, maar dat de man daarmee heeft ingestemd omdat de vrouw die werkzaamheden per sé wenste te laten uitvoeren. De man heeft daaraan wel de voorwaarde gesteld dat de vrouw ten minste aan een deel van die stucwerkkosten moest bijdragen. In dit verband heeft de man verwezen naar de inhoud van productie 53b van de vrouw waarin gewag wordt gemaakt van dergelijke renovatiewerkzaamheden en de afspraak dat de vrouw 50% van de kosten zou betalen.

Nu de vrouw die door de man gemotiveerde stellingen niet heeft bestreden, moet de lezing van de man voor juist worden gehouden. Met andere woorden gezegd: de vrouw heeft de bedoelde bijdrage conform afspraak tussen partijen aan de man betaald. In die afspraak ligt besloten dat een verrekening van die bijdrage niet meer aan de orde zou kunnen komen.

De claim van de vrouw wordt afgewezen.

5.4.

De man heeft de claim ter zake door de vrouw over de periode 1 september 2013 tot 1 januari 2015 meebetaalde premie ASRpolis ten name van de man (met nummer [polisnummer 7] ) erkend, zodat € 1.090,56 zal worden toegewezen.

5.5.

De vrouw stelt dat partijen gezamenlijk een hond hebben aangeschaft. Na het vertrek van de man uit de woning is de hond bij de vrouw gebleven. De kosten van de hond dienen voor de helft door de man te worden gedragen totdat de hond tussen partijen is verdeeld.

De man heeft betwist dat de hond gemeenschappelijk eigendom is van partijen. Volgens de man heeft hij de hond aan de kinderen geschonken. De man concludeert dat er geen juridische grondslag is voor deze claim en dat de vrouw ook niet om verdeling of toedeling van de hond heeft gevraagd.

Gezien de gemotiveerde betwisting door de man kan er niet van worden uitgegaan dat de hond gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Daarop strandt de vordering van de vrouw.

5.6.

Dat de vrouw de spullen van de kinderen die nog in de echtelijke woning lagen per 20 januari 2016 heeft opgeslagen voor € 150,00 per maand maakt niet duidelijk op welke rechtsgrond de man gehouden zou zijn die kosten geheel of gedeeltelijk te betalen. Uit de door de vrouw gestelde feiten blijkt niet van feiten en omstandigheden die aanknopen bij een bepaalde juridische grondslag van deze claim. De man heeft daar impliciet op gewezen en terecht ook gewezen op het feit dat met hem geen overleg is gevoerd over die opslag. Daar komt nog bij dat de kinderen meerderjarig zijn en zelf verantwoordelijk zijn voor hun spullen. Derhalve valt niet in te zien dat de man ter zake tot betaling aan de vrouw gehouden is. Deze claim van de vrouw wordt afgewezen.

6 Vervolg van de procedure

In afwachting van de akten van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

Indien de man op de door de vrouw over te leggen polissen wenst te reageren, heeft hij daartoe de gelegenheid in de reeds genoemde, binnen 4 weken na heden, in te dienen antwoordakte. Naast deze akte heeft ook de vrouw nog gelegenheid om een antwoordakte te nemen. Daarbuiten zullen geen nadere akten meer worden toegelaten. De partij die daartoe toch de noodzaak aanwezig acht, zal daarvoor op voorhand aan de rechtbank toestemming moeten vragen. De eindfase waarin deze procedure is gekomen, brengt met zich mee dat de proceshandelingen van partijen dienen te worden gereglementeerd.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van (€ 391,66 + € 1.974,00 + € 435,48 + € 2.440,00 + € 303,42 is totaal) € 5.544,56 en wijst hetgeen ter zake deze posten meer of anders is verzocht af;

7.2.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 1.090,56 en wijst overigens de vermeerdering van eis van de vrouw af;

7.3.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

stelt de man in de gelegenheid binnen 4 weken een antwoordakte te nemen ter uitvoering van hetgeen onder 2.4. is overwogen (posten waarde pand Spanje en de inboedel);

7.5.

beveelt de vrouw de polissen van de spaarplannen bij KBC bij akte binnen 2 weken over te leggen en stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen 4 weken een antwoordakte te nemen zoals in overweging 4.8. is overwogen;

7.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.P.H. Welie op 21 oktober 2016.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..